Ik ben niet iemand anders.

Tot een activistische voorhoede heb ik nooit gehoord. Ik behoorde echter wel altijd tot het soort mensen, dat dacht dat de wereld wel wat beter kon. Beter, dat wilde zeggen: vrijer, rechtvaardiger, vreedzamer. Enerzijds werd me dit ingegeven via de paplepel van een katholiek milieu, dat me leerde om de naaste lief te hebben. Anderzijds werd ik beïnvloed door het maatschappelijke klimaat van de jaren zeventig. Door dit laatste kreeg de naastenliefde, die in mijn milieu een mild en verteerbaar karakter had, een scherp politiek smaakje en een soms wat bittere afdronk. Vanaf de dag dat ik mondig was en mijn eigen geld begon te verdienen – dat was vanaf 1982 – werd ik lid van diverse actiegroepen en solidariteitsbewegingen.

Wat de katholieke naastenliefde en het solidaire activisme met elkaar verbond, was de gerichtheid op de ander. Het was niet netjes, maar ook helemaal niet nodig om voor jezelf op te komen. Je zette je in voor de ander. Dat deed je vanuit het besef dat je het zelf goed had en een schuld had in te lossen, maar tevens vanuit het vertrouwen dat anderen wel voor jou zouden opkomen als je zelf ooit in moeilijkheden zou komen.

Dit ethos om je zelf op de tweede plaats te stellen gold ook voor het collectief. Solidariteit richtte zich op de ander áls ander – en niet op soortgenoten en geestverwanten. Naar je eigen groep was je eerder kritisch – te meer daar deze groep bevoorrecht was of zelfs historische boter op zijn hoofd had. Concreet betekende dit, dat je je vooral inzette voor mensen op andere continenten en met andere huidskleur, mensen in andere leefomstandigheden en met andere religies etc. Hoe vreemder hoe liever.

Op deze gefixeerde focus op de ander en de vreemde is natuurlijk het één en ander aan te merken. Het eenzijdige altruïsme heeft iets hautains en neerbuigends, voor zover de ander wel erg als zwakkeling wordt neergezet. Aan de andere kant kan het verworden tot ongezonde en (paradoxaal gesproken) zelfs narcistische vorm van zelfverwaarlozing, zelfverwijt en zelfhaat. Niettemin lijkt me de gerichtheid op de ander áls ander per saldo een grote morele verworvenheid van onze tradities. Ze is geen overbodige luxe, gezien de voortdurende neiging van groepen en individuen in onze cultuur, om vooral met zichzelf bezig te zijn en voortdurend de eigen schaafwondjes te likken.

Bij mij is dit altruïsme in elk geval diep geworteld – als ideaal en norm dan, niet als dagelijkse praktijk. Daarom kan het er bij mij ook moeilijk in, als activisten zich voornamelijk met hun eigen groep bezighouden en hun solidariteit vooral investeren in mensen die het meest op hen lijken. Of als onderdrukking en geweld bijvoorbeeld steevast worden geplaatst in het vooraf gegeven kader van ‘wij’ tegenover ‘hun’. Ik denk hier aan christenen die vooral in het geweer komen als medegelovigen het slachtoffer zijn van een aanslag – en dan zelfs van christenvervolging spreken, alsof zij als groep het slachtoffer zijn – of aan moslims van de categorie Abou Jahjah of Tunahan Kuzu, die zich obsessief en exclusief solidariseren met andere moslims – en vanuit dat frame bijvoorbeeld de hele Midden-oostenproblematiek zien, tot en met het demoniseren van Israël.

Als een mens slachtoffer is van geweld en onrecht, is dit een voldoende en noodzakelijke voorwaarde om mijn solidariteit te mobiliseren – ongeacht of hij of zij mij vreemd is of vertrouwd. Nog sterker gezegd: het slachtofferschap máákt hem tot de vreemde en ander, die als zodanig (en niet als soortgenoot) aanspraak maakt op mijn solidariteit. Het brengt een niveauverschil aan en geeft de ander gezag. Ik kom op dit moment bijvoorbeeld op voor de Koptische christenen omdat ze mikpunt zijn van nihilistisch geweld. Het feit dat zij getroffen zijn, brengt hen in de positie een dwingend appel op mij te doen. Ze worden voor mij niet tot een slachtoffer – laat staan tot een geprivilegieerd slachtoffer – doordat ze toevallig een zelfde geloof aanhangen.

Je suis niet iemand anders. Ik ben de geschonden ander niet. Het slachtofferschap trekt een grens tussen die ander en mij en brengt niveauverschil aan. Het breekt door het kader van vertrouwdheid heen. En juist vanuit de zo ontstane, onoverbrugbare vreemdheid klinkt het beroep op mijn solidariteit pijnlijk scherp in mijn oren.

Geef een reactie