Er is geen bron: er zijn alleen maar rivieren. Over traditie als metamorfose

Dat ik – op het eenkennige af – houd van klassieke muziek, kan ik niet verdedigen. Ik voel ook niet de aandrang tot een apologie. Het is een kwestie van smaak, zoals zo veel voorkeuren. Zelfs een politieke voorkeur is uiteindelijk esthetisch van aard. Maar al kan ik mijn muzikale voorkeur niet verdedigen: ik kan wel proberen haar te verklaren. Dat ga ik doen.

De klassieke toondichter beschikt over een weelderige voorraad aan uitdrukkingsmiddelen, waarmee hij bijna eindeloos zijn betoog uitspint. Hij kan klankkleuren mengen, moduleren en modelleren tot in het schier onbeperkte. Daardoor kan een anderhalf uur durende symfonie van Bruckner je bij de les houden zonder je te vervelen. (Waarmee niet is gezegd dat het in de lengte zit. In het korte bestek van twintig minuten weten Bach en Haydn een hele Odyssee  te vertellen.) Dit alles lukt een popmusicus niet. Die is na een paar minuten uitgespeeld en door zijn materiaal heen. Hij kan er zelfs geen origineel eind aan breien. Uitfaden is meestal de enige uitweg: een verlegenheidsoplossing.

Het merkwaardige nu is dat de componisten van vóór (pakweg) 1900, bij al hun welbespraaktheid, binnen de grenzen bleven van een voorgegeven systeem. Uiteraard hebben zij die grenzen vaak zelf verlegd en opgerekt: maar altijd was er sprake van een conventie, een taal. Daardoor ‘verstaan’ wij ze ook. Vervelen doen ze echter nooit. Ze namen plaats achter het orgel van (op zichzelf eindige) mogelijkheden, maar wisten dat met onuitputtelijke creativiteit te bespelen. Daardoor wisten ze enerzijds de suggestie van vanzelfsprekendheid en logica te wekken en anderzijds te verrassen en te verbluffen. Bij een overgang in een strijkkwartet van Haydn denk je: ‘O ja. Natuurlijk. Waarom is niemand eerder hierop gekomen?’ En toch overvalt en onthutst het je. Voor de hand liggend en onvoorspelbaar tegelijk: dat is de paradoxale kracht van de klassieke muziek.

Haar creativiteit kent verschillende tactieken: de variatie, de modulatie, de meerstemmigheid, het opsplitsen en combineren van motieven, de orkestratie etc. De componist kiest hierbij een bepaald ‘trefwoord’ (een motief, een thema, een melodie) en laat dit vervolgens alle hoeken van de kamer zien. Een oneindige metamorfose is het resultaat. Beethoven is de ikoon van deze kunst. Zijn variatietechniek bijvoorbeeld is onovertroffen.

Het aardige nu is, dat het gebruik van deze techniek op zijn beurt deel uitmaakt van een transformatieproces, dat de individuele componist overstijgt. Beethoven volgde immers de variatiekunst van Bach na (zoals hij dat ook deed met diens fuga’s) en hij werd zelf weer nagevolgd door Brahms en anderen. Ook dat maakt klassieke muziek zo intrigerend: het is een traditio, een verhaal dat mensen van verschillende generaties op een herscheppende wijze doorvertellen. Componisten borduren op elkaar voort, bouwen verder op de erfenis van voorgangers en variëren op elkaars oeuvre. Ze citeren elkaar zelfs. De muziekgeschiedenis is zelf één grote onuitputtelijke ‘variatie op een thema’.

Daarmee is zij een metafoor (en meer dan dat) voor het fenomeen traditie in het algemeen – dus ook voor filosofische, religieuze en politieke tradities. Gelovige en verlichte hoeders van de traditie zouden hiervan moeten leren. Met name is interessant dat de ‘ziel’ van de traditie blijkbaar niet zit in een ‘vaste kern’, maar juist bestaat in haar eindeloze dynamiek. Haar levensvonk is geen onbeweeglijk middelpunt, maar juist haar vermogen tot variatie en metamorfose. Haar vitaliteit is niet gelegen in een ‘kern’ of een ‘canon’ die we door afpellen of ‘herbronning’ moeten blootleggen, maar in de kracht om zichzelf voortdurend te herscheppen.

Dat geldt ook en vooral voor onze westerse ‘verlichtingstraditie’, die geen solide fundament of een vaste maatstaf heeft, maar zich in leven houdt door zichzelf voortdurend opnieuw uit te vinden – zoals Konersmann zo mooi betoogt*. Maar laat ik nu even bij mijn eigen leest blijven, die van de theoloog: onze verantwoordelijkheid als theologen bestaat erin, de hier geschetste opvatting van creatieve traditie overeind te houden en te verdedigen tegenover allen die zo vergeefs op zoek zijn naar de heilige graal – ter linker en ter rechter zijde**.

Er is immers geen ‘bron’: er zijn alleen maar rivieren. En die zijn, zoals Heraclitus zei, nooit eender.

* Cfr. Ralf Konersmann, Kulturkritik. Frankfurt am Main 2008.

** Cfr. mijn bijdrage aan het boek Visioenen van het Tweede Vaticaans Concilie, onder redactie van Jan Jacobs, Martin Hoondert en Franck Ploum, dat op 6 oktober het licht ziet.

Geef een reactie