De nederlaag van de wreedheid

Voor bepaalde beroepen is een zekere hardheid vereist. Soms wordt er al in de opleiding bewust een pantser van gevoelloosheid opgebouwd – bijvoorbeeld bij chirurgen, sporters en beroepsmilitairen. Soms ook ontstaat in de loop der tijd een eeltlaag. Verpleegkundigen, leraren en politiemensen bijvoorbeeld verleggen geleidelijk hun pijngrenzen of dempen bij wijze van overlevingsstrategie hun emoties. Het opbouwen van een pantser of het vormen van een eeltlaag is nuttig. Het maakt iemand weerbaar en houdt haar of hem overeind. Indringende gebeurtenissen kunnen niet uitgroeien tot psychotraumata. De beschermingsstrategie komt ten goede aan de nachtrust – zolang de trauma’s tenminste niet via nachtmerries en spookbeelden alsnog binnensluipen en de psychische stabiliteit ondermijnen. Vroeg of laat is deze inwendige tactiek van de verschroeide aarde echter uitgewerkt. Dat blijkt dan uit een burn-out of compensatiegedrag – zoals misbruik van drugs en alcohol, roekeloos rijgedrag en geweld tegen familieleden.

Het wordt ronduit problematisch als de onverschilligheid voor de eigen gevoelens gepaard gaat met gebrek aan invoelingsvermogen; als hardheid jegens zichzelf de keerzijde is van hartvochtigheid jegens anderen. Om maar geen water bij de wijn van doelen en denkbeelden te hoeven doen, onderdrukt een functionaris de empathie met de eventuele slachtoffers van haar of zijn rechtlijnigheid – zelfs als dat betekent dat naasten moeten worden opgeofferd. De geschiedenis, de literatuur en de filmgeschiedenis staan vol met voorbeelden hiervan: de rechter Jefta die zijn dochter offert, de orthodoxe dominee die zijn homoseksuele zoon verstoot, de generaal die zijn kinderen de dood in jaagt, de bewindspersoon die via bezuinigingen de zorg voor zijn eigen bejaarde ouders op het spel zet enzovoorts. Extreme voorbeelden zijn natuurlijk de oorlogszuchtige dictatoren die bereid zijn alles, maar dan ook alles op het spel te zetten. Deze mensen houden met een stalen gezicht vast aan hun denkbeelden en besluiten, hun koers of bevelen – ook en juist als het hun allernaasten raakt.  Ze maken zichzelf immuun voor datgene wat hen nog aan het twijfelen zou kunnen brengen: liefde. Het feit dat ze bereid zijn hun naasten op te offeren, zien ze zelfs als een legitimatie van hun visie of doel. Ze betalen de rekening immers zelf.

De Bijbelse icoon van deze houding is de Farao, wiens spreekwoordelijke hardheid de uittocht van Gods volk tegenhoudt en die zodoende een escalerende krachtmeting met de bevrijdende God aangaat. Zelfs als zijn eigen volk murw is gemaakt door negen plagen, blijft de Farao onverbiddelijk. Zijn hart versteent en hij is blijkbaar bereid om tot het uiterste te gaan. Het dieptepunt van de strijd wordt bereikt als de eerstgeborenen worden getroffen, het oudste kind van de Farao voorop (Ex. 12, 29). Dan geeft hij Mozes en zijn volk een vrije aftocht – om zich overigens alsnog te bedenken en (weliswaar te laat) de achtervolging in te zetten. Blijkbaar heeft hij zelfs van de dood van zijn kind nog niets geleerd – niet onverwacht, natuurlijk, want hij heeft het er zelf op aan laten komen.

Op zijn schilderij ‘De dood van Farao’s eerstgeborene’ legt Lourens (Lawrence) Alma Tadema (1836-1912) het moment vast, dat de Farao de rekening gepresenteerd krijgt. Alma Tadema gunt de koning nog een schijn van gevoel. Hij vecht met zijn tranen. Zijn misplaatste fierheid en de overtuigdheid van zijn eigen gelijk houden zich echter staande. Wij weten dat die laatste het zullen winnen van het verdriet. En dat Farao in alle opzichten de verliezer is.

***

De tentoonstelling “Alma Tadema, Klassieke verleiding” is te zien in het Fries Museum tot en met 7 februari 2017.

Het bovenstaande verscheen eerder als Column op De Bezieling.

Geef een reactie