‘Göttingen’: over liefde voor mensen, voor muziek en voor Duitsland

Hoewel ik op levensbeschouwelijk gebied een vrijbuiter ben – en me op spiritueel en mentaal gebied daarmee een avontuurlijke gezindheid permitteer die mijn betrekkelijk angstvallige levenswandel op overige gebieden moet compenseren – zijn er niettemin immateriële zaken, waar ik met een dogmatische hardnekkigheid aan vasthoud. Zo ben ik redelijk compromisloos en onverzoenlijk in mijn geloof aan de superioriteit van de klassieke muziek.

Dit geloof dank ik – zoals dat met geloof gaat –  vooral aan mijn melomane vader. Dit heeft niets te maken met een hardvochtige opvoeding. Juist doordat de paplepel liefdevol werd gehanteerd, heeft deze waardehiërarchie zich diep in mij geworteld. De piëteit jegens mijn zachtmoedige en zachtaardige vader vormt een eenheid met de respectvolle hartstocht voor Van Beethoven en zijn vakbroeders.

Met mijn muzikale rechtlijnigheid verspeel ik soms de sympathie van mijn naasten. Het leidt echter ook tot een zekere eenzaamheid. Snobisme straft zichzelf. Zo ga ik bovendien gebukt onder de last, die ik mijzelf op haast plichtethische manier opleg, om met rituele regelmatigheid en geconcentreerde toewijding te luisteren naar klassieke muziek. (Een klassieke CD als achtergrondmuziek opzetten, doe ik overigens met het gevoel mij te bezondigen aan heiligschennis.) En als ik een bijzonder concert verzuim in mijn woonplaats, onderga ik het schuldgevoel van iemand die zijn zondagsplicht verzaakt.

Natuurlijk heb ik ook mijn guilty pleasures en heimelijke genoegens van incorrecte smaak. Ik overweeg dan ook om testamentair vast te laten leggen, dat niemand ooit mijn MP3-speler mag inzien na mijn dood. Wat ik bij tijd en wijle beluister – op de fiets of te voet onderweg van en naar het treinstation – is te schandelijk voor woorden. Ik zal uw nieuwsgierigheid echter niet prikkelen.

***

Wat u wel mag weten, is dat sedert kort een oud chanson op mijn speler staat, dat ik pas onlangs ontdekte. Het is Göttingen van de zangeres Barbara. Het liedje is even oud als ik zelf ben en met het oog op die laatstgenoemde omstandigheid had ik het natuurlijk al lang moeten kennen. Ik leerde het ingetogen-meeslepende lied kennen via Radio Vier, de zender die ik met plichtsgetrouwheid iedere dag beluister – ook als de aanhankelijkheid op de proef wordt gesteld door het uitzenden van muzikale verschrikkingen als Canto Ostinato van Simeon ten H. zoals afgelopen week.

Het chanson heeft een ontroerende tekst, die Barbara (Monique Andrée Serf, 1930-1997) schreef nadat zij in 1964 in Göttingen had gewerkt. Het lied is een ‘icoon’ van de Völkerverständigung geworden en drukt ook precies mijn eigen ervaringen met en gevoelens voor Duitsland en mijn Duitse collega’s uit. Ik herken de bewondering voor het historisch besef van de Duitsers, het respect voor hun brede ontwikkeling en de erkenning van hun aangeboren, maar tevens door de geschiedenis ingegeven melancholie. Maar bovendien: ze zijn geen haar slechter dan wij – alle frames ten spijt. Dat alles zegt Barbara. En dat roert mij.

Omdat ik Frans goed lees, maar niet altijd direct versta, heb ik de tekst opgezocht en voor mezelf vertaald. En hier kunt u het mooie lied beluisteren (zolang Youtube het niet laat afweten).

Göttingen

Bien sur, ce n’est pas la Seine,
Ce n’est pas le Bois de Vincennes,
Mais c’est bien joli tout de même,
À Göttingen, à Göttingen.

Natuurlijk: er is niet de Seine, er is niet het Bois de Vincennes, maar het is er niet minder aangenaam: in Göttingen, in Göttingen.

Pas de quais et pas de rengaines
Qui se lamentent et qui se trainent,
Mais l’amour y fleurit quand même,
À Göttingen, à Göttingen.

Er zijn geen rivierkaden en er klinken geen klagerige en slepende straatdeuntjes, maar de liefde bloeit er niet minder om: in Göttingen, in Göttingen.

Ils savent mieux que nous, je pense,
L’histoire de nos rois de France,
Hermann, Peter, Helga et Hans,
À Göttingen.

Ze kennen beter dan ik, vermoed ik, de geschiedenis van onze Franse koningen: Hermann, Peter, Helga en Hans, in Göttingen.

Et que personne ne s’offense,
Mais les contes de notre enfance,
Il était une fois commence
À Göttingen.

En ik hoop dat ik niemand beledig als ik zeg dat de verhalen uit onze kindertijd, met het Er was eens hun oorsprong vinden in Göttingen.*

Bien sur nous, nous avons la Seine
Et puis notre Bois de Vincennes,
Mais Dieu, que les roses sont belles
À Göttingen, à Göttingen.

Natuurlijk: wij hebben de Seine en dan natuurlijk ons Bois de Vincennes. maar, mijn god, wat zijn de rozen mooi in Göttingen in Göttingen.

Nous, nous avons nos matins blêmes
Et l’âme grise de Verlaine,
Eux, c’est la mélancolie même,
À Göttingen, à Göttingen.

Wij, ja wij hebben van die vale ochtenden en de grauwe ziel van Verlaine, maar zij: zij zijn de melancholie zelf, in Göttingen, in Göttingen.

Quand ils ne savent rien nous dire,
Ils restent là a nous sourire,
Mais nous les comprenons quand même,
Les enfants blonds de Göttingen.

Wanneer zij niet weten wat ze ons moeten zeggen, blijven ze gewoon glimlachen, maar wij begrijpen hen dan toch: die blonde kinderen van Göttingen.

Et tant pis pour ceux qui s’étonnent
Et que les autres me pardonnent,
Mais les enfants ce sont les mêmes,
À Paris ou Göttingen.

En als men het niet begrijpt, jammer dan, het spijt me, maar heus: de kinderen zijn het zelfde in Parijs of Göttingen.

O faites que jamais ne revienne
Le temps du sang et de la haine
Car il y a des gens que j’aime,
À Göttingen, à Göttingen.

O laat toch nimmer de tijd terugkeren van bloed en haat, want er leven mensen die ik liefheb in Göttingen, in Göttingen.

Et lorsque sonnerait l’alarme,
S’il fallait reprendre les armes,
Mon cœur verserait une larme
Pour Göttingen, pour Göttingen.

En zodra de alarmsirene zou afgaan en als we de wapens weer zouden moeten opnemen, zou mijn hart een traan plengen voor Göttingen, voor Göttingen.

_______

* Verwijzing naar het professoraat van de ‘sprookjesverzamelaar’ Jac. Grimm aan de universiteit van Göttingen.

 

Geef een reactie