Respect en bewondering – en de grenzen daarvan

De komkommertijd bevat dit jaar bij nader inzien toch nieuwspareltjes, die een theoloog uitdagen tot reflectie. In deze column wil ik er twee, die zich kort na elkaar voordeden, uitlichten: de uitspraak van de Raad van State over de Pastafaribeweging en het drama van Maarten van der Weijden.

I. Religieuze uitingen in soorten en maten

Vorige week sprak de Raad van State een beslissend woord over de religie-satirische beweging van de Pastafari. Dier geloof in het Vliegend Spaghettimonster werd door de Raad van State niet erkend als godsdienst of levensovertuiging – met als gevolg dat de Pastafari zich niet kunnen beroepen op de vrijheid van godsdienst en de bijbehorende rechten. Mij verraste de uitspraak niet. Deze beweging is immers duidelijk een parodie op bestaande religies en geen religie op zichzelf.

Dit heeft uiteraard gevolgen voor de omgang met de uitingen van de beweging. De ironische uitingen van de Pastafari – zoals het dragen van een vergiet bij wijze van hoofddeksel – zijn eerder bedoeld als een statement of commentaar dan als een expressie van een overtuiging. Ze zijn eerder gericht op iets wat anderen vinden, dan op datgene wat iemand zelf vindt. Dat laatste is voor mij een cruciaal onderscheid tussen enerzijds de Pastafari en anderzijds mensen die een bindi , keppeltje, hoofdoek of kruisje dragen. Dat soort symbolen of uitingen komen als het ware van binnen uit, vanuit de behoefte om de innerlijke overtuiging te tonen, zonder dat daarmee iets wordt gezegd over de overtuigingen van anderen. Ze verdienen daarom ook een ander soort respect en erkenning.

En toch denk ik vanaf dit punt ook verder. De grens tussen een symbool als uitdrukking van je overtuiging enerzijds en als statement of commentaar op de wereld om je heen anderzijds: die grens is ook vloeiend. In katholieke kringen kennen we – om een analogie aan te halen – allang het vervloeien van deze scheidslijn als het gaat om het dragen van klerikale kleding. Een priester die Nederland vanaf de jaren zeventig een boord droeg, drukte niet op de eerste plaats zijn identiteit uit, maar vooral ook een kerkpolitiek standpunt. Welnu: ik sluit niet uit, dat ook algemene religieuze uitingen steeds meer de lading krijgen van een stellingname en positionering, met daarin inbegrepen de kritiek op de samenleving om je heen – hetgeen voor mij overigens een reden is, om zeer terughoudend te zijn met het dragen van symbolen.

Ik denk al met al dat het goed is dat aanhangers van religies zich steeds weer afvragen, waarom ze een bepaald kledingstuk of symbool dragen. Is het bedoeld als expressie van wie je bent? Of is het eerder een manier om jezelf en anderen ten opzichte van elkaar neer te zetten? Is het een markering van posities en grenzen? En vertroebelt dit niet de discussie over respect voor en erkenning van religieuze uitingen?

II. De Maartencultus

Afgelopen maandag moest de zwemmer Maarten van der Weijden zijn poging onderbreken om 200 kilometer te zwemmen voor het goede doel. Na 163 kilometer te hebben afgelegd en 55 uur in het water te hebben gelegen, kwam hij gebroken, ziek en uitgeput aan land. Hij werd terstond en in de dagen erna als een held op een voetstuk geheven om zijn ‘bovenmenselijke prestatie’ die op bewonderenswaardige wijze ‘zijn grenzen had verlegd’.

Ikzelf had vooral te doen met de man, die zichzelf dit had aangedaan en bovendien was gedreven door een merkwaardig soort behoefte aan zelfkastijding en boetedoening. Ik kwalificeerde en her-frame-de zijn actie dan ook als een onmenselijke vorm van zelfkwelling in plaats van een ‘bovenmenselijke prestatie’. Waarom moest ik bewondering hebben voor een absurde en riskante actie, waarom niemand had gevraagd? Waarom doen we onszelf en anderen in het kader van fundraising dit soort onnodige, bizarre acties aan?

Mijn tweets in deze zin werden mij niet in dank afgenomen. Vooral in Friesland waren er nogal wat aangeschoten wieken. Ik had hun held bespuugd en daarenboven nog eens het befaamde gemeenschapsgevoel te kort gedaan. Ik deed ook geen recht aan de nobele en doorleefde motivatie van Van der Weijden, die als overlevende van kanker een extra offer wilde brengen in de strijd tegen de ziekte, uit respect voor degenen die niet hadden overleefd.

De geprikkelde en gekwetste reacties versterken eerlijk gezegd mijn behoefte om dit fenomeen cultuurkritisch verder te doordenken. Er heerst blijkbaar een taboe op kritiek op dit soort helden, die een in zichzelf zinloze en absurde prestatie leveren ten koste van zichzelf en al dan niet in dienst van een op zich zinvol doel, waarmee de prestatie echter geen intrinsieke relatie heeft. (Van zelfkwelling wordt iemand anders niet beter). Dergelijke helden moeten vooral worden vereerd en bewonderd. Meeleven is niet voldoende – en kritiek al helemaal uit den boze. Het doet me denken aan de lijdenscultus in het decadente katholicisme van de 19e en 20e eeuw, waarin werd gedweept met masochistische heiligen. Hoe meer bloed, zweet en tranen, hoe liever en heiliger.

Het fenomeen van de Maartencultus herinnert me ook aan de grenzeloze verering van paus Johannes Paulus II, die al tijdens zijn leven werd heilig verklaard voor het feit dat hij over de pijngrens heen zijn ambt bleef vervullen. Hij dronk de kelk van het lijden tot de laatste druppel leeg en zag juist dat als de invulling van zijn ambt – dat hij op wezenlijke onderdelen moest delegeren aan anderen, met het risico van interne anarchie. Ik herinner me nog dat dit zelfs aan conservatieve katholieken de verzuchting ontlokte: ‘Hij hóeft dit toch niet te doen? Ik heb er niet om gevraagd.’

Nogmaals: ik heb met Van der Weijden te doen. Ik wens hem beterschap. Maar ik wens ook ons als cultuur toe, dat we genezen van een pathologische verheerlijking van zinloos lijden. We hebben geen ‘bovenmenselijke prestaties’ nodig van mensen die ‘over hun grens’ gaan. We hebben menselijke en realistische inzet nodig voor een betere wereld. Dat is al lastig genoeg.

Geef een reactie