Lachen als redding van de discretie

We hadden gelachen en een traantje weggepinkt – en om van deze emoties bij te komen dronken we een flinke borrel. Zo was, kort samengevat, de sluiting van een burgerlijk huwelijk verlopen die ik onlangs bijwoonde. Ik wil mezelf niet fijner besnaard (of juist ongevoeliger) voordoen dan ik ben en geef gul toe dat ook ik me had laten meenemen door de emoties. Een meisje dat met ferme uithalen van haar stem Trijntje Oosterhuis naar de kroon had gestoken had mijn traanklieren geprikkeld en de dienstdoende ambtenaar van de burgerlijke stand had met haar grappen feilloos de weg naar mijn lachspieren weten te vinden.

Toen ik mijmerend naar de bushalte liep, hield vooral dat laatste mij bezig. Was het niet wonderlijk dat we tijdens de toespraak van de ambtenaar vrijwel onafgebroken hadden geglimlacht, gegniffeld of geschaterd? Leek het er niet op, dat er iets moet worden weggelachen? En wat was dan datgene wat moest worden bedolven onder lachsalvo’s? De verlegenheid met de overweldigende ernst en intimiteit van het moment? De al te grote ontroering die tussen de gesproken momenten was geactiveerd door het zingende meisje? Of was het allemaal banaler en moesten de verveling door het prozaïsche ritueel en de lange zit op de oncomfortabele stoelen worden gecompenseerd door het amusement? Kortom: was de behoefte om constant te lachen een vlucht voor al te grote ernst en indringendheid of juist een uiting van het feit dat we het allemaal niet meer zo serieus namen en er dus maar het lolligste van maakten? Of lag het allemaal nog gecompliceerder?

Toen ik mijn vervreemding en bedenkingen boekstaafde in de vorm van een tweet, wees iemand mij op de samenhang van één en ander. Het lijkt bij rituelen – zo beweerde hij – steeds meer te gaan om emoties, zowel de tranentrekkende als de lachopwekkende. Het private van het gevoel – met zijn twee gezichten – parasiteert op het per definitie publieke ritueel. De lach en de traan zijn, zo lijkt het, zijde en keerzijde van hetzelfde fenomeen: de wildgroei van de emotie.

Hierover nadenkend kwam ik echter tot het vermoeden dat het ‘probleem’ (chronologisch en causaal beschouwd) in de eerste plaats steekt in de dwangmatige zoektocht naar ontroering die onze zintuiglijke cultuur ons oplegt. In die zin wees reeds de antiromanticus Adelbert Stifter op het decadentieverschijnsel van de dweepzucht. Zijn fan Dietrich Bonhoeffer ging nog een stap verder en stelde de moderne drang aan de kaak, om de uithoeken van ons inwendige aan het daglicht te brengen en de mens te reduceren en verminken tot het ‘innerlijke’ domein.

Het lijkt alsof deze misgroei in onze tijd nog meer is doorgeslagen en het ‘gevoel’ en de ‘beleving’ onze (religieuze en seculiere) rituelen zijn gaan overwoekeren. Alles is expressie en uitlaatklep. Het stille gebaar wordt overschreeuwd door onze ontboezemingsdrang. Dit alles nu roept een slecht geweten op (zo is mijn hypothese): een knagend geweten over de indiscretie tegenover onszelf, een schaamte over het dwangmatige exhibitionisme en over het profaneren van datgene wat we in ons hart zouden moeten bewaren.

En precies op dat moment ontstaat de drang om te lachen – en dan niet als gestalte van de emotie doch als antidotum. Het zou wel eens zo kunnen zijn, dat de behoefte om te lachen tijdens gevoelsoverladen rituelen een uiting is van de beschreven schaamte – en wel een zeer functionele uiting. Want is de humor niet vanouds een poging tot distantie? En vervult ze in het kader van een door emoties overwoekerd ritueel niet de functie om het schaamteloos blootgestelde weer te verhullen en te bedekken? Is humor niet een heilzame zelfcorrectie – zij het dan deze functie ons ontgaat zolang zij een onbewuste reflex is? Is lachen niet de redding van de discretie?

Om het met Bonhoeffer te zeggen: is humor niet de ‘disciplina arcani’ van onze tijd?

Geef een reactie