November

Nadat ik op donderdagavond in Bonn een lezing had gegeven voor een gezelschap van maar liefst vier personen en de nacht had doorgebracht in een logeerkamer, die vol stond met afgedankte en in een ver verleden vermoedelijk slechts door een enkeling gelezen boeken, was ik volop in de stemming om te zwelgen in een sfeer van vergane glorie. Met dat melancholieke been wilde ik dan ook graag uit bed stappen op één november – en alles werkte op die dag mee om deze stemming te bestendigen.

Overigens was de grondslag voor de novembermelancholie al gelegd toen ik op donderdagmiddag had ontdekt dat één van mijn favoriete boekwinkels in Bonn ter ziele was. Gelukkig was er nog de Thalia, gevestigd in een voormalig filmtheater dat is doordrenkt met het parfum van de decadentie.

Zoals zoveel boekhandels voert ook de Thalia echter een verwoede strijd met de digitale media en met de gemakkelijke verkrijgbaarheid van boeken via het internet. Ze wordt dan steeds meer een bazaar van trendy hebbedingetjes, waarin dialogen thuishoren als de volgende. “Heeft u ook boeken?” “Nee meneer, die liepen niet meer. We hebben wel nog leuke koffiemokken, waarop een goedlachse muis staat afgebeeld die een opwekkende spreuk in zijn tekstballonnetje spreekt.”

De traditionele boekwinkels: het zijn oude dames die nog hun best doen om er appetijtelijk uit te zien, maar het in hun pijnlijke opgedirktheid vroeg of laat moeten afleggen tegen hun jonge, hippe rivalen.

Enfin, het was op vrijdagochtend heel erg november in Bonn. Tot mijn schaamte had ik er niet bij stil gestaan, dat Allerheiligen in Noordrijn-Westfalen een verplichte feestdag is. Mijn voornemen om te gaan winkelen, deels om toe te geven aan mijn onuitroeibare hedonisme, deels ter compensatie van mijn (ter verontschuldiging van deze compensatie overigens zorgvuldig gekoesterde) herfstdepressie: dit voornemen werd gefnuikt door de gedwongen winkelsluiting, waarmee de Rijnlanders hun uitbundige feestvreugde luister menen te moeten bijzetten. Nors keken de gesloten winkelpuien mij aan.

Door de lege straten liep ik rechtstreeks naar het station, niet zonder bij het passeren van het geboortehuis van Van Beethoven in gedachten een eerbetoon te hebben gebracht aan deze componist, die helaas ook al zo lang dood is.

Op het station en in de treinen was er al wat meer leven. Toen ik in Mönchen-Gladbach de boemel naar Venlo wilde nemen, werd ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt. De Nederrijnlanders vieren hun christelijke hoogtijdagen immers graag met een bezoek aan de Noord-Limburgse stad, die als een parel is gelegen aan de Maas. Zittend, staand en ingeklemd tussen elkaar staken de winkelgrage Duitse treinreizigers vrijdag dan ook de grens over, als verdoemde zielen de Styx, gedompeld in vergetelheid omtrent de hogere bestemming van de mens.

En ik dacht terug aan mijn Allerheiligens en Allerzielens van vroeger, in Zuid-Limburg en in België. Ik dacht terug aan de (uiteraard vooral in mijn herinneringsfantasie) in nevelen gehulde begraafplaatsen, waar de kunstmatige, felle kleuren van chrysanten door het grauw héén priemden. O, die chrysanten! “Mooi zijn ze niet, maar ze kunnen tegen een stootje en blijven zo lekker lang staan,” aldus het katholieke najaarspragmatisme van de generatie van mijn ouders. De chrysant, deze zombie onder de bloemen, mag zich dan ook verheugen in een muzikale ode, die Puccini hun bracht in zijn larmoyante strijkkwartet Chrysanthemi.

Ik werd uit de dagdroom van mijn herinneringen gewekt in Venlo, waar ik me haastte naar de gereedstaande trein naar Eindhoven. Hier was alles normaal en doordrongen van de eentonigheid van onze krakende en piepende economie. Thuis gekomen liep ik naar mijn CD-kast, in de stemming voor een stukje Brahms, de componist die de herfst onnavolgbaar op muziek kon zetten. Ik bedacht me echter toen ik de voorgevel van Beethovens ouderlijk huis weer even voor mijn geestesoog zag. En even later klonk in de huiskamer het langzame deel van diens vioolconcert. In het spinragfijne spel van Isabelle Faust leek de najaarszon te glanzen.

Als alles dood is, leeft gelukkig Beethoven nog.

Geef een reactie