Angstvallig verzwijgen of beschroomd zwijgen? – Wat is waarheid?

De waarheidsliefde heeft het moeilijker dan ooit. Nu lijkt dit goed nieuws voor vrijzinnigen, die niet zo houden van stelligheid en zekerheid. Waarheidsliefde is echter niet het zelfde als onwankelbaar geloof in een eenmaal gevormde mening. Ze is integendeel juist de openheid en ontvankelijkheid voor inzichten die op ons toekomen, ook langs de wegen van de twijfel, en de bereidheid om daarvoor op of in te staan, ja: eventueel om het hoofd ervoor te buigen. En juist aan deze openheid en bereidheid schort het steeds meer. Op alle niveaus van het samenleven is er sprake van een pragmatisch relativisme. Weinigen wagen zich aan de verfijning en verdediging van een doordachte en een met gerijpte overtuiging aangehangen waarheid.

Aan boud te berde gebracht stelligheden is er daarentegen geen gebrek. Die zijn er echter juist niet op gericht, om nederig lerend de werkelijkheid te doorgronden. Ze zijn louter bedoeld om al imponerend de eigen belangen te ondersteunen of om vooroordelen en bijgelovigheden voor kritiek te vrijwaren. Met een vulgair perspectivisme wordt de eigen zienswijze nog eens extra geïmmuniseerd tegen twijfel. In het dagelijks verkeer worden bijvoorbeeld discussies over gedrag, levensvisie of wereldbeeld verlamd door de vaak op intimiderende wijze ingebrachte dooddoener, dat ‘jij jouw waarheid hebt en ik de mijne’. Deze gemakzucht is de ware waarheidsliefde vreemd.

Gelijk krijgen is tegenwoordig belangrijker dan het hebben van goede redenen en argumenten. Je verschansen in het hutje van je eigen kleine ‘waarheid’ wint het van het bouwen aan een gemeenschappelijk huis van de authentieke waarheid. Dit is godbetert ook op staatkundig en geopolitiek gebied een patroon aan het worden. Politici brengen liever een nergens op gebaseerd frame de wereld in, om de positie van hun tegenstanders te ondermijnen, dan dat zij door middel van onderzoek en bewijsvoering proberen om anderen te overtuigen van een met toeleg verworven inzicht of om hun eigen standpunten en visies te verfijnen en te veredelen. In plaats van met argumenten en feiten te reageren op kritiek, betichten ze bovendien hun critici van moedwillige leugenachtigheid en de media van een verdraaiing van de werkelijkheid. Door de ander van onoprechtheid te betichten leggen ze effectief een rookgordijn rond je eigen leugens. De fans vinden het overigens allemaal prachtig. Wie zich boven de waarheid verheven wacht is cool en stoer. Liegen is spierballentaal.

Het is echter niet altijd eindeloos vol te houden. Op pijnlijke wijze vallen bestuurders door de mand, als ze zich verstrikken in hun web van onwaarheden. Aanvankelijk hebben leugens voor hen nog een groot retorisch nut. De politici in kwestie kunnen de opinie er ingrijpend mee beïnvloeden. Vroeg of laat echter keren de onwaarheden zich tegen de bedenkers. De tegenstanders ruiken lont en laten geen kans onbenut om de fantasten te ontmaskeren. Deze zakken almaar dieper weg in het moeras, door hun leugens zo lang mogelijk te verzwijgen, ze te verdoezelen of te bagatelliseren – of door ingewijden het zwijgen op te leggen. Totdat het kaartenhuis van leugens en halve en hele onwaarheden niet meer houdbaar is. Dan rest er maar één ding: zo oprecht mogelijk berouw tonen, met alle emoties die daarbij horen. En dan maar hopen dat het niet te laat is en dat je niet alle krediet kwijt bent.

Het roept natuurlijk de vraag op waarom mensen van statuur de leugen nodig hebben als redmiddel. Deze vraag gesteld hebbende, werd ik positief verrast toen mij een theologisch pareltje uit 1960 onder ogen kwam: het artikel Over de waarachtigheid van de grote katholieke theoloog Karl Rahner (1904-1984). Een kleine zestig jaar geleden stelde deze al, dat de waarheid in zwaar weer verkeerde. Hij weet dit mede aan de opkomst en explosieve groei van de massamedia – lang voordat wij ons zorgen begonnen te maken over de social media. Rahners geniale artikel kan ik van harte aanbevelen. Ondanks de volgens sommigen wellicht achterhaalde wijsgerige achtergrond, waarin Thomas van Aquino via Heidegger tot ons spreekt, zijn de gedachten erin het overdenken nog steeds waard.

Zo wijst Rahner erop dat we de waarheid te zeer hebben teruggebracht tot fact-checking ten behoeve van het manipuleren van de werkelijkheid. Zo’n armoedige opvatting van de waarheid gaat op den duur ten koste van het respect ervoor. Echte waarheid is immers ten diepste communicatie met de werkelijkheid in haar wezen, op een niveau waarop ze niet meer te instrumentaliseren is. De gedachte om op dat punt terecht te komen is echter ook beangstigend, want op dit niveau omvat de werkelijkheid ook ons eigen wezen, met zijn licht- en schaduwzijden. Moed tot de waarheid is daarmee ook de moed onszelf onder ogen te komen – en daarmee de bereidheid tot radicale zelfkritiek. Dat maakt de waarheid tot een onwelkome gast in ons leven en verklaart dat wij zo makkelijk vluchten in de leugenachtigheid …

…. tenzij we de zoektocht radicaal volhouden en terechtkomen op het punt waarop we erkennen, dat de ultieme waarheid over de werkelijkheid erin bestaat dat wij, als onderdeel daarvan, genadig worden omvat en gedragen, onvoorwaardelijk worden erkend en bemind. Wie op dat niveau komt – of in elk geval in de buurt ervan – zal de angst voor de waarheid afleggen. Hij of zij zal bovendien onbeschroomd voor de waarheid, ook in haar meer dagelijkse uitingsvormen, uitkomen jegens anderen – uit respect voor hen als tochtgenoten op de zoektocht naar waarheid, maar vooral omdat er niets te vrezen valt. Hij of zij zal bovendien ook niet bang zijn voor de dialoog en het gesprek, want hij of zij kan tegen een stootje, in de vorm van vragen, kritiek en tegenspraak. Hij of zij geeft ten slotte ook gul het gelijk van de ander toe, die immers ook deel heeft aan de waarheid en onvermoede aspecten daarvan laat kennen.

Uiteraard, zo benadrukt Rahner, worden we ook radicaal bescheiden, naarmate we dichter bij de waarheid komen. Hoe meer we de waarheid menen te onthullen, hoe meer we de sluiers zien waarin ze zich hult. We stuiten op een geheim, dat wij niet kunnen omvatten, doch dat integendeel ons omvat. Op dat moment geven we ook de pretentie op, dat we veel weten en veel te vertellen hebben. Naarmate we leren dat de werkelijkheid zich meer verbergt dan prijsgeeft, leren we schroomvallig te zwijgen – en uiteindelijk alleen nog maar te spreken vanuit dit zwijgen, uiteraard nadat we dit zwijgen grondig hebben doorleefd.

Deze mystieke houding – want dat is het – is uiteraard iets anders dan angstvallig zaken verzwijgen omdat we iets te verbergen hebben. Dat laatste leren we juist af op onze zoektocht naar de waarheid. Want het laatste woord is aan de onvoorwaardelijke geborgenheid. Dankzij haar zijn we voor de duvel niet bang.

***

Rahner, Karl, ‘Über die Wahrhaftigkeit. Referat auf der Jugendseelsorgekonferenz in Passau 1960’, in: Katechetische Blätter 85 (1960) (Vgl. Schriften zur Theologie VII, 223ff.).

Geef een reactie