Het eerbetoon van twee tovenaarsleerlingen – Twee nieuwe boeken over Thomas Mann

Het wordt wat eentonig, maar ik ga weer eens iets schrijven wat in verband staat met Thomas Mann. Lees ik dan nooit eens iets anders? Jawel, maar dat staat in geen verhouding tot datgene wat ik van en over Thomas Mann lees. Overigens heeft vrijwel alle literatuur, als je maar lang en diep genoeg associeert, te maken met hem. Is het geschreven vóór Thomas Mann: dan heeft hij er zelf ongetwijfeld iets over geschreven, iets ervan gevonden en zich ertoe verhouden. Is het geschreven ten tijde van of na Thomas Mann: dan heeft diens werk altijd wel zijn sporen erin nagelaten – al is het maar als negatief ijkpunt, waarvan en waartegen de auteur zich afzet.

Daarom fascineert Mann mij ook zo. Niet omdat ik hem de beste schrijver aller tijden vind – misschien is hij dat wel, maar ik matig mij dat oordeel niet aan, aangezien ik alles behalve belezen ben en het vergelijkingsmateriaal onvoldoende ken – niet dus omdat hij de beste schrijver ooit zou zijn fascineert hij mij, begon ik te zeggen, maar omdat hij als een kruispunt fungeert waarop alle wegen uitkomen, omdat hij een cruciaal auteur is.

Aan deze cruciale positie dankt Thomas Mann ook zijn cultstatus. Hij had deze al tijdens zijn leven en heeft deze nog steeds, bijna zestig jaar na zijn dood – zij het onder een (ook in het Duitse taalgebied) slinkende minderheid. Er is nog steeds een heuse Thomas-Mann-industrie. Met de regelmaat van de klok verschijnt een nieuwe biografie over hem of een boek dat een specifiek aspect van zijn leven of werk belicht. Ook ontdekken uitgevers en biografen telkens weer nieuwe belangwekkende (schoon-)familieleden, van wie de brieven, memoires en wapenfeiten de moeite van het openbaren, resp. boekstaven waard zijn.

***

Deze zomer nu zagen twee werken over Mann het licht, die horen tot het genre van de roman, het genre waarop hijzelf een onuitwisbaar stempel heeft gedrukt en dat hij zo soeverein naar zijn hand heeft gezet. Thomas Mann als hoofdpersonage van een roman opvoeren: het is een hachelijk avontuur. Je moet het maar durven: de onovertroffen verteller en stilist maken tot onderwerp van een eigen poging om iets moois te schrijven voor de mensen. Je begeeft je immers in het hol van de leeuw. Je gaat te werk met de overmoed van de tovenaarsleerling – iets waarover de Tovenaar zelf smakelijk en smalend zou hebben gegrinnikt.

Pleschinski heeft met zijn Königsallee de meesterproef aardig doorstaan, voor zover ik hierover iets kan zeggen. Soeverein bedient hij zich van een brede en diepgaande kennis van zaken. De eventuele irritatie en vermoeidheid die het breedsprakige etaleren van die kennis wellicht bij deze of gene oproept, wordt gecompenseerd door de speelse ironie die aan de roman een aangename lichtvoetigheid geeft. Gewaagd is het wel weer, dat Pleschinski het zelfde ironische arsenaal benut, dat Mann zo meesterlijk beheerste (zoals bijvoorbeeld het duizelingwekkend vermengen van fictie en realiteit). Maar deze imitatie van de meester is op haar beurt weer een vorm van romantische en romaneske ironie: Thomas Mann wordt hier immers door zichzelf beschreven. Bovendien: het feit dat Pleschinski een (onmiddellijk als zodanig herkenbare) pastiche schrijft van Lotte in Weimar, met toespelingen op Die Betrogene, is weliswaar enerzijds pretentieus: anderzijds is het een bescheiden en nederig eerbetoon aan de leverancier van het ‘origineel’

Pleschinski zoomt in op één thema van het leven en werk van Mann: de onoverbrugbare afstand tussen de kunstenaar en het object van zijn liefde, waarbij dat object een mens van vlees en bloed is, maar tevens een incarnatie van de eeuwige schoonheid en een representatie van het onbevangen leven. Een heel ander aspect wordt aangeroerd door Britta Böhlers veel beknoptere De beslissing. Zij bedient zich van het genre en stijlmiddel van de innerlijke monoloog (een genre en stijlmiddel dat Thomas Mann uiteraard ook beheerste, een gegeven waarop ze wellicht opzettelijk toespeelt) en beschrijft zodoende Thomas Manns eigen Schwere Stunde in het begin van 1936, toen hij op zichzelf de moed veroverde om in een open brief op ondubbelzinnige wijze stelling te nemen tegen het nationaalsocialisme. Waar Pleschinski het heeft over de minnaar, heeft Böhler het over de aanvankelijk tegen wil en dank, maar uiteindelijk volmondig politiserende kunstenaar.

Böhler verstaat de kunst om, vertrekkend vanuit het momentane binnenperspectief van de hoofdpersoon, een rijk geschakeerd beeld van diens leven en persoon te schetsen. Daartoe maakt ze gebruik van doorkijkjes naar eerdere situaties en van het laten doorschemeren van toekomstplannen. Hoewel het boekje hier en daar iets schools heeft, iets van een knip-en-plak-documentaire (met af een toe een ontsierend germanisme), is het ook en vooral een charmant zakportret, aan de hand waarvan de Mannkenner zijn geheugen kan opfrissen, terwijl het de nieuwsgierige nog-niet-kenner helpt om zich in kort bestek een beeld te vormen van de man, wiens politieke worsteling zo representatief was en is voor alles wat goed, waar en schoon is aan Duitsland en Europa.

Pleschinski: een aanrader voor degenen die Manns leven en werk voldoende kennen, om de vele toespelingen te begrijpen. Böhler: een mooi opstapje voor degenen die de betoverende berg van Manns oeuvre beginnen te bestijgen. Beide auteurs hebben een ontroerend, persoonlijk eerbetoon geschreven. Beide boekjes horen thuis in de verzameling van de Mann-bewonderaar.

***

Britta Böhler, De Beslissing. Roman. Uitgeverij Cossee. Amsterdam 2013. ISBN 978-90-5936-431-8

Hans Pleschinski, Königsallee. Roman. C.H. Beck Verlag, München 2013. ISBN 9783406653872

Geef een reactie