Het is dringen op de markt.

“Als ik straks de kerk maar haal!” Over de jacht op identiteit

Alleen je eigen hart kent je diepste verdriet, in je vreugde kan een ander niet delen.

 Spreuken 14, 10

Wij mensen zijn gek op identiteit. Als individu of als lid van een groep willen we graag – gevraagd of ongevraagd – kunnen documenteren wie we zijn. Dat doen we op allerlei manieren. We doen het rechtstreeks en uitdrukkelijk: door middel van eenduidige, materiële kentekenen (een speldje, een uniform, een sierraad); door ons op niet mis te verstane wijze te houden aan bepaalde dress-codes; door de inrichting van onze woning en de indeling van onze tijd (rituelen); door een materieel en immaterieel consumptiepatroon of door te pas en te onpas te getuigen van datgene waarvoor we staan. We documenteren ons vaak ook indirect en impliciet, ja zelfs onbewust: door middel van woordkeuze, omgangsvormen, culinaire en culturele voorkeuren etc.

Het is een cliché – maar daarom niet minder juist – om vast te stellen dat we in het Westen leven in een losgeslagen cultuur, waarin de markt al lang niet meer is verdeeld onder een klein aantal preferred suppliers van identiteit – zeg maar: onder de christelijke, liberale en linkse kerken. De identiteitsmarkt is radicaal geprivatiseerd – en de consument is daardoor op drift geraakt. De vreugde van de bevrijding uit knellende institutionele banden en de juichstemming over de doorbreking van levensbeschouwelijk Fordisme zijn verweven met een amechtige hectiek. Ons houvast is weg en we vragen ons angstig af of we mentaal, ideologisch of spiritueel wel onderdak zijn als de avond valt: “Als ik straks de kerk maar haal….”

Overigens duidt het beeld van de markt op een opvallend kenmerk van onze jacht op identiteit. Identiteit is niet zozeer iets wat we (willen) zijn, maar iets wat we (willen) hebben. Identiteit is te koop: ook en vooral alle immateriële identiteitsdragers (zoals rituelen, lidmaatschappen, cultuurproducten) zijn ‘hebbedingen’ geworden, waarvoor een prijs moet worden betaald in de vorm van geld, tijd of inspanningen (of alle drie). Ons spreken over identiteit heeft dus iets tegenstrijdigs. Als we beweren en documenteren dat we iets of iemand zijn, verwijzen we eigenlijk naar materiële en immateriële eigendomstitels, naar datgene wat we hebben.

De grote institutionele aanbieders van identiteit hebben, zoals gezegd, hun dominante positie verloren, ja: ze dreigen te imploderen. De identiteitsconsument zoekt daarom zijn of haar heil – op de reeds geschetste paniekerige wijze – bij de nieuwe aanbieders. Veelal zijn dat kleine, virtuele of reële verbanden en gemeenschappen. Want gedeelde identiteit is dubbele identiteit, zeggen we. En we kunnen wel zonder instituties, voegen we eraan toe: maar niet zonder verbanden.

Vreemd genoeg komt niemand op het idee, dat je wellicht ook een tijdje zonder identiteit kunt of dat je als individu minstens ook wat creatiever kunt zijn – en dan doel ik op een creativiteit die verder gaat dan het assembleren van elementen die je van de markt haalt.

Maar misschien is precies dàt het beangstigende: die optie om het alleen te doen. Soms sta ik – als de losgeslagen en opgejaagde identiteitsconsument die ik zelf ben – plotseling stil op die drukke markt, midden in die stroom van trekkende, duwende, sjorrende en dringende mensen. Dan zie ik in hun ogen en hoor ik aan hun adem, dat er achter die honger om ‘iemand te zijn’ iets anders schuilt. Achter de panische zorg voor het hebben van een identiteit schuilt de angst voor de individualiteit, de angst voor het eenzame avontuur van het zijn.

 

Eerder verschenen op: http://godschrift.nl/artikel/dringen-op-markt-van-identiteit

Geef een reactie