Een monument van onopvallendheid

Een fascinerende en edele vorm van verveling, zo werd het lezen van Adelbert Stifter (1805-1868) eens genoemd door een jongere collegaschrijver – die zelf ook niet vies was van het schrijven van vuistdikke boeken waarin de tijd tot staan wordt gebracht.

Ik ben – dankzij deze merkwaardige paradox – op mijn beurt geboeid geraakt door de Oostenrijker. Hoe is het in godsnaam mogelijk, zo vraag je je af tijdens het lezen van Witiko of Der Nachsommer, dat een schrijver die zo lijkt te verzanden in details en die mij als lezer lastig valt met overmatige informatie alsof hij mijn verbeeldingskracht wantrouwt* – hoe is het mogelijk dat deze schrijver van boeken, die lijken op een brede, ogenschijnlijk oeverloze riviermonding waarin de stroming aanwezig, maar met het blote oog niet waarneembaar is – hoe is het mogelijk dat deze auteur zo geliefd was en is, geliefd bij grootheden als Bonhoeffer en Mann, maar ook bijvoorbeeld bij mijn muziekleraar die Stifters teksten vergeleek met al even traag voortbewegende symfonieën van Stifters land- en tijdgenoot Bruckner?

Juist deze paradox maakte hem fascinerend voor mij en daagde mij uit zó lang te lezen en te kijken tot zijn bladzijden zouden gaan leven. En dat gingen ze. Misschien was er een onbewuste strategie in het spel om een kwellende cognitieve dissonantie op te lossen – een literaire variant van het Stockholmsyndroom, zeg maar – maar ik ging wel degelijk genieten van de tergend trage wandeling door de werkelijkheid waarbij Stifter met de herdersstaf voorop loopt.

Op het moment dat je ongeduld verdwijnt, verdwijnt namelijk ook de verveling. Op het moment dat je de focus op de horizon en het ‘doel’ van je wandeling loslaat, ga je blijkbaar ook focussen op de details ter linker- en rechterzijde en aan je voeten. Je bent dan samen met de verteller ‘den Dingen ergeben’ (Thomas Mann). Dan geniet je van de gedoseerde en uitgebalanceerde woorden en van de hierdoor opgeroepen realiteit: de dooraderde boombladeren en gesteenten, de kleurschakeringen en de variaties in de lichtinval, de ademende cadans van gesprekken waarin mensen luisteren en spreken op het juiste moment.

Ook na deze ‘ontdekking’, ook na deze ervaring dat Stifters tekst gaat leven doordat zij op haar beurt de werkelijkheid laat leven door erbij stil te staan: ook na deze openbaring blijft het voor mij een opgave om te volharden aan de zijde van de gids. Mijn ongeduld kookt soms nog over en wil dan de vaart in het verhaal afdwingen – om dan echter al snel tot orde en maat te worden gemaand en tot bedaren te worden gebracht door de nazomerse windstilte van Stifters stijl.

Wat ook helpt om discipline op te brengen is het besef dat hier niet een detailbezeten autist aan het woord is, maar iemand die heeft nagedacht. Stifters zwerfkeistijl is een ‘statement’, een getuigenis. Hij realiseert al schrijvende een gedachte.

Deze gedachte maakt hij o.a. uitdrukkelijk in de Vorrede tot de Bunte Steine. In de beschouwing van de natuur en van de mensheid – zo zegt hij daar – worden wij op kinderlijke wijze het meest getroffen door het overweldigende, door uitbarstingen van energie en kracht. Daar gaat het echter niet om. Wie bezonnen en bezonken de werkelijkheid tot zich laat doordringen, die kijkt door het opzienbarende en wonderbaarlijke héén van de bliksem en de opzichtige heldendaad – en ziet dan het Wonder van de trage, volhardende, zachte, levenwekkende krachten in mens en natuur; het wonder van het onopvallende, gewone, dagelijkse leven; de rustige, zilverachtig glinsterende stroom van de geschiedenis; de kracht van de kleine, trouwe handelingen, die als duizenden haarwortels duurzaamheid en stabiliteit geven aan het leven en samenleven.

Het vraagt echter bescheidenheid en moed tot onopvallendheid, om dit alles op waarde te schatten. Stifter was zo moedig om dit geluid te laten horen en deze gedachte te verbeelden in de romantische eeuw van de dweepzucht, dat tijdperk dat in zo veel opzichten lijkt op onze tijd. Hij verdient daarom immense populariteit. Het onverwoestbare monument voor Stifter is er al: zijn werk zelf.

* Kenmerkend voor Stifter zijn passages als de volgende: “Mijn grootvader legde zijn stok op de grond, trok mijn vestje recht, knoopte mijn jasje dicht, knoopte vervolgens ook zijn eigen rok dicht, nam zijn staf, en we vervolgden onze weg.” “Hij opende het hek, ging naar buiten en sloot het hek weer.” Welke onvoorbereide lezer voelt zich hier serieus genomen of stelt niet de diagnose van autisme?

Geef een reactie