Onze erfvijand: de vergankelijkheid

Er zijn drie ervaringen die erg veel op elkaar lijken: het bezichtigen van een middeleeuwse kathedraal, het wandelen door een herfstbos en jezelf aankijken in de spiegel als je de dertig bent gepasseerd. De kathedraal, het herfstbos en de aftakeling in ons gelaat: ze tonen ons alle drie een stoer standhouden in een uiteindelijk niet te vertragen proces van verval. Ze zijn getuigenissen van een even dappere als vergeefse standvastigheid in de strijd tegen de vergankelijkheid. Bij het betasten van de zwaartillende, verweerde zuilen, bij het opkijken naar de kalende, rijzige bomen en bij het waarnemen van de vonk van levenskracht in onze vermoeide ogen ondergaan we daarom een mengsel van ontzag, weemoed en onderdrukte angst voor de dood.

Ik sluit niet uit dat het als derde genoemde bestanddeel van deze melange – de angst voor de dood – hiervan de kern vormt. De andere twee gemoedsgesteldheden zijn vooral bedoeld om dit beklemmende gevoel draaglijk te maken. Ontzag en weemoed zijn immers paradoxale compromisgevoelens. Wie ontzag voelt, ondergaat op één en hetzelfde moment de eigen kleinheid en breekbaarheid (weerspiegeld in de patina van de ouderdom, de vallende bladeren en de verslappende huid) en het verlof om deel te nemen aan het grotere en sterkere (de pilaren, de boomstammen, de glans van levenskracht in onze ogen). En weemoed heeft de spreekwoordelijke bitterzoete smaak van het aanvaarde verlies. Met deze paradoxen van ontzag en weemoed menen we, zo vermoed ik, de angst voor de dood te slim af te zijn. We kapselen deze in. Ze mag er zijn, ja: we erkennen haar onweerlegbare recht van spreken – maar we dempen haar.

Esthetiek van de vergankelijkheid

Op deze manier is de esthetiek van de vergankelijkheid ontstaan. De ouderdom van het kerkgebouw heeft adel; de aftakeling van het herfstbos levert een gouden gloed op; de rimpels in ons gezicht bergen herinneringen en spreken boekdelen van wijsheid. Ook oude glorie is glorie – zo roepen we tegen de tegenwind uit het noorden in.

Dit is ten diepste preken voor eigen parochie. Naarmate we ouder worden en de dood om ons huis horen sluipen, zeggen we steeds vaker en harder tegen onszelf (en tegen degenen die met ons ouder worden) hoeveel schoonheid er schuilgaat in ons verschralende gelaat. Levenskunstgoeroes doen bovendien goede zaken met boekjes, spreukenkalenders en cursusprogramma’s die ons leren om in schoonheid oud te worden.

Intussen knaagt de vergankelijkheid onmerkbaar maar zeker aan onze levensdraad. Soms wordt de realiteit ons te machtig. In de eenzaamheid van slapeloze nachten – als we verkeren in de meedogenloos fel verlichte kale kelder van ons mens zijn – denken we aan de dood en zien we onder ogen, hoe hij ons stukje bij beetje berooft van onze krachten en vermogens, onze tijd en onze kansen, onze geliefden en onze helden. Daar is niets glorieus aan.

Onze erfvijand

Laten we eerlijk zijn: de vergankelijkheid is onze erfvijand. Sinds wij mensen op twee benen zijn gaan lopen, sinds het vuur van het zelfbewustzijn in ons is ontstoken, staan we op voet van oorlog met de sterfelijkheid. Wetenschap, moraal en kunst, het werken aan het ware, goede en schone, kortom de cultuur: het is niets anders dan het inpolderen van ons bestaan, dan het strijden tegen het telkens weer wassende water van de dood. Ook de religie is niet meer dan een laatste troef in dit gevecht.

Natuurlijk: deze strijd is tragisch. En ze heeft uitwassen, zoals de verheerlijking van het eeuwige jong zijn in de popcultuur en de massamedia. De romantisering of domesticatie van de vergankelijkheid is echter evenzeer sneu en meelijwekkend in haar masochisme. De genoemde levenskunstindustrie produceert evenveel kitsch als de glamour-cult rond de onvergankelijke jeugd. Uiteindelijk zouden we allemaal willen geloven in de Fontein van de Eeuwige Jeugd – en vervloeken we het afbrokkelen van de stenen in onze kathedralen, de schimmels in het herfstbos en de schilfers en wratjes op ons ouder wordende gezicht.

Geef een reactie