De wereld als Praethuys

De wereld is een praathuis. Dat was altijd al zo en dat zal altijd zo blijven. Alle jammerklachten over onze praatzieke cultuur en over de devaluatie van woord ten spijt, is het eerlijk om vast te stellen dat de praatdwang een aangeboren ziekte van het mensdom is. Deze kwaal springt vandaag de dag wellicht wat meer in het oog, doordat dankzij de digitale revolutie het aantal communicatiemiddelen explosief is toegenomen. Maar het is de eeuwige behoefte aan mededeelzaamheid die hier de middelen schept – en niet omgekeerd.

Door de digitale revolutie is het wel gemakkelijker geworden, om een podium te vinden, om de wereld toe te spreken. Praten komt immers meestal daarop neer: niet op dialoog, doch op monoloog, niet op het gesprek, maar op de toe-spraak. Deze monoloog nu is geen luxe meer van geletterde briefschrijvers, zoals tot ver in de 20e eeuw het geval was, of van de happy few die de massamedia in het analoge tijdperk als spreekbuis konden gebruiken. Nee: voor iedereen is er in het Hyde-Park van de social media  wel een zeepkist ter beschikking. Dat we daarbij meestal aan elkaars dovemans oren voorbij praten, is een ander hoofdstuk.

De drempel om onszelf mede te delen is dus lager geworden. We zijn echter al met al geen grotere kletskousen dan de generaties voor ons. Wat wel is veranderd, is de kwaliteit van het gesprek. Er vindt geen selectie plaats, zodat de oprispingen van Jan en alleman lukraak worden uitgezonden. We lijken daardoor gemiddeld minder zoetgevooisd en welgemanierd. We werken bovendien op elkaars zenuwen, doordat we wedijveren om de prijs voor de sneuste pechvogel en het meelijwekkendste slachtoffer.

Van het lezen van narcisten als Paulus, Augustinus, Proust en Mann konden we tenminste nog genieten. Ze waren brokkenpiloten in het leven, maar kampioenen van het woord, kneuzen van adel. Posthuum leggen ze het echter alsnog af tegen de banaliteit van het Theater van het Zelf.

Geef een reactie