Grote-mondigheid

Verlegen of onzekere mensen zijn vermoeiend. Ze hengelen voortdurend naar bevestiging en willen met regelmaat horen dat ze niet lastig zijn. Het is ook nooit duidelijk wat ze echt willen. Zelf was ik ook vroeger ook zo. Totdat iemand mij duidelijk maakte, dat ik hem op zijn zenuwen werkte door voortdurend te vragen of ik hem niet verveelde. Ik zat in een cirkel gevangen. Gelukkig kon ik daar mettertijd uit ontsnappen.

Het tegenovergestelde zijn mensen die voortdurend voor zichzelf opkomen. Bij de één is dat de aard van het beestje of een bewuste strategie. Bij de ander is het iets wat zij of hij heeft geleerd, omdat hij of zij van huis uit schuchter was. Men heeft hem of haar toen geleerd om ‘assertief’ te zijn.  Gezellig is anders. Als mijn netwerk alleen bestaat uit mensen die haantje-de-voorste willen zijn, scheurt het op den duur door. Uiteindelijk zijn de bescheidenen toch wat socialer.

We komen dit ook tegen in de samenleving. Sommige groepen zijn erg bescheiden en stil. Ze hebben geen toegang tot de podia, waarop de camera’s zijn gericht. Ze zijn erop aangewezen dat iemand anders het voor hen opneemt.  Daar tegenover staan de goed gebekte en mediagenieke groepen die de aandacht weten te krijgen. Ze beroepen zich bijvoorbeeld op het feit, dat hun verre voorouders slachtoffers waren van onderdrukking. Alles wat hun dwarszit brengen ze daarmee in verband. Of ze beschikken over gele hesjes en auto’s om snelwegen mee te blokkeren. Met hun slachtoffer-retoriek chanteren ze hun medeburgers en met hun zogenaamd mondige gedrag zetten ze anderen voor het blok.

In onze samenleving geldt het recht van de luidste. De brutalen hebben de halve wereld, zei mijn moeder. Ze leerde mij echter ook dat bescheidenheid op lange termijn loont. Ik weet dat niet meer zo zeker, maar ik blijf hopen.

***

De bovenstaande column verscheen eerder in Ad Rem.

Geef een reactie