De flirtende theoloog en de ernst van de mystiek – over twee nieuwe boekjes

Als theoloog moet ik me schamen. Ik meen namelijk beroepshalve, de waarheid in pacht te hebben. Althans: een veel geleerdere collega van mij, de heer Ruard Ganzevoort, veronderstelt dit. Anders begrijp ik niet het klemmend beroep dat hij doet op zijn gildebroeders en –zusters, om deze claim nu eindelijk eens op te geven. Dit deed hij in de publicitaire aanloop naar de verschijning van zijn pamflet Spelen met heilig vuur. Bovendien siert dit – de academische wereld op zijn grondslagen schudden latende – appel tot theologische boetedoening ook de voorkant van zijn boekje.

In eerste instantie irriteert mij deze modieuze aandachtskreet. Niet omdat ik het er op zich niet mee eens ben. Het is immers zo’n nietszeggende, tautologische uitspraak waarmee je het niet oneens kunt zijn. Natuurlijk heeft niemand het waarheidsmonopolie. De uitspraak zou ik bovendien nog enigszins serieus nemen, als ze tenminste zou worden gedekt door wijsgerige bespiegelingen over de vraag wat we bedoelen met het begrip waarheid.

Die ambitie heeft de oneliner echter niet. In de marketingcontext wil hij kennelijk slechts retorisch appelleren aan een relativistisch levensgevoel, volgens het welke alles even betekenisvol en waar is – en dat je tot spelbreker verklaart als je een appel doet op rationaliteit en argumenten in discussies. (Zo’n spelbreker ben ik overigens inderdaad: ik claim niet de waarheid te bezitten, maar wel degelijk pretendeer ik het vermogen en de opdracht te hebben, om haar in een redelijke dialoog te zoeken. Theologie wordt volgens mij gedreven door de passie voor de waarheid – een waarheid die zij niet bezit, maar die wel haar horizon is.)

Laten we overigens eerlijk zijn: reclametechnisch is het een vondst. Want als je wilt scoren bij de zwevende en zwervende iets-zoekers van ons tijdsgewricht, moet je vooral heel hard van de daken schreeuwen dat je zelf helemaal niet van de waarheid bent. Als je al het woord waarheid bezigt, dan is het in uitspraken als “Iedereen heeft haar of zijn eigen waarheid”. Vinden de mensen leuk. En van de mensen moet je het hebben, als je boekjes wilt verkopen.

***

Gelukkig is de inhoud van het vlot geschreven boekje een stuk genuanceerder dan de gemakzuchtige ondertitel doet vrezen – al presenteert het gedachten die inmiddels gemeengoed zijn onder de hoofdstroomtheologen in ons land. Ganzevoorts kritiek op de vermeende waarheidsfixatie komt niet voort uit relativisme, maar is de keerzijde van zijn opvatting dat de theologie – die ook altijd een praktische wetenschap is geweest – wel degelijk iets te zeggen heeft, namelijk op het gebied van ‘wijsheid’ en levenskunst. Niet opzienbarend, maar uiteraard terecht is verder Ganzevoorts pleidooi voor een relevante, ‘publieke theologie’, die de traditie in de richting van onze cultuur vertolkt (en vice versa). Ganzevoorts programma is een theologie die in dialoog gaat met de cultuur in al haar ‘pluriformiteit’ .

Daarbij is zij wel degelijk kritisch en oplettend. De theologie zegt niet blindelings ja en amen op ‘schadelijke visies en dwaze standpunten’, aldus Ganzevoort. Je kunt natuurlijk wel blijven twisten over de vraag wanneer deze grens wordt overschreden en de kritiek begint. In zijn voorbeelden – aan het eind van het boekje – is Ganzevoort wel erg rekkelijk en verklaart hij wel erg gemakkelijk uilen tot valken en zwaluwen tot zomerbrengers. Het is natuurlijk een kwestie van smaak, maar ik vraag me af of het getuigt van moed of juist van koketterie als je Hazes oproept als getuige van geloof en hoop. Natuurlijk stelt Ganzevoort kritische vragen bij het rijke ideeëngoed van Hazes – maar waarom begint hij dan überhaupt aan deze theologische flirt? Er ligt zoveel meer en zoveel mooiers en diepers voor het oprapen in onze cultuur.

***

Ganzevoort brengt begrippen en beelden uit de traditie naar de oppervlakte van onze (pop-)cultuur. Dat er ook een andere beweging nodig en mogelijk is, laat een boekje zien dat een week eerder het licht zag. Het verhoudt zich complementair tot het pamflet van Ganzevoort. Twee vrijzinnige predikanten publiceerden hierin samen het resultaat van een theologische gedachtewisseling onder de titel Voetangels en klemtonen.

Waar Ganzevoort begrippen en beelden uit de traditie naar de oppervlakte brengt, proberen Siebrand en Hiemstra ze juist uit te diepen en zodoende uit te komen bij de radicale, explosieve, mystieke laag ervan – een laag waarin bijvoorbeeld kostbare fossielen als overgave en roeping opgeslagen liggen. Ook zij willen de theologie in dialoog brengen met het veelvormige leven in onze cultuur en ook zij zoeken naar de wijsheid en de kunst om te leven – maar ze gaan het verontrustende, de ernst en de pijngrens van de mystiek niet uit de weg. In het spoor van de echte mystieke traditie van Wittgenstein, Levinas en Weil bonzen ze tegen de poorten van het dogma en klimmen zij op tegen de klippen van de taal. Ze dringen door tot de gloeiende aardkern van onze cultuur en ‘spelen’ pas echt met ‘heilig vuur’.

***

Ganzevoort, R. Spelen met heilig vuur. Waarom de theologie haar claim op de waarheid moet opgeven. Ten Have 2013.

Siebrand, H. en Y. Hiemstra, Voetangels & Klemtonen. A word that breathes distinctly has not the power to die. Uitgeverij Pagina 3 – 2013.

2 thoughts on “De flirtende theoloog en de ernst van de mystiek – over twee nieuwe boekjes

  1. Pingback: Recensie Eric Corsius over Voetangels & KlemtonenVoetangels & Klemtonen

  2. Pingback: Enkele reacties op “Spelen met heilig vuur” | Ruard Ganzevoort blogt

Geef een reactie