Gekwetst

Als weldra één of ander tribunaal in Den Haag, Genève of New York gelast om Zwarte Piet in de ban te doen, zal ik wellicht kortstondig wenen of een weemoedige zucht slaken. Vervolgens zal ik echter overgaan tot de orde van de dag. Een schrijnend onthechtingsproces verwacht ik niet. Tradities zijn eindig. Ze komen en gaan.

Ik voel me dan ook geenszins aangevallen of gepikeerd door de – inmiddels tot onze Nederlandse folkloristische canon horende – campagnes van Quinsy Gario tegen de racistische excessen van het Sinterklaasfeest. Integendeel: de zachtmoedige vechter nam me zelfs voor zich in, toen hij op 7 oktober optrad in het late-avond-programma van de twee Varapraatmannen – die er blijkbaar genoegen in scheppen om eenzame strijdsters en strijders voor de leeuwen te werpen (hetgeen ze onlangs ook deden met Asha ten Broeke). Ik voelde ook de verontwaardiging in mij ontbranden, toen ik weer de beelden zag van het buitenproportionele optreden van de politie tegen Gario in 2011: een draconisch ingrijpen waarvan kleine, speciaal voor de intocht warm aangeklede kinderen getuige waren, om er waarschijnlijk voor de rest van hun leven nachtmerries aan over te houden.

Nee, ik voel me niet in mijn wiek geschoten door Gario, zoals veel andere Sinterklaasfans. Wel ben ik steeds weer verbaasd en bezorgd over mensen die – namens een bevolkingsgroep of zichzelf – zozeer hun gekwetstheid cultiveren en erin zwelgen, dat ze niet meer open staan voor relativeringen en voor pogingen om zaken in een nuchter perspectief te zien. Quinsy Gario voert zijn strijd nog op een betrekkelijk sympathieke manier en met een charmante originaliteit.

Maar hoeveel gekwetstheidsprofeten voorzien zichzelf niet van een onaantastbaar slachtofferaureool – door onschuldig bedoeld gedrag van anderen meteen te voorzien van een historische en geopolitieke geladenheid? Onbedoeld op tenen staan en er met sorry zeggen vanaf komen is er niet bij. Nee, voor je het weet ben je met terugwerkende kracht medeverantwoordelijk voor het kolonialisme en alle andere grootschalige misdaden die de wereld sinds eeuwen teisteren.

Ook en vooral met gelovigerds moet je uitkijken: ze kennen zichzelf een door god zelf verleende diplomatieke onschendbaarheid toe. Je kunt hen maar beter met fluwelen handschoenen aanpakken. Religie lijkt soms wel het verkeerde been waarmee God uit bed is gestapt.

***

Het maatschappelijk verkeer wordt verlamd – en dat is het wat mij zorgen baart – doordat we in toenemende mate op onze hoede moeten zijn om niemand in haar of zijn ziel te raken. Het is immers nooit zeker, of je niet een grens overschrijdt. Iedereen kan namelijk zijn eigen pijngrens bepalen, temeer daar we leven in een subjectivistische cultuur. Het wordt daardoor steeds onvoorspelbaarder of je over de schreef gaat. Anderen kunnen hun betekenissen hechten aan iets wat ik doe of zeg, door het uit zijn samenhang te halen en het in hun eigen overgevoelige context te plaatsen.

Als we ons verkeer laten regelen volgens het niet-beledigen-criterium, kan dat in theorie leiden tot absurde situaties, zoals een gedachte-experiment laat zien. Stel dat ik morgen beslis om een religie te stichten, die in de banaan de incarnatie van de godheid ziet. Dan kan ik eisen dat niemand meer onoorbare grapjes maakt over bananen en dat niemand meer de integriteit van bananen aantast door hen in het openbaar te nuttigen. Het etaleren van bananen in groentewinkels zal ik als een grievend schouwspel ervaren, zodat ik kan eisen dat dit ik niet meer aan dit ontluisterende tafereel wordt blootgesteld. De beledigingsgrens is nogal willekeurig en subjectief, wil ik maar zeggen.

Tegen deze argumentatie uit het ongerijmde zal natuurlijk worden ingebracht, dat het in de praktijk niet om zulke willekeur gaat. Degenen die zich als gekrenkt melden, doen dat op grond van niet vrijwillig gekozen kenmerken als ‘gender’ of etniciteit of met het oog op een diep gewortelde identiteit, zoals een eeuwenoude en/of wijd verspreide religie. Maar deze tegenwerping maakt het alleen maar erger. Het impliceert namelijk dat sommige groepen (lees: hun luidruchtige opinieleiders) een monopolie hebben op het vaststellen van de grenzen die niet mogen worden overschreden.

Ik onderschrijf overigens niet de beroemde retorische uitspraak van Hirschi Ali dat we ‘een recht hebben om te beledigen’. Die uitspraak is al even absurd. Doelbewust beledigen is en blijft onbetamelijk – al moet iedereen die een ander heeft beledigd zich veilig kunnen weten.

Aan de andere kant maken we het leven niet eenvoudiger, door aan groep A een carte blanche te geven om voor groep B te bepalen wat kwetsend is. We mogen van elkaar tact en fatsoen vragen. We kunnen echter niet van elkaar vergen, dat we voortdurend rekening houden met de onzichtbare tere plekken van anderen of met de grenzen die anderen onverhoeds bepalen.

Fijngevoeligheid – het sieraad van ons vreedzaam samenleven – wordt dan vervangen door een verstikkende deken van krampachtigheid.

One thought on “Gekwetst

  1. Pingback: De overlast van onze ergernis | Speelruimte

Geef een reactie