Geloven is geen troosteten.

Op mijn column over de Kosmische Knuffelbeer kwam, behalve veel uitingen van bijval, kritiek en verbazing, ook menige uitdagende vraag. Een van die vragen was, of ik helemaal uitsluit dat geloven ook een bron van troost kan zijn? Is er alleen maar sprake van aanstoot en confrontatie? En als dat zo is: wat betekent dit dan voor pastoraat? Kan de zielzorger alleen maar een boeman zijn? En wie zit er dan nog op haar of hem de wachten? Deze vraagstelling mondt soms zelfs uit in een gewetensvraag. Wat breng ik zelf dan te berde in het vertrouwelijke gesprek of op de kansel? Zit er dan geen woord van bemoediging in?

Om maar meteen met dat laatste te beginnen: eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat bij mij theorie en praktijk op gespannen voet staan met elkaar.

Als theoloog kan ik god niet anders zien dan een zwerfkei, waarop de ploeg van ons verstand en ons gevoel stukbreekt en waaraan wij schaafwonden en kneuzingen oplopen. Onze vragen en behoeften ketsen op hem af – laat staan dat we kunnen hopen op antwoord of vervulling. Geloven is geen verwen-arrangement en bidden geen troosteten. Het gaat bij het geloof niet om ons geluk, maar om zijn heerschappij en heerlijkheid. (Nee, ik ga hier nu eens géén aanhalingstekens plaatsen en ga eens niet de woordkeuze nuanceren of in verzachtend perspectief plaatsen uit ‘horror voor het concrete’, om het met Barth te zeggen.)

Aan de andere kant ben ik op gezette tijden gesprekspartner of predikant voor mensen met – vergeef me de technische term, want meer is het niet – zogenaamde ‘zinvragen’. Dan ontkom ik er niet aan, om me te verplaatsen en in te leven in degene die tegenover me zit met dat gapende gat in haar of zijn ziel. Ik stel me dan wel degelijk tot doel die ander te bemoedigen en te troosten. Ik zie niets liever dan mensen die na een gesprek of een preek fluitend hun leven hervatten. Wie ben ik om haar of hem moedwillig te desillusioneren? Dan ‘geef’ ik mensen liever hun ‘zin’.

Ben ik nu een gespleten persoonlijkheid of – erger nog – een opportunist? Misschien wel… Misschien ben ik echter gewoon te eigenwijs om koste wat kost te proberen om een ‘cognitieve dissonantie’ op te lossen. Niet alleen houd ik van onbehaaglijkheid in de theologie zelf. Ik cultiveer ook het ongemak dat is gelegen in de spanning tussen die theologie enerzijds en het dagelijks leven anderzijds. Ik wil god niet domesticeren omwille van de mensen, zoals ik mensen niet op de pijnbank wil leggen omwille van mijn theologie. God is god en mensen zijn mensen. (Jezus kon het blijkbaar tegelijk zijn, althans volgens het concilie van Chalcedon – maar niemand heeft hem dat nog nagedaan.)

***

Nu we toch zo ontboezemend bij elkaar zijn, geef ik toe dat er intussen in mijn brein wel degelijk druk wordt  geschakeld en gekoppeld om de disharmonie enigermate op te lossen. Kunnen de theoloog en de ‘zingever’ in mij elkaar ergens vinden? Een wapenstilstand lijkt me inderdaad wel haalbaar. Hieronder leest u de condities. Ze vragen om verdere uitwerking.

Ik blijf van mening dat god zelf niet een bron van troost is en dat we hem niet moeten instrumentaliseren als zodanig. Bronnen van troost zijn er al te over: in de liefde en de vriendschap, in de kunst en de wetenschap, in goed eten en drinken, in alles wat ons lichamelijk en mentaal deugd doet. Het getuigt wel erg van een verwend karakter, als we de gever willen verslinden omdat we de gaven beneden onze stand achten. Zelfs of bij uitstek de mystiek zegt dat god er niet is om van te genieten of opdat wij worden vervuld, maar dat het erom gaat om ons te ontledigen en plaats te maken voor hem of om door hem te worden verslonden.

Hetgeen niet wegneemt dat elke haar op ons hoofd is geteld en de dagelijkse levensbehoefte aan troost god niet ontgaat – naar verluidt. En zoals we in het klassieke daglonersgebed iedere dag weer onze hand ophouden en vragen om ons ‘dagelijks brood’, zo kunnen we ook die behoefte aan troost steeds weer aan hem voorleggen, als behoefte. Het zou wel eens kunnen dat dit niet aan dovemansoren is gericht en dat ons, als bijproduct en onderpand van gods rijk, een dagrantsoen aan troost wordt toegeworpen. God is niet onze troost, maar wil het ons wellicht wel geven. Als die gedachte op zijn beurt een bron van troost is: soit.

En wat het belangrijkste is: we kunnen die troost ook mogelijk maken voor elkaar. Troost is vooral een genot als we het geven. Troost hebben we zelf in de hand.

2 thoughts on “Geloven is geen troosteten.

  1. “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord. Ik ken hun lijden”. Is dat geen troostende God? Staat gewoon in de Bijbel (Exodus 3, 7). Je hoeft helemaal geen disharmonie op te lossen. De oplossing is dat God groter (veelzijdiger, vreemder, anders) is dan jij je kunt voorstellen.


    1. Dat laatste is in elk geval waar, Ageeth. Voor het overige blijf ik worstelen en nadenken. De tekst uit Exodus heeft voor mij de zelfde waarde als de door mij aangehaalde passage Mt. 10, 30. Het is een belofte en als zodanig eventueel een indirecte bron van troost, maar geen bron van troost in het hier en nu. Bovendien is het een partijdige belofte en het begin van een lange weg. God is geen warm bad. Maar misschien haal ik (zoals wel vaker) dingen door elkaar, i.c. verschillende vormen van troost. Dank voor je reactie.


Geef een reactie