Kunnen we het stellen zonder de goden?

“Was unsterblich im Gesang soll leben, muss im Leben untergehn.”

Er was een tijd waarin goden en mensen in elkaar verstrengeld lagen en elkaar spelend gouden ballen toewierpen. Dit is althans de paradijselijke toestand, die de romanticus in ons projecteert op een ver verleden. Hij schildert deze zondoorschenen, onbekommerde idylle tegen de donkere achtergrond van ons beter weten. Want we weten dat onze wereld nu eenmaal is ontluisterd. De goden hebben zich eens en voor altijd eruit teruggetrokken.

Er is geen tijd die dit trauma van de ontstentenis der goden pijnlijker en scherper heeft doorleefd, verwoord en verbeeld dan de romantiek. En wij zijn nog steeds de erfgenamen van dit tijdperk. Niet dat het wanhopige besef eerst in de negentiende eeuw doordrong tot de mensheid, laat staan toen pas ontstond. Wij mensen zijn van huis uit niet op ons achterhoofd gevallen. Zelfs in de meest naïeve mythologieën van de oudheid schemert het trauma door. De rouw over onze ontworteling, over de onherroepelijke teloorgang van de symbiose met de goden: het zit in de genen van de homo sapiens, de wetende mens, wiens oerouder niet van die ene boom kon afblijven. Staan blijft dat de romantiek het heimwee klassiek heeft verwoord.

Friedrich Schiller (1759-1805)

Friedrich Schiller (1759-1805)

Zeer treffend is dit gebeurd in een gedicht van Friedrich Schiller, getiteld Die Götter Griechenlands (1788/1800)*. Met ironie en weemoed (de tweelingmuzen van iedere romanticus) beschrijft Schiller de schrijnende ontvlechting van de goden- en de mensenwereld en het treurige afscheid der goden van het wereldtoneel. De goden hebben op dit toneel plaats gemaakt voor de nurkse, ontoegankelijke god van de bijbel, die de mensen op afstand houdt en zich verschanst achter de deuren van zijn geheime vertrekken.

Deze god heeft op zijn beurt zijn eigen graf gegraven en de definitieve Götterdämmerung onherroepelijk over zichzelf afgeroepen. Als God vindt dat de wereld haar eigen boontjes moet en kan doppen: dan doet ze dat ook en wel voor honderd procent. “Niet meer lopend aan zijn leiband, vindt ze haar houvast in haar zwevende toestand”, zegt Schiller onnavolgbaar paradoxaal. Het pijnlijke losmakingsproces leidde niet tot ontwrichting, maar tot een gelaten zelfredzaamheid.

De pijn van de leegte blijft. Ons rest slechts een uitgeholde taal. Ons blijven slechts relieken en souvenirs, vage sporen en moeilijk te ontcijferen codes. Slechts het gemis herinnert nog aan de oorspronkelijke wederkerige en gelijkwaardige band met de goden. “Alleen in de sprookjeswereld van liederen is nog een spoortje hemelstof te bespeuren”, aldus de dichter.

***

Wanhoopspogingen om de voorgoed opgeblazen bruggen te herbouwen: ze waren sindsdien aan de orde van de dag. In de negentiende eeuw deden wijsgeren en kunstenaars zelfs pogingen om buiten de (ooit gevestigde, maar nu ondermijnde) religie om hemelbestormende bouwwerken op te richten – soms op het lachwekkend megalomane af, zoals Richard Wagner. Soms bedienden ze zich daarbij nog van een selectie van elementen uit het katholicisme, waarin ogenschijnlijk de idylle voortleefde.

Niet alleen het trauma, maar ook deze wanhoopspogingen, deze hang om de idylle te reanimeren heeft onze tijd geërfd van de romantiek. Denken we maar aan het meewarig stemmende gebruik van het machteloze toverwoord ‘spiritualiteit’; aan de meer dan naïeve uitwassen van de esoterie die heel wil maken wat voorgoed is gebroken; aan de retrograde tendensen in de kerken en tenslotte – nuchterder en subtieler – aan de populariserende (en soms populistische) theologieën die in het ‘alledaagse’ (men bedoelt: ‘dagelijkse’) leven het contact met de goden proberen te herstellen.

***

Schiller blijft dubbelzinnig in zijn gedicht (dat ook nog eens twee versies kent). Roept hij op tot een heroïsche beaming van de ‘Götterdämmerung’ of appelleert hij aan de moed der hoop – tegen beter weten in? We moeten zelf kiezen. Ons levensbesef herkent zich waarschijnlijk het meest in de gedachte dat “alleen berusting in de godsverduistering” overblijft. We moeten het doen met een god die is gestript van alle romantische projecties. Sterker nog: elke verbeelding schiet tekort en “het schilderachtige kleed van onze woorden voegt zich niet meer naar de contouren van de waarheid”. Dit omhulsel is een lege huls en het “ontzielde woord” blijft over als een griezelig instabiel houvast.

Daar moeten we het mee doen. Het leven is nu eenmaal geen kinderspel. En volwassen geloven is een de kinderschoenen ontgroeid, een ontwend bestaan.

* Of Schiller nu wel of niet een romanticus was in de technische zin van het woord: zullen we het daar een andere keer over hebben?

Geef een reactie