De subtiele wraak van de muziek – naar aanleiding van Tristan und Isolde bij de Reisopera

In 2005 kwam de Radio Kamer Filharmonie tot stand. Het orkest was ontstaan uit een fusie van twee omroeporkesten, na lang getouwtrek rond beleidsnota’s en adviesrapporten onder het bewind van krentenwegende staatssecretarissen. Nadat het nieuwe orkest zich had geherformeerd, nam het ensemble op subtiele wijze wraak op het calculerende cultuurbeleid. Het nam wraak op de volwassen en professionele manier, die eigen is aan topmusici. Het deed namelijk gewoon datgene waarin het heel goed was: compromisloos musiceren. Het opende het seizoen met een concert waar de vonken van afstoven. Met andere woorden: het nieuwe ensemble liet zich niet kennen.

Spijtig bleef het toch: die afgedwongen fusie van het Radio Symfonie Orkest en het Radio Kamer Orkest. Naar beide ensembles werd vanuit het buitenland met respect en jaloezie gekeken. Beide waren het orkesten met een eigen karakter en een eigen traditie. Maar, zoals gezegd: de Radio Kamer Filharmonie groeide binnen de kortste keren samen tot een wendbaar gezelschap dat alles aankon.

Het kon nog erger, weten we nu. In 2010 kwam de coalitie van VVD en CDA tot stand die, met trillende handen en onder schot gehouden door de gedoogpartij van de Alleshater, tekende voor rigoureuze bezuinigingen op cultuur. De toon was gezet: het moest eens klaar zijn met die rijkeluiscultuur. De ‘onze-tijd-komt-nog-wel’-retoriek werd stap voor stap vertaald in beleid. Juist die politieke stromingen, die nooit moe werden erop te hameren dat we trots moesten durven zijn op onze nationale verworvenheden: juist zij zetten met droge ogen kostbare erfstukken aan de straat – waaronder alsnog de Radio Kamer Filharmonie.

Inmiddels begint het beleid zijn bittere vruchten af te werpen. Het genoemde orkest nam dit jaar afscheid en de Nationale Reisopera begon het nieuwe seizoen in gehavende staat – om een ander voorbeeld te noemen. Maar niet alleen het drama herhaalde en verdiepte zich. Ook het kleine wonder van veerkracht deed zich onlangs weer voor. Daarvan konden velen met mij afgelopen zondag getuige zijn. De tot ‘productiekern’ ingekrompen Reisopera bracht Wagners Tristan und Isolde in Enschede in première. En het klonk als een klok. Wéér liet een in het nauw gebrachte culturele onderneming zich niet kennen.

***

Velen zullen, met mij, sceptisch zijn geweest, toen zij vernamen van het plan van de Reisopera, om Wagners meest complexe muzikale drama in productie te nemen. Kan zo’n klein apparaat, met zo’n klein budget en met een ingevlogen regionaal orkest (het Noord Nederlands Orkest) dat veeleisende project wel aan? Nog niet zo lang geleden immers zat je vaak met gekromde tenen te luisteren naar regionale orkesten, die al uit de bocht vlogen bij het veel minder veeleisende Belcantorepertoire (u weet wel: het genre “verliefde mevrouw kwinkeleert dapper boven een vloertje van gemoedelijk kabbelende blazers en strijkers”) en met een beetje geluk was je na enkele dagen de namen van de ingehuurde Bulgaarse en Roemeense solisten alweer vergeten. Hoe moest dat nu met dat ongenaakbare monument van de rijpe Wagner? Dat werk waarin vooral het orkest het verhaal vertelt daarom en alle hoeken van kamer krijgt te zien? Dat werk waarin de solisten moet beschikken over stembanden, die in kracht en souplesse niet onderdoen voor de spieren van een Noordkoreaanse turnkampioene?

Er is de laatste jaren echter veel gebeurd. In betere tijden heeft de ‘provinciaalse’ Reisopera reeds laten zien, dat je niet alleen in Amsterdam, Wenen of Bayreuth hoeft te zijn voor kwaliteit – al blijven er binnen kwaliteit altijd gradaties bestaan, eerlijk is eerlijk. Bovendien zijn, mede dankzij gedreven en innovatieve dirigenten, onze provinciale orkesten boven zichzelf uitgestegen. En het gemiddelde niveau van jonge zangers en andere solisten stijgt alleen maar.

Maar goed, zult u zeggen: de Reisopera was na het bezuinigingstrauma misschien wel terug naar af? Al was het maar door het demoraliserende effect van dat trauma?

***

Niets is dus minder waar. Het Noord-Nederlands Orkest speelt nu Tristan, alsof het ervoor is gemaakt: zuiver en goed getimed, gedetailleerd en doorzichtig, trefzeker spelend met kleur en dynamiek, stijlvast en smaakvol. Speel het bijvoorbeeld maar eens klaar: om aan het begin van de tweede akte de verre jachthoorns te doen versmelten met een kabbelend beekje in de klarinetten en ritselende bladeren in de strijkers, om vervolgens het ijzingwekkende spinrag te weven van de liefdesnacht. Een perfect huwelijk van het orkest met de dirigent Antony Hermus moet mede de basis zijn voor dit resultaat.

De solisten en (spaarzame) koorzangers kunnen zich, gedragen door het perfecte klankweefsel, toeleggen op hun loodzware partijen, hetgeen zij met verve doen. Van de klank moet Claudia Iten – om één solist eruit te halen – het niet altijd hebben, maar het is een prestatie om tot de laatste snik van Isolde elke noot te leveren en daarin bovendien telkens de juiste emotie en betekenis te leggen. Zelden komen zoveel stemband en karakter samen in één zangeres. Als je zo sportief bent om je CD’s even te vergeten, moet je toegeven dat Wagner aan de zangerscrew van deze productie een uitstekende ambassadeur heeft.

Overigens moet ik aan dit alles toevoegen dat de kwaliteit afgelopen zondag nog eens werd verhoogd door het akoestisch volwaardige muziektheater in Enschede. Het is een schande dat dit verschijnsel in Nederland een zeldzaamheid is.

***

De Reisopera laat zich niet kennen. Ze is door geen bezuiniging moreel en muzikaal kapot te krijgen. Deze waarneming – ook door anderen gedaan – is echter hopelijk geen reden voor beleidsmakers om te denken, dat de roede van bezuinigingen ten goede komt de kwaliteit van onze podiumkunsten en dat ze dus gelijk hebben gekregen. Nee. De Reisopera heeft laten zien, dat ze hoogwaardige kwaliteit biedt. En dat beloon je.

In goede spullen investeer je. Het is dus niet verboden, om weer meer in onze cultuur te gaan investeren. Want daar hebben we iets aan, nu en later.

Geef een reactie