De overlast van onze ergernis

Het zal aan het begin van de eeuw zijn geweest. Ik zat weggedoken  in het morsige en muffe rode pluche van wat toen nog een eersteklascoupé heette. De mobiele telefoon was begonnen aan zijn opmars en op gezette tijden klonk her en der in het treinstel een bliepje of trillertje, waarna iemand met gedempte stem begon aan een – ongetwijfeld geen uitstel duldend – gesprek. De bellende reizigers hadden over het hoofd gezien dat ze in de zogenaamde ‘stiltecoupé’ zaten: een faciliteit die was uitgevonden in het kielzog van de mobiele telefoon.

Een reizende mevrouw liet echter haar argusogen als zoeklichten rondgaan door de coupé. Op het moment dat één van de forenzen of zakenreizigers aan een telefoongesprek begon, rees zij op uit haar stoel en beende zij af op de boosdoener als een kruisspin op een argeloos in haar web verstrikte geraakte vlieg. Daarop gaf ze de medereiziger een reprimande, met een dramatisch gebaar wijzend op de duidelijk zichtbaar aangebrachte stiltepictogrammen, om hem ten slotte met verbijsterd verstand en vermorzeld hart achter te laten, terwijl ze zelf haar uitkijkpost weer innam om te wachten op de volgende schending van de huisregels.

Een enkeling zette voorzichtigheidshalve zijn telefoon uit, om zichzelf de publieke bestraffing te besparen. Er waren echter genoeg brutale rekels over, die met uitdagende onbekommerdheid hun echtgenoten via de telefoon lieten weten hoe laat de ovenschotel de oven in kon. Hierdoor werd voorkomen dat de strenge mevrouw haar reistijd in ledigheid doorbracht. Haar NRC bleef onaangeroerd en verweesd in haar tas zitten. Het was een vrouw met een missie – en waarschijnlijk een hormonale aandoening.

De Boze Mevrouw deed tijdens deze treinreis – en waarschijnlijk tijdens al haar treinreizen – alles behalve de overlast reduceren die zij klaarblijkelijk ondervond van de bellende medereizigers. Als ze was blijven zitten en niet had gelet op de gedempte gesprekken met avondmalen bereidende of in de file staande echtgenoten, had ze haar NRC of een boek kunnen lezen, een dutje kunnen doen of haar vergaderstukken of vaktijdschriften kunnen doornemen. In plaats daarvan liet ze haar agenda volledig bepalen door het gedrag van de medereizigers. Per saldo had ze dus minstens evenveel last van hen.

***

Door dit incident ging ik me realiseren dat het begrip ‘last’ of ‘overlast’ niet altijd de bedoelde lading dekt. Wat betekent ‘last’ of ‘overlast’ immers? Het betekent dat het gedrag van een ander je belemmert in je bewegingsvrijheid, een onredelijk beslag legt op je tijd en energie of je confronteert met onaangename zintuiglijke indrukken (lawaai, stank, fel licht). Last of overlast in eigenlijke en strikte zin is een onmiddellijke inbreuk op je welzijn.

Wat wij echter feitelijk vaak bestempelen als ‘last’ of ‘overlast’, is gedrag waar wij iets van vinden, gedrag dat een inbreuk is op de normen die wij stilzwijgend of uitdrukkelijk hanteren. De ander belaagt ons niet rechtstreeks, maar via het gevoelige alarmsysteem van onze opvattingen.

Zo hebben wij bijvoorbeeld niet zozeer ‘last’ van de decibellen die telefonerende medereizigers veroorzaken  – wij accepteren immers wel het onderlinge voetbalgekakel van congresgangers of het gekeuvel van Margrietbeursbezoeksters – maar vinden wij gewoon dat bellen in ons bijzijn niet hoort, ook buiten de stiltecoupé. De context is overigens veelal bepalend voor de overlastkwalificatie. Het gekrijs van kinderen roept op het strand bijvoorbeeld een vakantiegevoel op. Datzelfde gedrag in een winkel wekt duistere krachten in ons tot leven.

Er is – met andere woorden – veelal geen sprake van ‘overlast’, maar van ‘ergernis’. Dat wij van die ergernis dan last hebben, staat buiten kijf. We hebben last van onszelf, doordat we ons zitten op te vreten of doordat we – zoals de mevrouw uit de anekdote – onze aandacht en agenda door het gedrag van anderen laten bepalen.

Overlast en ergernis lopen in elkaar over, maar zijn wel verschillende grootheden. Op een hoger en complexer niveau speelt dit ook wel mee bij de gevoelens van gekwetstheid en zich beledigd voelen, waarover ik vorige week schreef. Maar om dit uit te werken zijn meer woorden nodig – al is het maar om te voorkomen dat ik iemand krenk.

Hoe dan ook: laten we onszelf de overlast van onze eigen ergernis besparen. We hebben meer last van de sirenes van ons inbraakalarm, dan van de muizen die het doen afgaan.

Geef een reactie