De Vijftig Tinten Grijs van de snob

Neuschwanstein: Tristan en Isolde

Neuschwanstein: Tristan en Isolde

Het wisselen van de jaargetijden heeft een bijzondere magie. Dat wil zeggen: vooral datgene wat de overgang van het ene getijde naar het andere markeert, heeft die eigenschap: een bepaalde geur, kleur of klank van de natuur; de geur van een seizoensgerecht of de klank van kalendergebonden muziek.

Vooral de muziek heeft de kracht om een nieuw seizoen te bezweren – misschien dankzij haar rituele herkomst. De donkere hartenklop van de dans waarmee de Mattheüspassie opent, is bijvoorbeeld het sein voor de lente. En als in Messiah (nee: niet ‘The’!) de tenor de woorden Troost mijn volk laat schallen: dan weet ik dat het echt december is. Als je het hele jaar door naar ‘de Matthëus’ of ‘Messiah’ zou luisteren (zoals buiten Nederland overigens gewoon gebeurt) zou die magie trouwens verdwijnen. De muziek hoort af en toe een tijd in de mottenballen te liggen: des te groter is het feest van de dionysische wederkomst.

Ik maak van deze eigenaardigheid van de muziek graag gebruik, om mijn eigen seizoensassociaties te creëren. Zo ben ik een groot Wagnerliefhebber (nou niet weglopen!) en heb ik lang gekampt met het alom onderschatte probleem van iedere Wagnerverslaafde (want van Wagner houd je niet: je bent eraan verslaafd, zoals aan alles wat lekker maar ongezond is): Waar haal je de tijd en de motivatie vandaan om al die dure CD’s te draaien? Je bent geneigd het telkens uit te stellen. Ik heb daar iets op gevonden. In de zomer (de tijd van het festival in Bayreuth) ga ik zitten voor de Ring des Nibelungen; in het voorjaar haal ik de paasopera’s Lohengrin en Parsifal uit de kast en in de donkere novembermaand Tristan und Isolde. En iedere keer als ik de bastoon hoor waarmee het Rheingold opent en het daarop volgende waterballet van de rijndochters, voel ik een zelfde huivering als bij de Siciliano van Sions dochters in Bachs Mattheüspassie.

***

Ik kom nu natuurlijk in de verleiding om u op de valreep van november te molesteren met een liefdesverklaring aan Tristan: dit Zwarte Gat van de Duitse romantiek. Ik raad u aan om datgene wat u eventueel nog weerhoudt van een duik in dit Zwarte Gat te overwinnen – en bijvoorbeeld de ouverture eens tot u te nemen. Wellicht wordt u door deze obsessieve, gefrustreerde klanken over de schreef getrokken en overgehaald om de opera in haar geheel te beluisteren. Dat hoeft niet op één dag. U kunt, zoals ik, op drie achtereenvolgende avonden telkens een akte beluisteren. Na elke akte gunt u uw mentale gestel een uurtje voor de spijsvertering. En na drie dagen is het leed geleden.

Eerste akte. De eerste akte vormt de grootste beproeving. Als u het redt om die tot het einde toe te beluisteren, dan bent u voorgoed ingewijd in de mysteriën van Bayreuth. Dan heeft u immers dat vermoeiende, verongelijkte haat-liefde-gekibbel achter de rug van twee onvolwassen mensen, die niet willen en mogen toegeven dat ze elkaar willen bezitten en die pas in elkaars armen vallen als ze van de placeboliefdesdrank hebben gedronken. Ja: een placebo is het, want Wagner is te veel psycholoog om écht te geloven dat het om een toverdrank gaat (zoals hij ook aan de ring van de neveling natuurlijk niet letterlijk magische kracht toekent). – Hoe het echt zit: dat is te ingewikkeld om nu uit de doeken te doen. Later misschien.

Tweede akte. Na de akte van opwinding en frustratie komt de akte van de extase en het gemankeerde orgasme. Hier raken niet alleen de twee geliefden in elkaar verstrengeld, maar ook de Liefde en de Dood. Deze samenloop bereikt zijn diepste symbolische intensiteit als Isolde bij het vallen van de nacht het ontnuchterende licht van de fakkel dooft: een regieaanwijzing die uitdrukkelijk verwijst naar het iconografische motief van de genius des doods. We horen hier het mooiste en meest erotische duet uit het hele operarepertoire, het Je t’aime moi non plus van de klassieke muziek. De overweldigende spanning is vooral te danken aan de wanhopige waarschuwingen van de bediende Brangäne, die het taboe belichaamt. Het hachelijke liefdesspel wordt ten slotte ruw geïnterrumpeerd en de twee in de liefdesnacht ondergedoken schuinsmarcheerders worden tot de orde van de meedogenloze dag geroepen.

Derde akte. U hoeft nu nog maar één akte: de akte van de overgave en de berusting, waarin Tristan sterft aan de gevolgen van de schermutseling die niet kon uitblijven. Het is de akte die eindigt met de liefdesdood van Isolde. Met deze liefdesdood mondt ook de rusteloos kolkende muziek zelf uit in een oceaan van harmonie. De beide geliefden zijn nu geborgen in het duister-onbewuste van de dood: de dood die de onlosmakelijke keerzijde van de liefde is en haar uiteindelijke thuishaven.

***

Ik zie ijverige vingers omhoog gaan: Schopenhauer! Inderdaad: Tristan und Isolde is Schopenhauer op muziek. Dat heb ik ook maar ergens gelezen, maar het was inderdaad Wagners opzet. Laten we dit allemaal echter niet te serieus nemen. (Dat moet je bij Duitse romantiek sowieso überhaupt nooit doen.) Op de keper beschouwd vertolkt Wagner een wijsheid van de koude grond: de liefde heeft een pikzwarte schaduwzijde. De taboes waarmee de liefde is omgeven waarschuwen ons daarvoor – en maken tegelijk de verleiding des te sterker om een duik te nemen in de donkere nachtzijde ervan. En het maakt niet zo gek veel uit, of het gaat om de erotische liefde, de mystieke liefde of de liefde voor zoiets verfoeilijks als Wagners muziek. Want die laatste is gewoon de Vijftig Tinten Grijs van de snob.

Geef een reactie