De koningin zucht – en terecht.

Ik verwed er een lief ding om, dat Hare Majesteit dit jaar weer voorkomt in de kerstcitatenpuzzel van dagblad Trouw. Ik gok dat het dan is met de uitspraak: ‘Anders wordt het zo’n toneelstukje.’ De koningin sprak deze woorden afgelopen week uit op de zuchtende wijze die we inmiddels van haar gewend zijn – en die maar al te invoelbaar begint te worden. Het was haar antwoord op het verzoek van de regisseur van de live uitzending van de kabinetsbeëdiging om het allemaal nog even over te doen.

Want – tja – die openbare beëdiging was natuurlijk een kijkcijferkanon van jewelste. En als de verbindingsofficieren van de publieke omroep in Hilversum hebben zitten slapen en te laat hebben ‘overgeschakeld’, dan laat je de koningin niet zo maar ontglippen naar één van haar privévertrekken. Nee, ze zal en moet ervoor zorgen dat de kijker alsnog live getuige is van de belofte of de eed van onze bewindslieden. Deze kijker heeft immers speciaal gebak laten bezorgen en zijn of haar beste vrienden uitgenodigd om samen te genieten van dit televisiehoogtepunt – uiteraard niet zonder van tevoren een weddenschap te hebben afgesloten over het aantal paarse bewindslieden dat net niet paars genoeg is om demonstratief een belofte af te leggen in plaats van een eed. (Bestaan er trouwens paarse tompouces? Soit.)

Ik sloot me aan bij de vorstelijke verzuchting. Niet dat ik een héél erg grote fan ben van de monarchie en het koninklijk huis. (Ik hoop overigens dat ik me van de juiste woorden bedien, want voordat ik het weet tikt een staatsrechtgeleerde of een redacteur van Blauw Bloed me corrigerend op de vingers en wijst hij of zij me subtiel op het verschil tussen de begrippen ‘koninklijke familie’, ‘koninklijk huis’, ‘koningshuis’ etc.) Al met al laat het koningschap mij koud. Misschien is dit terug te voeren op een Limburgs-katholieke onwennigheid tegenover de NCRV-opgewektheid, waarmee ik als jongeling de vorstin associeerde door toedoen van de grote boterbabbelaar Dick Passchier. Of dit echter een afdoende verklaring is, betwijfel ik echter. Ten diepste is de Limburger immers niet eens katholiek, maar vooral nihilistisch. Dit nihilisme verklaart mijn onverschilligheid tegenover Hare Majesteit misschien nog wel eerder.

Toch zal ik al met al geen voet verzetten voor het afschaffen van het koningshuis, al is het maar omdat ik het republikeinse ideaal bleek en bloedeloos vind. Maar… als onze halfslachtige bestuurders en journalisten blijkbaar vinden dat wij Nederlanders de monarchie zijn ontgroeid: laten ze dan eerlijk zijn, lef tonen en morgen nog de republiek uitroepen. Pak de vorstin niet sluipenderwijs haar informele bevoegdheden af, zoals bij de afgelopen kabinetsformatie. En dwing de koningin niet in de rol van een ceremoniemeesteres. Span haar niet voor het karretje van de mediatisering van de politiek. Ofwel je neemt Beatrix serieus – als persoon en als functionaris – of je geeft haar voorgoed vrijaf.

Wat nog wel het belangrijkste is: neem alsjeblieft onze instituties serieus. De beëdiging is geen ludieke ceremonie van het genre linten-doorknippen of oceaanstomers-dopen, doch een ritueel dat ons als zodanig even heilig moet zijn als andere rituelen in ons leven. De betekenis en de werking van een dergelijk ritueel hangt niet af van de toevallige verbinding met Hilversum en van de kijkdichtheid. De beëdiging is geen toneelstukje: als theoloog kan ik het Beatrix nazuchten. En als het dat wel is: vraag dan Yvon Jaspers om het te doen.

Geef een reactie