De lucht van het voorbehoud

Als de blinde emotie en de pretentie van een bijna religieus gelijk het winnen van humor en redelijkheid: dan is een discussie stuk. Dit gebeurde de afgelopen weken met de discussie over Zwarte P. Aanvankelijk had ik er nog aan meegedaan. Toen het gesprek ontaardde in verbittering, trok ik me terug (niet als enige trouwens), verlamd als ik me voelde door de polarisatie. Wat ik ook zou hebben gezegd: ook en juist als het zou zijn bedoeld om nuances en nieuwe perspectieven in te brengen, zou het zijn opgevat als een defensieve partijkeuze voor één van de verharde standpunten.

Wat mij vooral blokkeerde is het ‘realisme’ van de beide kampen. Men is niet bereid om in de vormgeving van het kinderfeestje een spel te zien, dat allesbehalve de pretentie heeft om iets over de werkelijkheid te zeggen of om die werkelijkheid te beïnvloeden. Zwarte P. is volgens de strijdende partijen ofwel een diep gewortelde en genetisch verankerde, eeuwenoude traditie waarmee onze cultuur, saamhorigheid en identiteit staan of vallen ofwel de uiting en bevestiging van een ingekankerd racisme, dat aan de wortel ligt van alle misdrijven die onze natie heeft begaan en nog begaat.

***

Ik had hierbij een déjà-vu. Omdat ik theoloog ben en werkzaam in de RK Kerk, word ik op feesten en partijen vaak ter verantwoording geroepen, met name door babyboomers met een – overigens biografisch verklaarbare – wrok jegens de kerk. Hoe haal ik het in mijn hoofd om mij te verbinden met een instituut dat baadt in weelde, kinderen misbruikt, hulpprogramma’s in de Derde Wereld frustreert en los daarvan aparte metafysische onzin verkoopt? *)

Pogingen om zaken in een juist perspectief te plaatsen worden opgevat als een apologie en een bagatellisering van de aan de kaak gestelde problemen. Dit wantrouwen vind ik overigens tot op zekere hoogte invoelbaar, omdat kerkelijke autoriteiten en rechtse groeperingen inderdaad vaak met een defensieve reflex reageren op dergelijke kritiek.

Ik verwar en irriteer mijn gesprekspartners vooral als ik poog duidelijk te maken, dat er binnen de katholieke kerk ook andersdenkenden zijn. Ook kijken ze of ze water zien branden zodra ik me – als het gaat om leerstellingen en rituele vormen – een innerlijke afstand permitteer, een vrije ruimte tussen datgene wat mijn kerk zegt en doet enerzijds en mijn eigen opvattingen anderzijds, zonder dat ik daarmee iets wil afschaffen. Helemaal bont maak ik het blijkbaar als ik een bedremmeld agnosticisme combineer met uiterlijk conformisme in rituele vormen en Bijbels taalgebruik.

Dit laatste wordt overigens evenmin begrepen door sommige progressieve katholieken die – honend of verbeten – spotten over belijdenisteksten en dogma’s. Ze zouden die het liefst willen herformuleren of schrappen, zoals ze ook alle liturgische rituelen zouden willen reconstrueren, opdat deze weer een ‘uitdrukking’ worden van wat wij nu ‘echt’ vinden, voelen en denken.

Dit is een merkwaardige vorm van realisme, ja: rationalisme, dat veronderstelt dat wij rituele en verbale vormen doorzichtig kunnen maken op hun eigenlijke inhoud. Wie de grote, zelfkritische mystici en theologen een beetje kent – en die bestonden ook al vóór de boze Klaas Hendrikse of de beteuterde Carel Ter Linden – moet toch beter weten. Geloven heeft een opake, ondoorzichtige kern, waarop ons onvermogen stuit. De vooruitstrevenden zijn echter, wat hun realisme en rationalisme betreft, het volkomen spiegelbeeld van de meest geharde traditionalisten.

***

Wat de verwoede voor- en tegenstanders van Zwarte P. missen, is het zelfde wat de verbitterde afvalligen en de al te enthousiaste kerkvernieuwers (en natuurlijk hun tegenpolen) missen: het gevoel voor ironie als ‘oprecht veinzen’ (F. Kellendonk**). Wat ze ontberen is het besef, dat we er niet aan ontkomen om iets te zeggen (in woorden en gebaren), maar dat we hiervoor altijd moeten teruggrijpen op een aangereikt repertoire. Hun ontgaat het onherroepelijke gegeven, dat we dit altijd doen in ‘voorlopigheid’ en met ‘voorbehoud’, met een ludiek knipoog – omdat we nu eenmaal niet weten wat we eigenlijk willen zeggen.

Tenzij we onszelf en elkaar willen veroordelen tot zwijgen – en dus tot een nog grotere eenzaamheid dan de eenzaamheid waartoe we als mensen ten diepste toch al gedoemd zijn – zouden we wat onbekommerder moeten spreken, vieren en handelen, zolang de ‘lucht van het voorbehoud’, zoals Kellendonk zei, er maar in zit.

Er kan me veel gestolen worden. Ook Zwarte P. en desnoods het theater dat we de katholieke kerk noemen. Maar ik kan niet leven zonder de lucht van de ironie. Zonder die lucht lijden de samenleving en de kerk een langzame verstikkingsdood.

______________________

*) Overigens is de aanklacht van de critici wat milder geworden door de tactiek van game-changing van de huidige paus.

**) Kellendonk, F. ‘Idolen. Over het tweede gebod’. In: Het Complete Werk. Amsterdam 1992. Blz. 847- 860

2 thoughts on “De lucht van het voorbehoud


  1. Pingback: Het genot van de spelregels | Speelruimte

Geef een reactie