Vijftig

Deuteronomium 26, 5

Johannes 8, 57

Ik zie hem nu eindelijk met eigen ogen, de oude Arameeër. Hij staat gebogen over de railing van de brug, starend in de richting van de oorsprong van de blauwgrijze, onder ons dóór kolkende rivier.

Ik blijf op afstand staan en neem het beeld in me op: de gebogen rug; de kruiselings in de elleboogholtes rustende, lange, blauw dooraderde handen met de sporen van de ontelbare, in tijden van wanhoop gerookte sigaretten; de borstelige wenkbrauwen en de lange wimpers, die zoveel stromen zweet hebben moeten verduren; de haastige en oppervlakkige ademhaling als van een opgejaagde oude hertenbok; de rimpels in zijn gezicht, die nu worden uitgediept door het samenknijpen van de ogen; de gesprongen adertjes boven zijn neusvleugels; het pluizig haar in de slecht uitgeschoren nek.

Datgene wat niet zichtbaar is voor het blote oog  kan ik wel vermoeden en bevroeden: de gewrichten die zijn versleten van het vele zwerven en van het telkens weer moeten opbreken; het hart dat zo vaak van ontzetting is samengekrompen en zich door onverhoeds hem toegevallen liefde weer heeft verwijd; de gal die zo vaak van bitterheid is overgelopen; de door tranen van vreugde en verdriet schoongehouden traanbuisjes.

***

Ik zie hem en ik weet dat ik zijn DNA heb, dat ik lidmaat ben van het door hem uitgezaaide, uitgezwermde zwerversvolk. Mijn levensloop is als die van hem. Natuurlijk heb ik  – tot nu toe dan – minder risico’s gelopen, ben ik minder overmoedig dan hij en leef ik minder als opgejaagd wild. Maar toch: in mijn denken en doen ben ik soms haast even onbesuisd en onbehuisd.

Herhaaldelijk werd mijn verstand verduisterd door de schikgodinnen, die mij zo aan het struikelen brachten. Dan werd ik echter ook weer terstond opgevangen en overeind gehouden door een bewaarengel: zo’n ver, gekerstend familielid van de parcen.

Ik heb moeten ondervinden dat je niet kunt wonen in woorden of schuilen in gedachten, dat rotsvast geloof in vormen en gedachten een lachertje is – al kom je een heel eind in het camouflagepak van de bravoure.

Ik leerde dat leven betekent: vluchten naar voren, voortdurend vallen en jezelf opvangen, je voortbewegen met de ‘zwembadpas’ van Kees de Jongen. Leven is iets onherroepelijks, leerde ik. Het is weerstand bieden aan de sirenenroep om terug keren op je schreden. Alleen de dood is honkvast.

Ik heb tenslotte en bovenal ervaren, dat de echte liefde, de liefde die niet door de mand valt, die niet als brood mettertijd verdort, verschraalt en haar smaak verliest: dat die echte liefde zeldzaam is, maar niet onvindbaar en een onvergankelijke schat als je haar vindt. Ze is een onverwoestbaar kleinood dat opweegt tegen de verloren illusie van huis en haard.

***

Mijn vader was een losgeslagen Arameeër en zadelde me op met zijn rusteloze genen. Het leven is een ontketende rivier. Maar een moeder heeft me leren lopen en zwemmen. Het op drift zijn is daardoor mijn element geworden. Meer dan ooit dringt dit tot me door, terwijl ik het profiel van de oude man bestudeer.

Ik wil iemand ervoor bedanken. Maar het adres, waaraan ik mijn dank wil richten, ben ik onherroepelijk kwijt. Dus schrijf ik de dankwoorden maar op een papiertje. Daarvan vouw ik een primitief bootje, dat ik in de rivier werp. Ik tuur het na totdat het uit zicht raakt, als een groet aan het ons allen gemeenschappelijke verdwijnpunt.

2 thoughts on “Vijftig

  1. Dankwoorden geworpen in de rivier. Nagetuurd door de vijftigjarige jongeling die zijn Schepper dankt. Woorden die uitmonden in de oneindige oceaan en voor eeuwig zullen naklinken! Door de branding steeds weer aanlanden! Geschreven en herschreven!



Geef een reactie