Last is geen grond voor verbieden – over voors en tegens van een vuurwerkverbod

Van het vuurwerk met oud en nieuw heb ik altijd een sterke afkeer gevoeld. Het lawaai, de intimidatie door rotjochies die rotjes voor je voeten gooien, de stank die bij bepaalde weersomstandigheden te lang blijft hangen, de niet opgeruimde rommel in de straat en mijn tuin: dit alles heeft mijn afkeer gevoed en iedere jaarwisseling doen toenemen. Voor een verbod op consumentenvuurwerk ben ik niettemin tot nu toe niet geweest. Ik haalde altijd diep adem, zette de tanden op elkaar en wachtte rustig de stilte van 2 januari af.

Sedert kort ben ik echter overstag – maar dan niet vanwege de genoemde dingen, die onder het begrip ‘overlast’ worden samengevat. Ik ben voor een verbod omdat we niet meer heen kunnen om de aantoonbare samenhang tussen enerzijds consumentenvuurwerk en anderzijds letsel bij mens en dier, materiële schade en dodelijke ongevallen. Het is te gek voor woorden dat we het voor lief nemen, dat er ieder jaar rond oud en nieuw onnodig en met honderd procent zekerheid slachtoffers vallen. Om die simpele reden ben ik inmiddels dus wel voor verbieden.

Ik onderstreep echter dat de genoemde ‘overlast’ als zodanig in mijn ogen te weinig grond is voor een verbod op luidruchtige uitingen van levensvreugde. Iedere groep en iedere enkeling heeft zijn bijzondere tijden en momenten, die met een zekere uitbundigheid worden gevierd – een uitbundigheid die onvermijdelijk grenst aan bandeloosheid. Als je zelf even niet hoort bij de feestvierende gemeente of de ‘doelgroep’,  ervaar je vooral de hinder en de last. Als je zelf niets te vieren hebt, is het moeilijk om de keerzijden van het feest voor lief te nemen. Mij vergaat dat bijvoorbeeld zo bij de jaarlijkse marathon, op Koningsdag en tijdens de kerstmarkt. Mijn stad wordt er tijdelijk chaotisch en onhanteerbaar, lawaaierig en lelijk van. Het op de kop zetten van de orde irriteert en hindert me. Ik ervaar het als een inbreuk – en soms zelfs als een inperking van mijn bewegingsvrijheid. Toch probeer ik de nodige tolerantie en zelfs begrip op te brengen voor de menigte die van dit soort evenementen geniet. Ik ben op een andere dag misschien weer degene die hinder veroorzaakt. Die overlast zal, gezien mijn voorkeuren en smaak, een wat serener en beschaafder karakter hebben – maar ook klassieke-muziekfestivals of uitmarkten hebben onvermijdelijk iets opdringerigs, om nog maar te zwijgen van politieke demonstraties, religieuze uitingen en stille tochten.

Leven en laten leven dus: dit beschaafde adagium is op zich al een reden om niet te snel over te gaan tot verbieden van ‘overlast’. Bovendien horen ontregeling en ordeverstoring bij onze cultuur en onze samenleving, zolang ze maar zijn gedoseerd en zolang ze – paradoxaal uitgedrukt – worden gereguleerd en ingekaderd. Dat is niet is van vandaag of gisteren. Massaal gevierde feesten waren er altijd al en ze hadden altijd al iets ontregelends en ordeverstorends. Dat was en is zo met carnaval en kermis, bij heiligenfeesten (tot op de dag van vandaag in zuidelijke streken), tijdens festivals en sportevenementen etc. Tijdelijke wanorde hoort erbij en heeft bovendien een sociaal-hygiënische functie: het geeft speelruimte en voorkomt zodoende het klem- en vastlopen van de raderen van de orde.

Verbieden omdat iets mij hindert en omdat het de orde verstoort, is voor mij al met al niet aan de orde. Pas als er grenzen worden overschreden en als daarin een patroon ontstaat, pas als de drempel voor geweld wordt verlaagd, pas als er een structureel causaal verband ontstaat met beschadiging van mensen en zaken: pas dan kan en moet een verbod worden overwogen. In alle andere gevallen is een verbod een uiting van afgunst, humorloosheid en verbittering. Bovendien verlamt het het samenleven. Het verbieden van dingen waarvan we last hebben leidt tot klikgedrag, tot terug pesten en een escalatie van het verbieden. ‘Als jij mij dit niet gunt, gun ik jou dat niet!’ We komen terecht in een angstige kousenvoetencultuur.

Wat betreft het consumentenvuurwerk is mijn standpunt helder. Dat spul moet onmiddellijk worden verboden – en wel vanwege de voorspelbare en aantoonbare schade, die er direct het gevolg van is. Dit mag echter geen stap zijn op een weg waarop steeds meer ‘hinderlijke’ zaken als zodanig worden verboden, totdat onze openbare ruimte een griezelig neutraal en eentonig landschap is van krampachtige correctheid en smetvrees.

Geef een reactie