Ad fundum! – over remonstranten, vrijheid en vogelsoorten

Het moet me van het hart, dat ik nogal moeite heb met de nieuwe ronde in de campagne van de remonstranten. Mijn probleem is niet ‘theologisch’ van aard. Zoals ik eerder al heb geschreven, heb ik geen bezwaar tegen de uitdrukking ‘mijn god’, zolang als deze ironisch en binnen de grenzen van een welomschreven taalspel wordt gebezigd – want anders is wel degelijk Lessings verzuchting “Wie behoort god toe? Wat is dat voor een god, die aan een mens toebehoort!?” van toepassing.

Er is echter iets anders aan de hand.

Mijn reden om remonstrants te zijn bestaat erin, dat de vrijheid in de Arminiaanse theologische traditie geen ‘kwestie’ is of een ‘probleem’ – althans niet op de eerste plaats – doch is verankerd en geworteld in het zelfverstaan, in de confessie. In de (midden-)orthodoxe en katholieke milieus – waarin ik ook verkeer – wordt weliswaar vaak lippendienst bewezen aan de vrijheid en wordt deze weliswaar erkend. De erkenning heeft echter steevast de bijsmaak van een concessie. “Vrijheid, omdat het moet”. De vrijheid wordt, zelfs in zogenaamde ‘progressieve’ kringen, dankbaar van de Verlichting aanvaard als een donororgaan – doch de moeizaam onderdrukte afstotingsverschijnselen zijn onmiskenbaar. Alleen bij de remonstranten is vrijheid inherent aan het geloof en wordt zij niet als een op te lossen probleem ervaren.

Daarbij teken ik meteen aan dat die vrijheid complex van aard is. De vrijheid gaat onlosmakelijk gepaard met de keerzijde van roeping en verantwoordelijkheid. Nog beter uitgedrukt (want mijn woordkeuze suggereert nog te zeer een uitwendig verband): roeping en verantwoordelijkheid vormen een constitutief en intrinsiek bestanddeel van de vrijheid. De vrijheid wordt geboren in en uit deze verantwoordelijkheid en kan zich ook alleen hierin ontplooien en uitdrukken. Als het geen vloek zou zijn in de Arminiaanse kerk zou ik zeggen: wij mensen zijn gepredestineerd tot vrijheid. In vrijheid gesteld worden en verantwoordelijk gesteld worden vallen samen.

(Deze Levinasiaanse opvatting behelst overigens iets anders dan het paternalistische katholieke cliché dat vrijheid altijd ‘geschonken vrijheid’ is. Dit is niet meer dan een variant van de genoemde concessie van schijnvrijheid. Het is een bevoogdend toekennen van een speelterrein, waarvan de perken door anderen namens god worden aangegeven.)

Welnu: het is juist de intrinsieke band van vrijheid en roeping, alsmede de ernst die er eigen aan is, die ik mis in de campagne van de remonstranten. Vrijheid heeft hier iets burgerlijk-vrijblijvends. Deze indruk hangt vooral samen met de culturele sfeer die er hangt rond de campagne-uitingen en die vooral appelleert aan de leefwereld van postmaterialisten die het goed getroffen hebben qua inkomen, vrije tijd en zichzelf. (Het beeld van god als paradijsvogel – vergeef me – doet bovendien een wel erg groot beroep op mijn taalspelvermogen en op de rekkelijkheid van mijn humor.)

Mede-remonstranten: over welke vrijheid hebben we het? En over welke god (en eventueel vogelsoorten) hebben we het in dit verband? Over god als een grote Knuffel-Pino? Een god die ons op een infantiliserende en betuttelende wijze laat spelen met de kaarten die het leven ons rijkelijk heeft toebedeeld? Of over een god die ons uitdaagt om de grenzen op te zoeken van de speelruimte van ons leven? Die ons roept om alle verantwoordelijkheid die in ons is en waarop van buiten af een beroep wordt gedaan, uit te putten tot op de bodem, tot en met het bitterzoete bezinksel?

Ad fundum, mede-remonstranten! Laten we niet blijven steken bij de postmoderne oppervlakte van de vrijheid. Onze god is geen dure bubbelwijn.

 

***

 

Naschrift over god als vogel

Als we dan toch bij de vogelmetafoor moeten blijven, dan zie ik ‘onze god’ toch bij voorkeur als Rilke in zijn Stundenbuch. In één van de gedichten in deze cyclus wordt indirect en onbedoeld een beeld gegeven van de inzet van de vrijzinnigheid.  Het begint aldus:

„Wenn ich gewachsen wäre irgendwo,
wo leichtere Tage sind und schlanke Stunden,
ich hätte dir ein großes Fest erfunden,
und meine Hände hielten dich nicht so,
wie sie dich manchmal halten, bang und hart.“

[„Als ik zou zijn (op-)gegroeid ergens, waar de dagen minder zwaar zijn en de uren slank, dan zou ik voor jou een groots feest hebben bedacht. Mijn handen zouden ze niet zo vasthouden, zoals ze je soms vasthouden: angstig en hard.”]

Dan geeft de dichter een beschrijving van dat ‘grote feest’, om daarna een contrast te tekenen. In deze contrast-scene worden de rollen tussen god en mens omgedraaid. God is het uit zijn nest gevallen vogeltje dat een wanhopig beroep doet op onze zorgzaamheid. Vergeefs?

„oder

es kann auch sein: ich fand
dich einmal…
Meine Freunde sind weit,
ich höre kaum noch ihr Lachen schallen;
und du: du bist aus dem Nest gefallen,
bist ein junger Vogel mit gelben Krallen
und großen Augen und tust mir leid.
(Meine Hand ist dir viel zu breit.)
Und ich heb mit dem Finger vom Quell einen Tropfen
und lausche, ob du ihn lechzend langst,
und ich fühle dein Herz und meines klopfen
und beide aus Angst.“

 [„of het kan ook zo zijn: ik vond je een keer… Mijn vrienden zijn ver weg. Ik hoor nauwelijks nog de galm van hun lachen. En jij: jij bent uit je nest gevallen. Je bent een jonge vogel met gele klauwtjes en grote ogen. Je wekt mijn medelijden op. (Mijn hand is voor jou veel te breed.) En ik til met mijn vinger uit de bron een druppel en luister of je hem snakkend kunt opslurpen … en ik voel jouw hart en het mijne kloppen en beide uit angst.”]

 De volledige versie van het gedicht vind je hier: Gedicht Rilke.

Geef een reactie