Een eenvoudig recept voor een aanvaardbaar bestaan

Er zijn mensen met engelengeduld, zitvlees en een lichte neiging tot autisme, die in staat zijn om de brieven van Beroemde Wereldburgers te verzamelen, te ontcijferen, over te tikken, in de goede volgorde te zetten, van voetnoten te voorzien en ze vervolgens als boek uit te geven. (Om dit monnikenwerk te verrichten moet je overigens ook gespeend zijn van smetvrees, want vaak leefden Beroemde Mensen in Beroerde Tijden, waarin ze zich moesten behelpen met flarden afgedankt papier of hun brieven noodgedwongen schreven op de zelfde tafel waaraan ze de maaltijd nuttigden.) In de afgelopen tijd las ik twee op deze manier tot stand gekomen brievenbundels. De eerste was een verzameling brieven van Albert Vigoleis Thelen. De tweede was een bundel met brieven van Hedwig Pringsheim aan een door haar geadoreerde publicist.

Albert Vigoleis Thelen (1903-1989)

Ik raakte geboeid door de persoon van Thelen dankzij zijn roman Het eiland van het tweede gezicht. Ik heb dit boek twee keer gelezen – met toenemende verbazing en groeiende bewondering. Het is een irritant boek, omdat Thelen dankzij zijn eruditie over een Duits vocabulaire beschikt dat buiten de oevers van de meest academische dictionaires treedt – en daardoor vaak geheimtaal blijft. Deze omstandigheid draagt echter mede bij aan de oneindige kleurschakeringen in Thelens boek en aan de glinsterende ironie, die soms ontaardt in hilariteit.

In zijn autobiografische roman komt Thelen naar voren als een onzichtbare spin in het web van de Duitse en Nederlandse literatuur van de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij zette zich dienstbaar in voor andere auteurs: als vertaler (ook uit en naar het Nederlands!), secretaris, lobbyist en recensent. Eerst relatief laat brak hij door met zijn eigen roman. Ook in zijn brieven zien we de alomtegenwoordige, nederige (en daardoor ook door tijdgenoten verwaarloosde) stille kracht. Thelen schreef ze onder dreigende politieke en barre economische omstandigheden. Je verbaast je dat deze brieven überhaupt tot stand kwamen, omdat Thelen voortdurend op de vlucht was voor Hitlers sluipmoordenaars en in gevecht met honger en papiergebrek.

Hedwig Pringsheim (1855-1942)

Ik ben – ik zal u er nog vaak mee vervelen – ook gefascineerd door Thomas Mann. Daarom kocht ik enige tijd geleden een boekje met de brieven van Manns schoonmoeder aan Maximilian Harden. Ze zijn geschreven in een boeiende periode van de Duitse geschiedenis (1900-1922) en – voor mij een extra smaakmaker – gedurende de ontstaansgeschiedenis van De Toverberg. We zijn er dankzij deze brieven van nabij getuige van, hoe de libertair ingestelde schoonmama haar neus ophaalt voor haar puberaal-nationalistische schoonzoon, die zich verschanst in zijn werkkamer terwijl leeftijdsgenoten bij bosjes sneuvelen in de loopgraven – een dodendans die Thomas door zijn aanstellerij ontspringt. Pringsheims brieven getuigen van een sfeer van dreiging, van de dagelijkse aanwezigheid van de sneuveldood en van de bittere armoede die tijdens en na de oorlog ook de rijken treft – met als merkwaardig dieptepunt de ‘Dienstbotennot’: het gedoe met dienstmeisjes die veel noten op hun zang krijgen omdat zij een schaars goed zijn.

Compensatie en vriendschap met jezelf

Een gemeenschappelijk element in deze twee bundels is het wonderlijke verschijnsel, dat de briefschrijvers in de door hen beschreven omstandigheden het beste van hun leven weten te maken. Het is verleidelijk om hierover te spreken in modieuze, pseudopsychologische en spirituele termen (‘resiliëntie’, ‘mindfulness’ etc.). Deze begrippen zijn hooguit in zoverre van toepassing, dat Thelen en Pringsheim beschikken over de nodige vindingrijkheid – ondanks de telkens weer de kop opstekende aanvechting door wanhoop (die bij Thelen soms op het suïcidale af is).

De veerkracht van Thelen en Pringsheim is echter geen kwestie van diepzinnigheid of verheven autosuggestie. Ze uit zich ook en vooral in datgene wat wij neerbuigend wel eens compensatie noemen: het genieten van concrete dingen als een klein cadeautje, een groet van een vriend, een uitstapje, een uitgedunde kerstboom, de lichamelijke nabijheid van de geliefde, een mooi boek. En niet te vergeten: humor. Pringsheim geeft hooguit met enige gêne toe dat deze dingen haar overeind houden. En laten we eerlijk zijn: ook wij voelen ons hier vaak te goed voor.

De veerkracht van Thelen uit zich bovendien hierin, dat hij uit de voeten kan met de eenzaamheid en dat hij vrede sluit met zijn ontworteld bestaan. Hij geeft een voorbeeld hoe je vriendschap kunt sluiten met de enige die er altijd is, met je intiemste boezemvijand: met jezelf. En hij drukt dit kernachtig uit in de zin, die de redacteur van zijn brieven als titel voor zijn bundel heeft gekozen: Meine Heimat bin ich selbst.

Compensatie niet versmaden en het goed kunnen vinden met jezelf: het zijn tactieken om de onuitroeibare melancholie telkens een slag voor zijn. Het is een eenvoudig recept voor een aanvaardbaar bestaan. Daar is niets mis mee. Ik houd me natuurlijk altijd aanbevolen voor iets extra’s.

***

Albert Vigoleis Thelen, Meine Heimat bin ich selbst. Briefe 1929-1953. Dumont 2010.

Hedwig Pringsheim, Meine Manns. Briefe an Maximilian Harden. Aufbau Verlag 2006.

Geef een reactie