Het zalig prutswerk van de dialoog

“In fernem Land, unnahbar euren Schritten…”

R. Wagner, Lohengrin

De stukjes die ik hier schrijf komen meestal tot stand gedurende een innerlijke  monoloog achter het stuur van de auto. De lange afstanden die ik geregeld rijd zijn daarvoor uitermate geschikt. Dat was ook vrijdag zo, toen ik naar huis reed van een studiebijeenkomst, die plaats had gevonden in een te midden van duistere Duitse wouden gelegen conferentieoord. Het was gegaan over diversiteit en communicatie, pluraliteit en verbinding. Alles wat ik had gehoord en zelf had ingebracht over dat onderwerp, herkauwde ik nu. Door op deze manier gesprekken te herkauwen, wordt veel wat aanvankelijk onverteerbaar is immers verteerbaar – al komt het je soms te staan op enkele zure oprispingen.

Overigens is het woord ‘monoloog’ in dit verband niet zo adequaat. Het gaat eerder om een ‘innerlijke dialoog’ met een ‘fictieve ander’. De voorstelling van die fictieve ander – een voorstelling die overigens spontaan ontstaat en niet de vrucht is van een opzettelijke inwendige handeling – dwingt me tot helderheid in formulering en tot rekenschap en verantwoording. Die helderheid en rekenschap is een mens aan zichzelf verschuldigd (ook als hij zijn gedachten voor zich houdt), maar zeker ook aan zijn onderwerp. Hij is het vooral verschuldigd aan de ‘echte’ anderen, zodra hij naar buiten treedt met het gedachte. Ik slaag daar niet altijd in. De gewrichten en spieren van mijn denkmechaniek zijn vaak stroef en stijf. Denken en formuleren zijn voor mij rek- en strekoefeningen. Ik geef het onderstaande dus weer voor beter.

Een positivistische opvatting

Het begrip ‘dialoog’ (het is blijkbaar het  ‘Leitmotiv’ van deze column) kwam ook te berde tijdens de afgelopen studiedagen. Dat hield me wakker, want het woord ‘dialoog’ vormt één van de ‘Leitmotive’ van mijn loopbaan als theoloog. Wat mij daarbij altijd wat onbevredigd heeft gelaten, is de positivistische opvatting van dialoog, een opvatting die vooral opgeld deed en doet in het kader van de interreligieuze dialoog.

Ik doel hiermee op de opvatting van dialoog, die ervan uitgaat dat alle religies (en in onze geïndividualiseerde samenleving: alle solo-religieuzen) over een stukje van de Grote Waarheid beschikken, dat zij allen een stukje gelijk hebben. Als je al die stukjes bij elkaar legt, krijg je het grote geheel – of kom je in elk geval in de buurt daarvan. Als je alle kleine ‘gelijkjes’ bij elkaar legt, krijg je het Grote Gelijk – of in elk geval zicht daarop.

Dialoog is in deze opvatting een zaak van elkaar ‘rijker maken’ en ‘aanvullen’. Het is een gezelschapsbezigheid waarbij een reusachtige legpuzzel wordt gemaakt. Het spel is enerzijds een doel op zich, maar anderzijds wel degelijk een serieuze aangelegenheid, voor zover het de vrede en de tolerantie bevordert. (Dat laatste oogmerk verklaart ook de geforceerd irenische sfeer, waarin de dialoog vaak plaatsvindt, alsmede het vermijden van argumentatieve discussie, maar dat is een zijspoor.)

Het tekort

Mijn onvrede over dit gezelschapsspel komt voort uit mijn ongeloof in de gedachte van complementariteit. Uiteraard: ook ik beschouw mijn eigen geloofje als ‘stukwerk’, maar dan niet in de zin van een puzzelstukje, dat precies past bij en aansluit op andere puzzelstukjes. Ik beschouw mijn ‘stukje’ en dat van de ander als een rafelig brokstuk, een fragment. Zo’n fragment komt, zelfs in het gezelschap van andere fragmenten, in de verste verte nog niet in de buurt van het Grote Geheel. Het herinnert daar slechts aan op een treurig tekortschietende wijze.

Als alle brokstukken na de dialoog bij elkaar liggen, hebben we alleen nog maar een groter fragment. Er ontbreekt ons immers allemaal iets. En wat mijn stukje mist, kan de ander niet aanvullen en vice versa. We missen het zelfde – en dat gemeenschappelijke dat we beide missen is juist het wezenlijke.

Het is zoals de scherf van een Griekse vaas in een opgraving: daarvan worden soms maar enkele resten gevonden en de rest wordt door archeologen hypothetisch gereconstrueerd. We zullen het geheel nooit te zien krijgen – hooguit ernaar gissen.

Zalig makend prutswerk

Toch waag ik me aan de dialoog, ondanks het rafelige, brokkelige karakter van mijn eigen ‘stukje’ en van alle stukjes bij elkaar, ondanks het besef van ons onophefbare gezamenlijke ongelijk. Maar is dat niet bij voorbaat frustrerend en ontmoedigend?

Het hangt er maar vanaf, hoe je dialoog opvat en wat je ermee beoogt. Dialoog is mijns inziens juist niet een poging om alle kleine stukjes gelijk in elkaar te laten passen. Dialoog bestaat daarentegen in het los naast elkaar leggen van alle kleine stukjes ongelijk. Het spel eindigt met de vaststelling dat er veel te raden overblijft, ja: dat het wezenlijke ontbreekt. Het resultaat is, dat we worden geconfronteerd met het onbenaderbare van datgene, waaraan de fragmenten herinneren en waarnaar ze verwijzen. En juist in en door dit negatieve – en alléén in en door dat negatieve – schemert datgene door wat we zochten. Mystiek heet dat.

Niet het zicht op het Grote Geheel, doch juist de confrontatie met de Grote Leemte is voor mij het belangrijkste motief tot de dialoog. Door de dialoog stoten we immers onze neus en lopen we een metafysisch blauwtje. Dialoog is niet het maken van een legpuzzel en een spel van elkaar aanvullen, maar een gezamenlijke oefening in nederigheid en in het accepteren van het tekort.

Dialoog in deze zin, als zoektocht, is het zalige prutswerk van onze handen. We kunnen alleen maar hopen – en voor de liefhebbers:  bidden – dat dit werk door anderen wordt voltooid. Daar gaan wij niet over.

***

Bronnen

Het begrip van de ‘fictieve ander’ ontleen ik aan het werk van de Duitse theoloog Henning Luther (1947-1991). Een briljante, maar ook enigszins apologetische, benadering van het onderwerp dialoog is te vinden bij Marianne Moyaert, Leven in Babelse tijden. Uitg. Klement 2011. Een interdisciplinaire en praktische benadering is te vinden in het werk van Manuela Kalsky en het door haar geleide project Nieuw W!J. Vgl. www.nieuwwij.nl en www.manuelakalsky.nl .

One thought on “Het zalig prutswerk van de dialoog

  1. Pingback: Sterke identiteit: nuttig maar zinloos | Speelruimte

Geef een reactie