De Walküre

Je ziet er gelukkig uit en ongenaakbaar. Zo zie ik je vaak zitten in de trein of staan op het perron. Ook zit je wel eens achter de kassa bij de zelfbedieningskruidenier. Dan kan ik op je badge lezen hoe je heet. Je hebt een naam waarachter een hele wereld schuilgaat en die lijkt te duiden op inheemse of exotische adeldom: Iva of Sanne, Babette of Gulistan. Nu eens ben je blond, dan weer donker, een enkele keer rossig. Soms ben je een jaar of achttien, soms iets ouder, soms iets jonger. Maar altijd ben je ongeëvenaard in levenslust en zelfbewuste schoonheid.

In de trein kan ik soms langer naar je kijken. Dan zie ik dat je niet volmaakt bent – of liever: dat je dat zelf op angstige wijze vermoedt. Je fierheid is een façade. Je zorgvuldig aangebrachte make-up (niet te dik, niet te dun, de natuurlijke lijnen en welvingen van je gezicht accentuerend, meer niet), je van top tot teen op elkaar afgestemde kleren, je strategisch opgestoken of doordacht in model geknipte haar: het zijn je wapens, in stelling gebracht tegen de moordende en ondermijnende onzekerheid over de vraag of je eigenlijk wel mooi genoeg bent.

Terwijl je – ondanks je lange, subtiel gelakte nagels – razendsnel berichten intikt op je smartphone (hoe doe je dat in godsnaam?!) zie ik je blikken heimelijk ronddwalen. Je pupillen flitsen nauwelijks merkbaar heen en weer binnen de cirkels van je oogwit. Vergelijk je jezelf met de andere meiden in de trein? Ga je na of je zelfpresentatie de aantrekkelijke jonge mannen ertoe beweegt, hun ogen langer op je te laten rusten dan beleefd is? Tuur je de horizon van je leven af, speurend naar tekens die de positie verraden van het leger van de vergankelijkheid, dat in camouflage en onherroepelijk op je afsluipt?

Je studeert hard, om niemand teleur te stellen – vooral jezelf niet. Althans: dat stel ik me zo voor. Hoe je dat combineert met de tijdrovende zorg voor je uiterlijk, is me overigens een raadsel. Je bent getalenteerd en intelligent: het zou dus wel een tandje lager kunnen. Je neemt echter het zekere voor het onzekere en doet er iedere dag nog een schepje bovenop.

Dat doe je ook bij de sport die je beoefent (nee, geen hockey: eerder atletiek) en bij de muzieklessen die je volgt (nee, niet zoiets gewichtloos als harp: eerder iets stevigers, iets wat meer weerstand lijkt te bieden aan wils- en spierkracht, zoals cello of desnoods een koperen blaasinstrument). Je wilt beter zijn dan iedereen en jezelf elke dag overtreffen. Immers: pas als je vooraan staat of boven anderen uitrijst, valt dat licht op je, waarnaar we allemaal snakken als vissen op het droge naar water.

Ook en juist op zaterdagavond lever je topprestaties – in het uitgaansleven. Je moet moeiteloos mooi zijn. Men verwacht van je, dat je wendbaar en lenig je lichaam aanstuurt, zonder overigens uit de plooi te raken. Je moet – op het reflexmatige af – trefzeker reageren op de ballen die je worden toegespeeld. Er wordt van je gevergd om binnen een fractie van een seconde te kunnen inschatten, of iets ironisch is bedoeld of juist complimenteus, uitdagend of imponerend, uitnodigend of gebiedend. Je moet feilloos kunnen aanvoelen, of je bij grappen moet lachen of terugplagen en of je een woordpatser moet overtroeven of dat je hem juist moet behagen door bedremmeld te zwijgen. Je moet op het juiste moment en op de gepaste manier de goede kant uitkijken. Eén oogopslag kan de richting van je leven bepalen, ten goede of ten kwade.

Zo ga je door het leven: uiterlijk schouderophalend en innerlijk schoorvoetend; naar buiten struis en inwendig strijdend tegen je eigen moedeloosheid.

Als ik je vader zou zijn – en dat zou ik soms wel willen – dan zou ik een cirkel van vuur om je heen leggen. Dan zou ik je laten voelen wat onvoorwaardelijke liefde is en je duizend potjes aanreiken die je zou mogen breken. Of ik zou je juist helpen in de nu eenmaal onvermijdelijke strijd om erkenning. Ik zou je bijvoorbeeld terstond aanbieden om samen de stad in te gaan, waar je voor duizend euro kleren zou mogen uitzoeken, om daarmee ééns en vooral je vriendinnen en vrienden te kunnen aftroeven. En ik zou je voorstellen om daarna ergens te gaan eten waar het veel te duur zou zijn.

En dan? Jij zou ongetwijfeld verbaasd reageren – en waarschijnlijk zelfs lichtelijk gepikeerd. Je zou zeggen: ‘Ouwe gek. Bespaar jezelf dat dure etentje en kom maar op met die duizend euro. Om kleren te kopen heb ik jou niet nodig!’

En ik zou je gelijk geven. Je bent dan misschien toch ongenaakbaar gelukkig. En ik gewoon jaloers.

Geef een reactie