Eer de antiheld in jezelf.

Er zijn boeken, zinnen en woorden die pretenderen een magische kracht te bezitten: het vermogen om ons leven eens en voor altijd ten goede te veranderen. Op zich kan ik daar niets tegen inbrengen. Als rechtgeaard theoloog geloof ik immers – voor zover je als theoloog überhaupt in iets kunt blijven geloven – in de effectiviteit van het woord.

Wat is er dus tegen die levenshulpboeken, die beloven dat er een pot goud te wachten staat, als je bent aangekomen op de laatste bladzijde? Welk bezwaar kan ik maken tegen titels als ‘spirituele oplossingen’ en tegen boeken die zichzelf aanprijzen met de kreet: ‘Dit wordt jouw jaar’? Wat is er mis met leuzen als ‘opgeven is geen optie’ en ‘geluk is een keuze’? Zo’n spreuk opzeggen bij het opstaan is in elk geval goedkoper en minder verslavend dan het slikken van pillen.

En toch voel ik onder de twintig matrassen van het geruststellende goeroegeronk de hardnekkig prikkende erwt van een onbehagen. Ik geef natuurlijk ook de voorkeur aan een opgewekte en optimistische levensinstelling boven klaaggedrag en achterdocht – maar ik zie ook de grenzen van die tot onszelf gerichte peptalk. Woorden hebben een zekere magie, ja zeker – maar we kunnen niet heksen.

Neem nou die uitspraak dat ‘vandaag de eerste dag van je leven’ is. Zo onbelast kunnen we ’s morgens niet opstaan. Het verleden scheldt ons niet alle schulden kwijt terwijl wij slapen en ons toekomstig lot ligt niet in onze handen alleen. Beslissingen van gisteren beperken onze speelruimte. Ons lichaam veroudert, of we het leuk vinden of niet. Bepaalde kwalen kennen maar één richting: vooruit. Wie ziet hoe zijn kinderen met hun leven spelen, houdt zijn hart vast terwijl hij hen moet loslaten. En een berg in Zuid-Frankrijk opfietsen onder het motto ‘opgeven is geen optie’ wekt – met alle respect – onze kankerdoden echt niet tot leven. Soms is opgeven de énige optie.

***

We leven blijkbaar graag in de waan dat we een onbeschreven blad kunnen zijn. We spiegelen ons aan blonde helden van het type Siegfried en Parsifal die – vanwege hun erfelijke onbelastheid en onbekommerde levenslust – al werden benijd door tobberige, décadence-kunstenaars als Richard Wagner en Thomas Mann. We zouden willen lijken op die levenskunstatleten die midden in het leven staan, badend in een weelde van kansen – terwijl de kneuzen aan de rand staan.

Laten we nu maar toegeven, dat we onherroepelijk meer dan eens aan de kant staan. Dat we zelf vaak genoeg antihelden zijn, verstrikt in het verleden en de tol betalend van onze toekomstzorgen. Als ik in de zomer een virtuele excursie naar Bayreuth maak en van CD de Ring des Nibelungen beluister, vereenzelvig ik me daarom graag met de erfelijk belaste Wotan met zijn vuile handen – en niet met het oppervlakkige blondje Siegfried met zijn ‘genade van de late geboorte’ en met zijn diepgang van niks.

***

Onlangs werd mij overigens een nieuwe identificatiefiguur aangereikt, door een heruitgave van Der arme Verschwender van Ernst Weiss (1936). Het is zo’n melancholiek boek dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de ondergang van het Habsburgse rijk. De hoofdpersoon is een antiheld, die zich laat leiden door goede bedoelingen, liefde en andere nutteloze en irrationele motieven en gevoelens – en daardoor onomkeerbaar aan lagerwal raakt. Hij geeft gretig weg – hetgeen hem komt te staan op hoon van zijn berekenende familieleden. Hij knoeit met zijn leven.

Dat loopt natuurlijk slecht af. Maar in de laatste regels wordt de auteur even theologisch en zegt hij: ‘Misschien is God ook wel zo’n spilziek wezen?’ Ja, wie weet? ‘En zo heeft onze god zich ook gedragen,’ – om het met Oosterhuis te zeggen. En dat zegt wat. Misschien is een slordig en verkwistend leven uiteindelijk zaliger, dan een leven dat genadeloos en krampachtig alles uit zichzelf wil halen. We houden we de antihelden onder ons – en in ons – maar beter in ere.

Geef een reactie