Het Knusprich-syndroom of het ressentiment van de kleine zielen tegen de grote geesten

Ik geef toe dat ik soms wel iemands bloed kan drinken. Dat overkomt me uiteraard alleen, als die ander eerst mij mijn eigen bloed onder de nagels vandaan haalt. Hij of zij zit bijvoorbeeld te manipuleren in een bespreking of haalt me onderuit. Ik ben nogal secundair en voel me in dergelijke omstandigheden afgetroefd. Zoals meer secundaire mensen begin ik dan rancunehormonen aan te maken en te zinnen op subtiele wraak. Je bent Limburger of je bent het niet.

In een dergelijke situatie kan er echter iets bevreemdends gebeuren. Mijn Aartsvijand stoot bijvoorbeeld een kop koffie om en bederft daarmee zijn kleding en de A4-tjes die voor hem liggen. Mijn rancuneharmonen maken aanstalten om een triomflied aan te heffen en zich uit te leven in een wave van leedvermaak … en dan vallen ze stil. Mijn maag krimpt samen van medelijden door dit sneue voorval. Ik zie in mijn plaaggeest ineens geen tegenstander meer: hij schrompelt in mijn beeldvorming ineen tot een zielig geval. Merkwaardig genoeg gebeurt dit ook als ik in een gedachte-experiment mijn ‘vijand’ op zijn neus laat lijken en als ik mij daarbij een levendige voorstelling maak van diens beteuterde gezicht.

Nee, leedvermaak is een kunst – en ik beheers haar niet. Daar wens ik mezelf geluk mee. Blijkbaar ben ik niet zo haatdragend en nadragend als ik dacht. Iets in mij dempt mijn wraakreflex. Ik beschik over een soort morele schokbreker: misschien is dat het vermogen om me te verplaatsen in de ander oftewel ‘sympathie’ in de Nussbaumiaanse zin van het woord. Wat kan een mens zichzelf meevallen! Ach, u herkent het wel. U bent geen haar slechter dan ik.

Overigens reageer ik op een vergelijkbare manier, als publieke persoonlijkheden die ik denk te verachten in verlegenheid worden gebracht. Als een ‘rechtse zak’ in een discussie op TV onderuit wordt gehaald en als de camera vervolgens inzoomt op een trillend spiertje in diens gelaat: dan betrap ik me erop dat ik letterlijk een andere kant opkijk. Ik voel eerder medelijden dan triomf of leedvermaak. Vernedering vind ik geen aangenaam schouwspel.

In extreme situaties doet dit mechanisme ook zijn werking: een politicus die wordt uitgejoeld of een taart in zijn gezicht krijgt kan onmiddellijk op mijn sympathie rekenen, al verwerp ik alles waar hij voor staat. En ik herken me – om een nog extremer voorbeeld aan te halen – ook helemaal niet in de verdenking dat Linkse Nederlanders, achter de façade van correcte uitingen van afschuw, heimelijk voldoening smaakten toen Pim Fortuyn werd vermoord. Ik vond het alleen maar erg.

Tot mijn genoegen kan ik het zelfs niet aanzien als ‘schurken’ in het openbaar aan de kaak worden gesteld – of het nu de geboeide Strauss-Kahn is of de door het slijk gehaalde Lance Armstrong, of het nu Van Rey is of Moszkowicz. Ze mogen dan hautaine ego-trippers zijn. Ze mogen dan, verblind door en verslaafd aan hun succes, rare bokkensprongen zijn gaan maken. Ze mogen dan destructief om zich heen slaan naar aanleiding van de tegen hen ingebrachte aantijgingen. Toch kwijl ik niet van hun afgang. En ik hoop van harte dat slechts een kleine minderheid in onze samenleving dat wel doet.

Maar ik vrees dat er een patroon bestaat in de zucht om succesvolle ‘supermannen’ te betrappen op een misgreep. Met dank aan Drs. P. zou ik hiervoor het begrip Knusprich-syndroom willen munten. Inhoudelijk lijkt het om rechtvaardigheidsgevoel te gaan, maar daarachter schuilt niet zelden het collectieve ressentiment van de kleine zielen tegen de grote geesten. Dit ressentiment vindt zijn voldoening (of beter: ontlading) eerder in de openbare vernedering van kopstukken (die weliswaar niet per se grote geesten zijn, maar daar wel symbool voor staan), dan in de nuchtere toepassing van recht, in waarheidsvinding en in het trekken van lessen voor de toekomst. Dat laatste moet gebeuren. Het werd ook tijd in de genoemde gevallen. Publieke ontluistering echter is – voor zover zij het primaire en vooropgezette doel is – slechts de uitkomst van een zero sum game. Daar wordt de samenleving niet beter van. Alleen maar klein- en naargeestig.

Geef een reactie