Licht

Om mij voor te bereiden op – of liever: te wapenen voor – de met omfloerst tromgeroffel in het vooruitzicht gestelde ‘somberste dag van het jaar’, nam ik mij voor om mezelf te onderwerpen aan een hardhandige immuniseringskuur. Ik besloot de tentoonstelling te bezoeken over Constant Permeke en andere Vlaamse expressionisten in het Rijksmuseum Twenthe (een parel in ons museumlandschap overigens).

Ik toog erheen vanuit de – op schamele oeuvrekennis gebaseerde – verwachting dat ik deprimerende doeken zou aantreffen met daarop door het leven getekende en door de dood op de hielen gezeten bonkige boeren, die zich gebogen voortbewegen onder een met donderwolken bezwangerde zwerk.

Kortom: ik vestigde mijn hoop op de werking van het zogenaamde Lourdesprincipe. Ik hoopte dat mijn eigen dreigende somberheid zou verbleken bij het gitzwarte levensgevoel van Permeke.

***

permeke licht

De ontmoeting met Permeke hielp inderdaad – maar niet op de door mij verwachte wijze. Ik ontdekte integendeel een pleitbezorger van het licht en van de glans van de realiteit.

De door de conservator aangebrachte opschriften mochten nog zo luid beweren, dat de vormentaal van de Vlaamse expressionisten wordt beheerst door sombere tinten en door ruwe, grove en hoekige gebaren: ik voelde vooral veel tederheid in de toets die Permeke aanslaat.

Natuurlijk kruipt Permeke de vissers en boeren, met wie hij zich tot in zijn vezels verwant voelde, zo dicht mogelijk op de huid. Tegelijk laat hij hen echter op zichzelf staan, geeft hij het zicht op hen vrij en laat hij het licht volop op hen schijnen. Hij plaatst hen op een voetstuk, zonder een indringer te worden in hun intimiteit. Zelfs zijn naakten zijn niet, zoals die van bijvoorbeeld Schiele of Klimt, voyeuristisch of opdringerig. Permeke is juist terughoudend.

Ook het minimalisme van zijn ‘ruwe’ en grote gebaar is geen schreeuwerigheid, doch juist een vorm van bescheidenheid en respect. Kijk naar zijn landschappen. Hier doet de schilder datgene wat Diogenes aan de keizer vroeg: hij zet een stap opzij om de zon te laten schijnen op de werkelijkheid. Het is uiteraard weinig zon en slechts schraal licht, wat het Vlaamse landschap te bieden heeft. Juist daarom echter is de bescheidenheid op haar plaats – zo moet Permeke hebben gedacht. Geen sprankje licht mag worden gehinderd. Met het weinige licht in ons bestaan mag niet worden geknoeid.

***

permeke vissersvrouw

Permeke lijkt – met zijn pasteuze stijl en met zijn hartstochtelijke aanhankelijkheid aan de mensen van zijn tijd – op de Amerikaanse dichter Walt Whitman (1819-1892). Deze identificeert zich in zijn vet aangezette en bombastische poëzie op vergelijkbare wijze met alle denkbare vrouwen en mannen, van alle tijden en continenten, in alle omstandigheden van het leven. Hun woordvoerder wil hij zijn. (“I am the hounded slave. (…) I plead for my brothers and sisters.”) Ook Whitman ziet de ‘contouren van geluk’ oplichten in de werkelijkheid.

De vergelijking gaat slechts ten dele op. Permeke is minder messiaans in zijn pretenties. Hij wandelt niet onder tromgeroffel en trompetgeschal met zevenmijlslaarzen over continenten en door de geschiedenis. Hij bestormt niet de kosmos, zoals Whitman en zijn muzikale evenknie Ives. Vlaanderen en zijn hard werkende bewoners zijn voor Permeke genoeg.

Permeke is echter wel degelijk visionair – in de bescheiden zin dat hij zichtbaar maakt, dat hij ons iets laat zien. Hij leent ons zijn helderziende ogen en maakt ons attent op de glans van de werkelijkheid, op het sprankje hoop dat daarin sluimert.

Geef een reactie