God gaat kapot aan mensen.

Ondanks het triomfantelijke ‘hoera-we-mogen-weer-onbekommerd-geloven’-positivisme dat momenteel de kerken en de christelijke media doordrenkt, blijf ik een verstokt negatief theoloog van de oude stempel. Ik word het zelfs steeds meer, omdat ik vrees dat we ermee doorgaan god levend te begraven, hem te bedelven onder een stortvloed van woorden en beelden waaronder hij een zekere verstikkingsdood sterft.

Ik doel nu eens niet op die retrograde rechtzinnigen of verkalkte kardinalen over wie wij, onszelf weldenkend achtende vooruitstrevers, zo licht de staf breken. Natuurlijk hebben we als vrijzinnigen gelijk, voor zover we bij de hardleerse behoudzuchtigen het onvermogen aan de kaak stellen om te twijfelen en als we daar tegenover het besef levend houden dat niemand de waarheid in pacht heeft. Dit gelijk duurt echter slechts zolang we niet berusten in dit besef, doch blijven zoeken tegen beter weten in.

En hier gaat iets mis.

De reden om vrijzinnig en progressief te zijn bestaat er voor mij namelijk in, dat ik de open wond van het niet kunnen weten en vatten pijnlijk open wil laten, dat ik mij uit mijn slaap laat houden door de ongeneeslijkheid van mijn waarheidsdrang, dat ik mezelf de Sisyphus-arbeid wil aandoen om te blijven zoeken naar datgene wat me steeds zal ontglippen. Wij vrijzinnigen en progressieven hebben gelijk, voor zover we iedereen (onszelf incluis) in het ongelijk stellen omdat er geen vergelijk mogelijk is met het ijkpunt dat in het oneindige ligt en voor zover we tegelijk het gelijk en de begeerlijkheid erkennen van diegene die dat ijkpunt is.

Het pijnlijke en gênante is nu, dat wij vooruitstrevers vaak halverwege ophouden met ons vooruitgestreef. Moedeloos geworden door het uitzicht op de eindeloze weg die voor ons ligt, proberen we die weg af te snijden. We slaan dan bijvoorbeeld het idyllische pad van de esoterie in, om ons te vermeien in een Anton-Pieck-achtig religieus sprookjesbos.

Of we koesteren de illusie dat we de traditie zolang kunnen afpellen tot we terechtkomen bij de een vermeend oergegeven, een oorspronkelijke kern – of die nu bestaat in een zogenaamd van dogmatische sluiers ontdane Jezus of in het inzicht dat hij een constructie was. – Dat de traditie eerder lijkt op de spreekwoordelijke ui, waarbij je laag na laag afpelt totdat je uitkomt bij … het niets: dat besef gaat er bij ons dan niet in.

Of we kiezen – als laatste rouwtherapeutisch redmiddel – voor een stoïcijnse pose, een zelfgenoegzaam ‘weet-ik-veel ‘– dat we uitgeven als heroïsch agnosticisme. Als al zoiets bestaat als waarheid, heeft ieder zijn of haar eigen waarheid – aldus de theologische vakkenvuller die uitgaat van het devies “Elck wat wils”.

Het is natuurlijk menselijk: die behoefte om voortijdig tot een vergelijk te komen met het oneindig ver verwijderde doel van onze zoektocht; de neiging om dit doel door middel van luchtspiegelingen binnen de heksenkring van onze menselijke horizon en binnen ons handbereik te willen brengen; de verleiding om het heilige te willen bezweren – of juist verongelijkt af te zweren. Het uit zich echter echter allemaal in tenenkrommend theologisch geklungel en armetierig ritueel geknutsel – waarbij vergeleken de starre dogma’s en riten van de voorvaderen een toonbeeld van intellectuele en esthetische zindelijkheid zijn. Het is in zijn vergeefsheid en zelfbedrog te aandoenlijk en te meelijkwekkend om er het grote woord heiligschennis op toe te passen: het Heilige laat zich niet zo makkelijk schenden. Maar met onze goed bedoelde creativiteit bedelven we het eerder dan dat we toegankelijk en bereikbaar maken.

In die zin vind ik het een verademing dat er in het kerkelijk jaar een nulpunt bestaat, een herstelpunt waarop we, als we ervoor open staan, worden uitgenodigd om op onze religieuze neus te kijken: Goede Vrijdag. Op deze dag laat god zich doelbewust wegcijferen en uitsluiten. Het experiment van een menselijke god blijkt een doodlopend spoor. God gaat kapot aan de mensen. Hun geknoei met geloof en religie heeft onherstelbare gevolgen. God verlaat de mensen en trekt zich terug in zijn oneindige verschiet. Zelfs het graf van goed bedoelde mooie woorden laat hij desolaat achter.

God verdwijnt – en geeft ons de tijd als zijn plaatsvervanger. Die tijd is gevuld met zijn geduld en vergt van ons geduld: een geduld dat de zelfgenoegzame rechtzinnige en de gemakzuchtige vrijzinnige in ons slechts met de grootste moeite kan opbrengen.

Geef een reactie