Mijn god

Mijn god vindt niet zo veel. Hij zou zich bijvoorbeeld nooit mengen in opgewonden en dolgedraaide discussies over weigerambtenaren of zwarte pieten. Zij zou haar schouders ophalen over precieze en scrupuleuze theoloogjes – het soort waartoe ik mezelf reken – die angstvallig over god spreken in beurtelings vrouwelijke en mannelijke vormen.

Mijn god vindt en doet niet zo veel. Waarschijnlijk vind hij dat we gewoon zelf moeten verantwoorden wat we vinden en doen en dat we zelf moeten opdraaien voor de gevolgen. Hij geeft goed- noch afkeuring, groen licht noch carte blanche. Noem het rekkelijk.

Maar ja, je weet het nooit. Misschien houdt zij wel stiekem haar kaarten achter de hand en bekent zij eerder en feller kleur dan wij kunnen bevroeden. Misschien slijpt hij wel zijn messen voor de afrekening. Je weet het nooit met die god. Als zij iets is, is het onberekenbaar.

Toch houd ik het er maar op dat god wel wat beters te doen heeft dat onze dogma’s en privé-meningen, onze wetten en onze gedragingen, ons beterweten en onze vrijheidblijheidlevensstijl van goed- of afkeuring te voorzien.

Hij heeft wel wat beters te doen – namelijk niets. Mijn god vindt niets, doet niets en is niets (zelfs niet ‘inspirerend’, eerder adembenemend).

Als je op zondagochtend op het strand ligt, Mevrouw van het Remonstrantse Reclamespotje (Ook in november, trouwens? Soit.), dan kun je dat niets misschien horen. Druk een denkbeeldige schelp tegen je oor – en wellicht hoor je dan onder en achter alle omgevingsgeluiden, achter al ons gekibbel en geliefkoos die donkere stilte, dat daverende zwijgen van de afgrond waarboven ons bestaan zweeft. Dan hoor je de duistere verleiding om je biezen te pakken, al je geruststellende meningen achter je te laten, je gewichtigheden af te werpen en je roestige ankers te lichten – en op zoek te gaan naar het onvindbare.

Mijn god komt niet aankloppen bij onze rechtzinnige en vrijzinnige huizen en haarden om leden te werven. Hij houdt zich schuil in het niets. Daar wacht hij op ons tot wij zelf zo sleets, licht en gewichtloos zijn dat we er niet meer toe doen – behalve voor dat niets dat we god noemen.

… denk ik.

 

Postscriptum

De goede verstaander begrijpt dat ik met het bovenstaande geen afstand neem van de vrijzinnigheid of van de remonstrantse variant daarvan. Vrijzinnigheid gaat m.i. echter niet over het rusten op de lauweren van het goede gevoel, doch over verontrusting en over de onrust van een nooit haar doel bereikende zoektocht. De remonstrantse verdraagzaamheid is geen kwestie van alles goed vinden, maar het verdragen van het voortdurende geschil en de nooit eindigende zelfkritiek. EC

Geef een reactie