Sentiment en piëteit

Ik ontbeer veel talenten. Een van die talenten is historisch sentiment. Mij ontbreekt het vermogen om iets te ‘voelen’ bij herinneringen, laat staan bij iets wat deze herinneringen activeert of – zoals dat tegenwoordig heet – triggert: een foto, een stuk muziek, een gebouw, een plaats etc. Ik probeer dit ‘gevoel’ wel eens uit te lokken. Dan ga ik bewust naar een plaats waaraan bepaalde persoonlijke herinneringen zijn verbonden – bijvoorbeeld de straat waar ik ben opgegroeid of een gebouw waar ik heb gewerkt. Of ik zet een CD met muziek op, waarvan mijn vader zo hield. Maar het ‘doet’ me dan niet echt iets.

Zo vergaat het me trouwens ook als ik op een heilige plaats ben, die boven mijn armzalige biografietje uitgaat: het huis van een beroemd kunstenaar, diens graf of een gebouw waarin een Historische Gebeurtenis plaatsvond. De stenen blijven dan doen wat ze al toch al lagen te doen: zwijgen. Ik kom niet verder dan het interessant vinden van die plek. Hooguit voeg ik door mijn bezoek aan de plaats iets toe aan mijn kennis over de historische persoon of gebeurtenis: die krijgt dan iets meer couleur locale of fysieke context. Ik heb een weetje erbij, maar geen ‘gevoel’. Kortom: ik ben niet in de wieg gelegd voor pelgrim.

Ik ben onmiddellijk bereid om toe te geven dat het ‘wel aan mij zal liggen’. Blijkbaar hebben anderen een zintuig dat ik mis. Daarop kan ik oprecht jaloers zijn. Ik ben overigens wel in staat om stil te vallen, te huiveren of te wenen – als niemand het ziet wel te verstaan. Ik doe dat echter eerder bij een mooi kunstwerk dat overweldigend mijn leven binnendringt – zonder dat er noodzakelijk sprake is van biografische of historische connotaties of associaties. Het overkomt me bijvoorbeeld bij een schilderij van Velazquez, bij een zin uit de Titan van Jean Paul of bij een passage uit de Ring des Nibelungen

Ik geloof trouwens dat er zekere objectieve oorzaken zijn voor het feit dat een ‘historische plek’ mij niet heel diep ‘raakt’, in tegenstelling tot een indringend kunstwerk. Zo heeft Wotans Abschied uit de Walküre een onmiddellijkheid waaraan een bezoek aan Bayreuth op een stil moment niet kan tippen. Bij dat laatste moet je jezelf iets (laten) vertellen. Dat overweldigende en directe van de kunst hebben ook historische getuigenverslagen, in onderscheid tot historische plaatsen. Ik was jaren geleden bijvoorbeeld niet extreem onder de indruk van Auschwitz als plek. Van de verhalen die de gids vertelde raakte ik echter ondersteboven – maar ik ben altijd en overal kapot als ik lees of hoor over Auschwitz.

Waarom heb ik dan bijgedragen aan het boek Aan plaatsen gehecht dat afgelopen vrijdag werd gepresenteerd? Omdat er een andere reden is om plaatsen en objecten te koesteren, waaraan een herinnering zich heeft gehecht. Die reden is ‘piëteit’. Piëteit is echter niet een ‘gevoel’: het is een ethische, soms zelfs politieke categorie. We houden materiële en immateriële plekken of objecten in ere, omdat daar of daarvoor het bloed, het zweet en de tranen hebben gevloeid van anderen – en omdat we daarvoor dankbaar zijn. Natuurlijk ook omdat deze plekken en objecten onze eigen identiteit stutten: maar dan wel onze identiteit als iets wat ons door de geschiedenis in de schoot is geworpen. Onze identiteit houden we paradoxaal genoeg in ere, omdat en voor zover ze ook ‘het andere’ is ten opzichte van ons ‘zelf’.

Piëteit kan uiteraard politiek worden misbruikt. Dat gebeurt als deze ethische categorie wordt geperverteerd tot een sentimentele en als de herinneringsplaatsen en –objecten worden omgeven met religieus pathos en taboes. Een slagveld wordt dan de moeder van nieuwe slagvelden en een vlag of een heilig boek wordt dan een moloch. Het waken bij de kwetsbare herinnering aan de ander wordt dan tot een mars voor het eigen gelijk. We staan niet meer stil bij het ‘andere’, maar slaan luid op de trommel voor het ‘eigene’. Dat laatste komt doordat we de slachtofferrol in het drama van de geschiedenis opeisen en monopoliseren. In plaats van nederig te buigen voor de herinnering aan anderen, projecteren we onze eigen tekortgedaanheid op de vernederden van weleer en ons eigen oproer op hun heldhaftigheid. Dat is zelfs geen sentiment meer: het is ressentiment. Dat heeft niets, maar dan ook niets meer te maken met de sprakeloze aangedaanheid door het andere van de herinnering – ofwel met piëteit.

***

Ellen Brok, Jan Jacobs, Lodewijk Winkeler, Albert van der Zeijden (red.) Aan plaatsen gehecht. Katholieke herinneringscultuur in Nederland. Uitgeverij Valkhof Pers, Nijmegen 2012.

Geef een reactie