Je suis Menno ter Braak

De tegenstelling tussen volk en elite is zo oud als de wereld. We leven echter in een tijd, waarin deze tweedeling (weer) een gevaarlijke politieke lading krijgt. Het is een suggestief frame dat ons ontslaat van serieus onderzoek en discussie. Op het moment dat wordt vastgesteld, dat we een apocalyptische strijd meemaken tussen de boosaardige elite enerzijds en de massa, die zo onschuldig is als een lam anderzijds (of andersom) zijn de kaarten al geschud. Het is dan zaak om zo snel mogelijk kleur te bekennen en de goede kant te kiezen. Verlammend en funest is deze ‘Zugzwang’, die we momenteel weer beleven.

Op het gevaar af in paradoxen te belanden, ben ik van mening dat er op dit moment eigenlijk vooral één urgente tweedeling bestaat: de tweedeling tussen enerzijds hen die de kwesties waarvoor we staan voorstellen als simpele keuzesituaties en anderzijds hen die durven leven met de onoplosbaarheid van vragen en de voorlopigheid van de antwoorden, hen die, om met Jacques de Kadt (1897-1988) te spreken, durven leven in het raadsel. En als dat ‘durven’ te aanmatigend en te heroïsch klinkt, laten we het dan zo formuleren: hen die niet anders kunnen dan berusten in deze raadselachtigheid, die haar gelaten maar beslist het hoofd bieden.

Als er al een ‘elite’ bestaat, dan is het die laatst genoemde ‘soort’: de categorie mensen, die moedig capituleert, die berustend in beweging komt en blijft, die stoutmoedig gematigd handelt, die vermetel realistisch de wereld inkijkt. Het is de ‘democratische aristocratie’, zoals De Kadt haar muntte. Het is de ‘schipperende’ elite van Menno ter Braak, die noch à la Rob Riemen terugverlangt naar de gouden, ‘humanistische’ tijden van weleer, noch zich, uit een soort romantische verheerlijking van het brute, masochistisch uitlevert aan de modieuze ‘ploertigheid’ en ‘poenigheid’. Zij ziet niet neer op de begriploze massa vanuit de pretentie zelf wel de toekomst in hoge woorden te kunnen ‘bannen’, maar maakt zich evenmin tot tolk van de oprispingen van onvrede van die massa – een onvrede die overigens veelal een romantische projectie is van de snob, die de ‘gewone mensen’ als nobele wilden op het voetstuk plaatst en hen zodoende tegelijk temt. De ‘schipperende elite’ kent juist de ‘werkelijke ontevredenheid die inherent is aan het leven in het raadsel, de ontevredenheid met elk antwoord op de open vraag’ (De Kadt), de ontevredenheid met alles wat pretendeert een einde te maken aan voorlopigheid.

De elite in deze zin wil ik echter niet zien als een sociologische, statische groep. Het is geheel in de geest van Ter Braak om haar eerder te zien als een ideaaltype, een model dat ons een dynamiek, een streven en een ‘onrust’ voorhoudt, die we ons allemaal eigen zouden moeten en kunnen maken. Een ideaaltype dat ons een slecht geweten bezorgt als we de oorzaken eenduidig lokaliseren en de oplossingen met overmoedig gemak aandragen – als we bijvoorbeeld spreken over de ‘falende overheid’ als bron van alle kwalen en als we onszelf voorspiegelen dat een overheid die iets ‘anders’ of die ‘meer’ doet, garandeert dat het beter wordt – met als gevaar dat we met onze mond vol standen staan als dat ‘andere’ en ‘betere’ straks op zijn beurt faalt, als bijvoorbeeld ondanks potdichte grenzen toch een aanslag plaatsvindt en we ons moeten aanvragen wat er dan ‘nóg beter en anders’ moet. (We kunnen daar maar beter aan denken.)

In een tweet vroeg onlangs een bekend liberaal historicus, die ooit een zeer korte parlementaire carrière had, wie de Menno ter Braak van deze tijd zou zijn. Ik denk dat het antwoord kort kan zijn. Er was maar één Menno ter Braak. Zelf waarschuwde de schrijver er overigens voor, om al te makkelijke vergelijkingen te trekken tussen verleden en heden. Wel kunnen we, schreef hij, onze denkbeelden aan de geschiedenis toetsen. Alvorens straks te gaan stemmen kunnen we dus misschien gewoon het beste de tijddiagnoses van Ter Braak (en De Kadt natuurlijk) lezen of herlezen. Het is niemand onder ons verboden om te zeggen: Je suis Ter Braak.

Bronnen:
Menno ter Braak, De nieuwe elite. 1939.
Jacques de Kadt, Het fascisme en de nieuwe vrijheid. 1939.

Deze column verscheen eerder op De Leunstoel.

Geef een reactie