De huid van Wenen

Inmiddels ben ik weer een week terug uit Wenen. Geleidelijk vervagen de beelden in mijn hoofd, die ik tijdens een reis altijd onbewust opsla om me te kunnen oriënteren in de vreemde omgeving en die na het vertrek hun nut verliezen – en daarom ook zo snel vervluchtigen. Inmiddels zakt ook het ambigue mengsel van spijt en opluchting, waarmee ik iedere keer de terugreis aanvaard. Er is spijt omdat ik weer zo veel bezienswaardigheden en events links moest laten liggen. Er is opluchting omdat ik niet meer voortdurend waakzaam hoef te zijn om niet te verdwalen en om de stortvloed aan indrukken te verwerken. Reizen is blijkbaar frustrerend en vermoeiend.

Er is, telkens als ik Wenen verlaat, ook iets wat op verdriet lijkt, een soort heimwee. Het is echter eerlijker om te zeggen dat ik, uit het oogpunt van romantische correctheid, aan Wenen dit heimwee verschuldigd meen te zijn. Ik acht het mijn toeristische plicht, dat ik bij het vertrek en op de terugreis wegsmelt in weemoed en in een bij elke kilometer van verwijdering aanzwellend heimwee, met een brok in mijn keel Wien, Wien, nur du allein neuriënd. Daarom tracht ik plichtmatig dit bitterzoete sentiment bij mezelf op te wekken. Het is vergeefs – en na verloop van tijd verdwijnt deze aandrang dan ook.

Wat blijft is een bezonken en nuchter enthousiasme over deze stad, die ertoe leidt dat ik honderduit erover vertel aan wie het maar wil horen en dat ik twee meter boeken over Wenen in de kast heb staan. Men zou mij een fan kunnen noemen. Ik bezig deze platte formulering bij gebrek aan beter – want ik ben terughoudend om mij van uitdrukkingen te bedienen als ‘houden van’.

***

Wat kan de ‘liefde’ voor een stad immers betekenen? Ik vind het een te antropomorfe en personalistische categorie, zeker als daarbij nog eens wordt gesproken over de ‘ziel’ van een stad. Als stedenbezoeker ben ik een ietsist. Steden zijn voor mij niet iets om ‘u’ tegen te zingen – tenzij in een romantiserende stemming of in een vlaag van projectiedrang – doch min of meer samenhangende verzamelingen van menselijke artefacten zonder zoiets als een ‘ziel’.

Uiteraard kun je bij het bezoek aan een stad in een gemoedsgesteldheid raken die bedrieglijk dicht in de buurt komt van ‘liefde’ en die erop lijkt te duiden dat er wel degelijk zoiets bestaat als een ‘ziel’, waardoor een stad je voor zich inneemt en charmeert.

Zo kun je bijvoorbeeld opgaan in de ‘sfeer’ van een stad en je daarin thuis voelen. Dat lukt vooral bij steden die een eigenheid hebben ontwikkeld en behouden, zonder dat ze die krampachtig conserveren, ensceneren en musealiseren – hetgeen een hele prestatie op het gebied van evenwichtskunst is. Amsterdam, Gent en Rome beheersen deze kunst bijvoorbeeld – voorbeelden van de onbalans kent iedereen (Venetië, Brugge, Florence).

‘Sfeer’ is echter iets anders dan een ‘ziel’ en het opgaan in die ‘sfeer’ zou ik echter niet als ‘liefde’ willen kwalificeren. Het is te zeer een gênant soort genieten van andermans nestgeur, een legitiem maar toch wat pervers genot

Je kunt je ook laten imponeren door de historische, culturele en monumentale rijkdom van een stad, die tastbaar en voelbaar aanwezig is – of anders op zijn minst in verhalen is opgeslagen en door vertellers wordt bezworen. Dit kan leiden tot een bovengemiddelde interesse, tot fascinatie.

Is een levend archief echter een ‘ziel’? En zijn fascinatie en gepassioneerde belangstelling hetzelfde als liefde? Er lijkt eerder sprake te zijn van een soort intellectuele veroveringsdrang, een zintuiglijke weetgierigheid, een onkuise kunstmin, een platoons vermomde hebzucht, waarvoor je bovendien veel moet betalen – letterlijk in de vorm van entreegelden en in overdrachtelijke zin door de hierboven al genoemde frustratie en vermoeidheid die het resultaat zijn van de overweldigende overvloed.

***

Wat betreft Wenen en mijzelf kan ik in elk geval niet zeggen dat er sprake is van ‘liefde’ en van de daardoor veronderstelde ‘ziel’. Uiteraard ervaar ik ‘couleur locale’ in overvloed en spreekt de stad boekdelen aan verhalen. (Dat laatste doet zij overigens alleen op voorwaarde dat je je tevoren in haar geschiedenis verdiept. Uit zichzelf geeft zij zich immers niet zo eenvoudig prijs. Ze is daarvoor te kuis gekleed, met de Ringstrasse als kuisheidsgordel waaraan meerdere generaties van kunstenaars en intellectuelen probeerden te ontsnappen. Juist deze preutsheid ten aanzien van haar identiteit lijkt haar eigenheid uit te maken!) In overdrachtelijke zin waart er bovendien zeker een genius loci door kerken, kelders en koffiehuizen. Dit alles intrigeert me – doch van een ‘ziel’ zou ik niet willen spreken (al betrapte u mij zojuist op enkele wel zeer antropomorfe metaforen) en evenmin van liefde mijnerzijds – laat staan wederzijds.

Misschien is de zoektocht naar de ‘ziel’ – los van het feit dat ze, op steden toegepast, een projectie en categoriefout is – bij uitstek in relatie tot Wenen niet de juiste manier om de stad te benaderen. Je moet bij Wenen misschien juist niet te diep graven, doch haar precies in haar oppervlakkigheid serieus nemen. Je moet een schaamteloze, microscopische belangstelling voor haar huid opbrengen. Juist op die huid vind je dan de sporen die, in hun ongelijksoortigheid en tegenstrijdigheid, tegenstribbelend een samenhang vormen en als zodanig Wenen maken tot wat zij is. Uit de duizenden details bouwt zich iets op wat je de identiteit van de stad zou kunnen noemen. En deze oefent, in haar ambivalentie, op mij wel degelijk een charmante, magische werking uit.

Nee, ik houd niet van Wenen. De stad betovert mij echter wel degelijk.

 

***

 

Hieronder een willekeurige greep uit de amateurfoto’s van Wenens huid, die ik afgelopen week nam. 1. Het wandreliëf in het metrostationsgebouw à la Otto Wagner aan de Kettenbrückengasse. 2. De hemel boven Wenen, gezien vanuit één van de vele binnenplaatsjes, hier achter het Grillparzerhaus aan de Johannesgasse. 3. Het plafond van Otto Wagners Kirche am Steinhof. 4. Een trappenhuis in het voormalige Ursulinenklooster, nu studentenhuisvesting, aan de Johannesgasse. 5. De alomtegenwoordigheid van het rookgenot, waarmee de horeca nog steeds soepel omgaat. 6. Een onhandig aangebracht affiche over de Schielecollectie in het Leopoldmuseum. 7. De Spittelberggasse: een nog maar ten dele door toeristen ontdekte stedelijke oase. 8. De brutaal-provocerende blik van een kruisdragende Jezus uit de Gemäldegalerie in het Kunsthistorische Museum. 9. Een verbluffend vooruitstrevend portret van ‘Sisi’ door de Ringstrassenstijlschilder Anton Romako.

weblog 2015 mei de huid van wenenweblog 2015 mei hemelweblog 2015 mei kirche am steinhofweblog 2015 mei trappenhuisweblog 2015 mei roken magweblog 2015 mei schiele doorkijkjeweblog 2015 mei spittelbergweblog 2015 mei stoere jezusAnton_Romako_004

Geef een reactie