De discreet zwijgende zwakte van het oude

Afgelopen weekend leverde ik weer een bijdrage aan de liturgie in de kloosterkerk van Wittem. Ik ben theoloog, maar geen priester. Mijn bijdrage beperkt zich daarom altijd tot de uitleg van de Bijbelteksten. Van de rituelen, formules en gebaren die zijn voorbehouden aan de ambtsdrager blijf ik af: noodgedwongen en van harte. Collegiaal verdelen een pater en ik het eervolle werk.  Hoe vrijmoedig ik ook de eeuwenoude teksten uitleg voor de toehoorders: met respect maak ik ruimte voor de priester en voeg ik me in het sacrale protocol.

Dat protocol zit de priester als gegoten en wordt door hem in een vloeiende beweging voltrokken. Hij treedt in de sporen die generaties voor hem uitgeslepen hebben en gaat met een soort heilige slordigheid en eerbiedige verveeldheid te werk. De gebaren en formules zijn sleets geworden: daarom zijn ze een glad kolfje naar zijn hand. Hij vraagt zich niet af wat hun bedoeling en oorsprong is. Ze zijn er gewoon en zitten goed.

Ik houd van die door veelvuldig gebruik glad gepolijste rituelen – als van glimmende, organisch gevormde keien op de bodem van een beek. Overigens beperkt mijn liefde voor versleten ceremoniën zich niet tot de katholieke liturgie. Ik geniet even goed van de stugge protestantse anti-rituelen met hun uitdrukkelijke soberheid – en zelfs van de officiële handelingen van onze vorstin of haar plaatsbekleders.

Natuurlijk weet ik dat er geleerden zijn, die al dat eerbiedwaardig ouds meedogenloos ontmaskeren. Veel liturgische handelingen hebben – zo onderwijzen ze – hun oorspronkelijke functie en zeggingskracht verloren, omdat de oorspronkelijke context ontbreekt. Al dat gebuig, al die wierook en al dat kwistig gebruik van water bijvoorbeeld: ze stammen af van lang vergeten hofrituelen of uit tijden dat hygiëne in de kerkelijke samenkomst geen overbodige luxe was. Toch houd ik ervan.

Ik ken ook de theologen die van die versleten vormen af willen, omdat ze het zicht zouden benemen op de ‘eigenlijke inhoud’. Ik ken de zielzorgers die terug willen naar de ‘kern’ en daarom naar nieuwe, ‘authentiekere’ vormen zoeken, die dichter bij de ‘inhoud’ liggen en meer zeggingskracht hebben. En toch geef ik de voorkeur aan die glad gepolijste rivierkeien.

Is dit romantiek? Wellicht. Het is echter misschien eerder achterdocht. Veel van de nieuwe vormen verhullen namelijk, dat de scheppers ervan in hun hart eigenlijk zeer behoudend zijn en dat zij aan ons oude wijn in nieuwe zakken willen slijten. Veel moderne voorgangers zijn marktkooplui die in hun denken stil zijn blijven staan, maar hooguit de verpakking hebben gepimpt. Maar ook deze argwaan is niet de kern van mijn bedenkingen. Het gaat me om iets radicalers.

***

Achter de vormvernieuwing schuilt de opvatting, dat we door de vormen héén kunnen kijken, dat we de ‘vorm’ van de ‘inhoud’ af kunnen wikkelen en zo rechtstreeks (of in elk geval dichter) bij de ‘inhoud’ kunnen komen. De vormvernieuwing gaat uit van de opvatting dat er uitdrukkingsmiddelen zijn, die betrouwbaarder, doorzichtiger, authentieker zijn dan de bestaande. En daar zit nu het probleem.

Vormen zijn inderdaad communicatiemiddelen. Maar het woord middel verwijst naar iets cruciaals. Als middel brengen vormen ons in contact met de ‘inhoud’, maar op het zelfde moment staan ze tussen ons en de ‘inhoud’ in. Bemiddeling en belemmering vallen samen. Vormen zijn – zo leren we van taalfilosofen en mystici – als een glasplaat. Ze geven ons enerzijds zicht op datgene wat er ‘achter’ ligt. Aan de andere kant zien we altijd – tegelijk en onafscheidelijk van de ‘inhoud’ – het troebele glas van de vorm. Dat geldt voor oude vormen, maar ook voor nieuwe.

Meer nog: die nieuwe vormen belemmeren juist nog sterker het zicht. Ze hebben immers iets opzettelijks, iets geconstrueerds en bedachts. De oude vormen zijn dan misschien een beslagen of troebele ruit. De nieuwe vormen zijn echter geen haar beter. Door hun grote mate van willekeur en subjectiviteit zijn ze als een spiegelende ruit, waarin we meer onszelf terugzien, dan datgene wat er eventueel ‘achter’ ligt. Zo komen we van de wal in de sloot.

Als ze dan ook nog de illusie wekken, dat ze transparanter of ‘onmiddellijker’ zijn, draaien nieuwe vormen ons bovendien een rad voor ogen. Onmiddellijke middelen bestaan niet.

Daarom geef ik de voorkeur aan de oude, versteende vormen. Ze geven me niet de illusie van directheid en doorzichtigheid. Door hun ondoorzichtigheid en oninzichtelijkheid herinneren zij eraan dat ze slechts middelen zijn. Ze geven als het ware van meet af aan hun eigen beperktheid en vergeefsheid toe – met een knipoog vol zelfspot. De keerzijde is dat oude vormen op discrete wijze het geheim intact laten van datgene waarnaar ze verwijzen. Ze roepen een heilige schroom op: de mystieke kiem van authentieke religiositeit.

Oude rituelen zijn eerlijker en bescheidener. En bovenal laten ze het mysterie met rust. We moeten dus niet zoeken naar vormen met meer ‘zeggingskracht’, doch de discreet zwijgende zwakte koesteren van het oude.

2 thoughts on “De discreet zwijgende zwakte van het oude



Geef een reactie