Aanraken alstublieft!

Er zijn twee soorten kunstenaars: de onaanraakbaren en degenen die zich laten aanraken.

Tot de onaanraakbaren horen natuurlijk de eerbiedwaardige oude meesters, die terecht met veiligheidsmaatregelen worden omgeven. Voorts zijn er de levende kunstenaars die over hun broze en kwetsbare producten zorgvuldig laten waken door conservatoren. De materiaalkeuze speelt daarbij som een rol: een pindakaasvloer, een zijden plastiek of een zandtapijt is natuurlijk erg kwetsbaar. Maar zelfs kloeke stalen kubussen worden soms behoed als een zuigeling.

De onaanraakbaren vinden we ook veel in de uitvoerende kunsten. Tot deze groep hoort de musicus of acteur die van de wijs raakt door hoesters, de dirigent die van slag is als er ‘tussen de delen’ wordt geklapt of de barokmusicus die paniekerig op de vlucht slaat als een fuga van Bach niet ‘authentiek’ wordt uitgevoerd. Dan zijn er ook nog de schrijvers en toondichters die in elk citaat plagiaat zien en architecten die naar de rechter stappen als een jaloezietje de uitgebalanceerde vlakverdeling in hun gevel verstoort.

Tegenover deze kruidje-roer-me-niets staan degenen die het allemaal niet zo nauw nemen, de raak-me-aans. Ze nodigen het publiek uit om hun werk te betasten of erover heen te lopen – met als bekend voorbeeld Jean Dubuffet met zijn Jardin d’émail in de beeldenruin van het Kröller-Müller-Museum. De podiumartiesten onder hen juichen het toe als het publiek zijn enthousiasme uit door voortijdig applaus. De schrijvers zien het als een eer en een uitnodiging tot gesprek, als hun woorden worden geciteerd en als anderen op hun werk variëren en voortborduren.

Al is de eerste categorie wellicht al te angstvallig of te krampachtig en kan de tweede categorie misschien wat slordig of gemakzuchtig overkomen: beide groepen hebben ergens gelijk. Dit heeft te maken met een fundamentele paradox die eigen is aan kunst – en die de kunst gemeen heeft met symbolen, rituelen en religieuze teksten. Een kunstwerk verwijst naar een mysterie: het mysterie van het object dat wordt verbeeld en van het subject dat zich erin uitdrukt. Dit mysterie is volstrekt aangewezen op dat kunstwerk. Zonder vorm vervliegt de inhoud. In het broze vat van de vorm schuilt het kostbare goed van de inhoud, die niet los verkrijgbaar is. Daarom omgeven we het vat met zorg. Aan de andere kant is het kunstwerk is ook relatief. Het valt niet samen met het mysterie waarnaar het verwijst. Het verwijst er ‘slechts’ naar, het is ‘slechts’ een vat, een vorm. De inhoud trekt zich terug zodra het zich vertoont, het verhult zich du moment dat het zich onthult. Daarom is het kunstwerk als zodanig niet heilig en kan het zichzelf niet al te serieus nemen.

De onaanraakbaren en aanraakbaren hebben beide een aandeel in deze paradoxale waarheid. De onaanraakbaren nemen de kunst serieus, voor zover ze serieus moet worden genomen. Ze wapenen ons tegen relativisme en tegen het trivialiseren van de vorm die zo innig is verstrengeld met de inhoud. Uiteraard lopen ze het gevaar om werken en hun makers onnodig heilig te verklaren. De raakbaren op hun beurt zien kunst daarom terecht in perspectief en relativeren haar. Ze genezen ons van contactvrees en laten ons ondervinden dat er niets kan gebeuren als we kunst aanraken. Dit heeft overigens ook te maken met het besef dat goede kunst wel tegen een stootje kan. De raakbare kunstenaar stelt zich niet ‘kwetsbaar’ op, zoals het cliché zegt, maar juist zelfbewust.

We zullen uiteraard ons erfgoed moeten blijven beschermen tegen de slordigheid van het publiek – en zeker tegen cultuurbarbaren. Los daarvan ga ik echter, in deze narcistische en opvliegerige tijd, steeds meer sympathiseren met de raakbaren. Ze sluiten zich niet op in hun ivoren toren, nemen zichzelf niet al te serieus – en het publiek daarentegen des te meer. Dit dwingt meer respect af dan het zichzelf omgeven met de bomgordel van taboes.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Geef een reactie