Het leven als stoelendans

Een juweeltje: dat boek van Ludwig Marcuse over Heinrich Heine (1797-1856), dat ik dezer dagen herlas. Het houdt je een spiegel voor. Heine wordt door Marcuse beschreven als een man van het ‘tussen’. Hij staat of hangt voortdurend ergens ‘tussen in’: tussen de partijen, tussen de stromingen, tussen de tijdperken, tussen gevoel en rede, tussen dweperij en ironie, tussen het reddeloos voorbije en het hopeloos toekomstige. Wat bedoelt Marcuse hiermee?

Heine leeft in een tijd, die veel lijkt op de onze. Mensen voelen zich ontheemd (maar wanneer voelen mensen zich dat niet?). Ze komen daardoor in de verleiding om in één bepaalde hoek te vluchten en te schuilen: in nostalgie of utopie, in een systeem of beweging, in een gedachte, gevoel of gemeenschap. Een tijdgenoot van Heine – een tot het katholicisme bekeerd romanticus – drukt het als volgt uit: “Ik zing wiegenliedjes voor mezelf, om het huilende kind in mezelf eindelijk tot bedaren te brengen.”

Heine herkent deze verleiding van het warm wiegende vruchtwater – en drijft er de spot mee. Dat is dus vooral zelfspot. Hij kent zelf de verlokking van de dweperij, het groepsdenken en de droom – en realiseert zich tegelijk dat de mens gedoemd is tot wakkerheid en denken. Hij weet tegelijk dat het ‘bewustzijn’ (onze menselijke adeldom én onze vloek) een scherpe snee trekt tussen droom en werkelijkheid. Het is daarom vergeefs als we proberen om onbekommerd op te gaan in iets, als we pogen om ergens bij te horen of om op andermans liedje mee te deinen. Ons bewustzijn heeft onherroepelijk de navelstreng doorgeknipt.

Dit is het universele tragische lot van de mens. De echt grote denkers en kunstenaars van de negentiende eeuw hebben ons daarvan doordrongen. Sindsdien hebben we (als het goed is) argwaan tegenover elk partijlidmaatschap, elk gemeenschapsgevoel, elke groepsidentiteit, elk groepstoebehoren, elk ‘opgaan in’ kortom: elk religieus of politiek reversspeldje. Het leven is een grote stoelendans. Je bent altijd te laat om je eigen, ongestoorde zitplaats te vinden. Je ‘staat’ er ‘tussen in’. Dit te aanvaarden is volwassenheid.

Heine is iemand die niet voor één ideologisch gat is te vangen. Een mens die ‘staat’ voor zijn tussenpositie en individualiteit. Een man die leeft voor eigen rekening. Hij doet dat niet uit heldhaftigheid, maar omdat dit nu eenmaal zijn lot is. Hij durft dus ook ‘auw’ te zeggen als het hem te machtig wordt. Maar nooit laat hij zich een rad voor ogen draaien door welk wiegenliedje dan ook. Dan liever de spot drijven met je eigen kleinzerigheid. En sportief meedoen met de stoelendans – als de eeuwige, lachende verliezer.

***

kessels-genius

Als hommage geef ik een minder bekend gedicht van Heine weer, gepaard aan een sculptuur van de Maastrichtse kunstenaar Matthieu Kessels. Het beeld staat in Brussel. Het op klassieke leest geschoeide gedicht laat de melancholieke kant van Heine goed zien: het andere gezicht van de hedonist die hij ook was, met volle teugen en uit volle overtuiging overigens. – Onder het gedicht staat een vertaling van de hand van M. Sunderman

 

Morphium

Groß ist die Ähnlichkeit der beiden schönen
Jünglingsgestalten, ob der eine gleich
Viel blässer als der andre, auch viel strenger,
Fast möcht ich sagen viel vornehmer aussieht
Als jener andre, welcher mich vertraulich
In seine Arme schloß – Wie lieblich sanft
War dann sein Lächeln und sein Blick wie selig!
Dann mocht es wohl geschehn, daß seines Hauptes
Mohnblumenkranz auch meine Stirn berührte
Und seltsam duftend allen Schmerz verscheuchte
Aus meiner Seel – Doch solche Linderung,
Sie dauert kurze Zeit; genesen gänzlich
Kann ich nur dann, wenn seine Fackel senkt
Der andre Bruder, der so ernst und bleich. –
Gut ist der Schlaf, der Tod ist besser – freilich
Das beste wäre, nie geboren sein.

Wat lijkt dat tweetal welgevormde knapen
Toch op elkaar, al ziet de een er wel
Veel bleker dan de ander uit, en ook
Veel strenger, en ik zou haast zeggen veel
Voornamer dan de ander die mij zo
Lief in zijn armen sloot – hoe mooi en zacht
Was dan zijn glimlach, en hoe blij zijn blik!
Dan kon het wel gebeuren dat de krans
Papavers om zijn hoofd, ook mij het voorhoofd
Beroerend, alle smart met hun vreemd geuren
Verbande uit mijn ziel – maar zulk vertroosten
Is maar kortstondig; echt genezen zal
Ik pas wanneer de andere broer, de bleke
En ernstige, zijn fakkel dalen laat.
Slapen is goed, dood zijn is beter – maar
Het beste is toch nooit geboren worden.

Geef een reactie