De crisis is geen kans om te grijpen maar een gelegenheid om na te denken

De corona-crisis is, zoals het woord zegt, een crisis. Niet meer en niet minder. Er staan zaken op het spel en er bestaan reële gevaren: voor de volksgezondheid en ieders individuele gezondheid, voor de maatschappelijke samenhang en de economie, voor de instituties in de zorg, het onderwijs, de wetenschap en de cultuur – en voor de kerken. Met man en macht wordt gewerkt om het schip tussen de klippen door te loodsen. De crisis is geen ‘kans’ of ‘uitdaging’, zoals er her en der in modieus en quasi-spiritueel managementboekjargon wordt verkondigd. Daarvoor is de situatie te ernstig. Een epidemie is geen sportevenement.

Het spreken over ‘kansen’ is helaas echter ook in kerkelijke kringen aan de orde van de dag. Vooral vooruitstrevende, creatieve en innovatieve zielen in de katholieke kerk  zien plotseling mogelijkheden. Op zich is dit begrijpelijk. De laatste decennia is er immers veel gesproken over en gewerkt aan alternatieven voor de sleets geraakte, klerikale organisatievormen en liturgische praktijken. Pogingen om open te discussiëren en vrijelijk te experimenten zijn echter stelselmatig gefrustreerd. Geen wonder dus, dat de vernieuwingsgezinden de gevolgen van de crisis als bevrijdend ervaren. Veranderingen worden nu afgedwongen. Nu mag niet alleen, maar moet zelfs worden geïmproviseerd. De eredienst is opeens niet meer gebonden aan een gebouw en een (mannelijke) beroepsgroep.

Het is echter maar de vraag, of het van smaak en tact getuigt, om de huidige crisis als een ‘blessing in disguise’  te zien.  Lijden en risico’s worden hiermee ge-instrumentaliseerd. De kansenretoriek heeft daardoor een cynische bijklank. De progressieven verlenen zichzelf en hun zaak bovendien een slechte dienst. Uit nood of wanhoop geboren zelfkritiek en creativiteit kunnen nooit tot een duurzame hervorming leiden. Die komt er alleen, als er fundamenteel wordt nagedacht en inhoudelijk wordt gedebatteerd. Het feit dat mensen niet meer naar de kerk kunnen gaan, vervangt niet de broodnodige theologische doordenking van wat wenselijk, noodzakelijk en heilzaam is. Dat we het gesprek daarover bij uitstek nu kunnen en moeten voeren,  staat voor mij als een paal boven water, maar niet omdat we misschien ‘eindelijk gelijk krijgen’,  maar omdat we even niets anders te doen hebben. We hebben nu tijd voor reflectie – een reflectie die we, uit ontmoediging of onder het gemakzuchtige  mom van praktijkgerichtheid, jarenlang hebben laten liggen en hebben overgelaten aan een handvol specialisten.

Binnen de kansenretoriek wordt op één punt overigens echt een grens overschreden. Er zijn vertolkers van deze logica, die lyrisch zijn over de door de situatie opgelegde ‘liturgie aan de keukentafel’.  Euforisch verkondigen zij, dat we weer terug zijn in de tijd van de eerste christenen en hun ‘huiskerken’.   Als we echter menen, dat we kunnen leven als de ‘eerste christenen’ (die overigens als vriendengroepen bij elkaar kwamen en niet als eensgezinswoninggezinnen), is dat in het gunstigste geval een kinderlijke vorm van bijbeltje-naspelen, maar ten diepste een hachelijke illusie. We kunnen immers geen reis in de tijd maken en er is zeker geen continue lijn te trekken van het Nieuwe Testament naar het heden. We kunnen niet net doen alsof er geen tweeduizend jaar kerkgeschiedenis en wereldgeschiedenis zijn verstreken, die ‘ons christenen’ onze onschuld hebben doen verliezen.  En in onze windstreken –  met de onbetwiste invloed, vrijheid en welvaart van de kerken – is het ook nogal hoogmoedig, om ons op één lijn te plaatsen met de generaties, die de naam van christen met bloed hebben moeten betalen.

We leven in een ongehoorde tijd. De pandemie is een onversneden crisis, ook voor de kerken.  Zolang we die echter benoemen als ‘kans’ , is dat een teken, dat de ernst van de situatie niet echt tot ons is doorgedrongen. Dit sluit niet uit, dat we wel degelijk kunnen reageren op de crisis. We zullen wel moeten. Maar wat we moeten doen, is niet het ‘grijpen van een kans’, maar het nemen van onze verantwoordelijkheid, voor onszelf en voor anderen, voor de korte en voor de lange termijn. We moeten er het beste van maken. Dat vraagt wendbaarheid, durf, intellectuele inspanning en offerbereidheid. En als achteraf blijkt, dat we er ook iets nieuws van hebben kunnen leren: dan is dat mooi meegenomen. Maar dat zien we later dan wel.

Geef een reactie