Hoogmoed of haast? Over Faust bij Goethe en Lessing

Doordat ik de verleiding niet kon weerstaan, ga ik dit voorjaar beginnen met een leescursus over de Faust van J.W. von Goethe. Nu heb ik met Goethe een haat-liefde-verhouding. Dat heeft vooral te maken met zijn bijwijlen opgeklopte tuttig-esoterische levensleer. De perfecte taalbeheersing wint het echter toch telkenmale. (Diepgang zit bij kunstenaars wel vaker meer in de vorm dan in de inhoud.) Wie de Faust gaat lezen, zal dan ook vanzelf worden gedragen en meegenomen door  de muzikaliteit van de taal. De tijd zal voorbij vliegen.

Anderzijds zal de lezeres of lezer veel geduld en zitvlees moeten mee- en opbrengen. Dat begint al met de drie poëtische inleidingen waar de lezer doorheen moet, vooraleer hij of zij bij ‘des Pudels Kern’ terecht komt. Het zijn als het ware drie kerkportalen die je voorbereiden op de verwarrend gewijd-profane sfeer en de kleurrijke pracht van het totaalkunstwerk.

Spijt van een jeugdzonde?

De inleidende bespiegelingen hebben ook de functie van een verantwoording. Toen Goethe op rijpe leeftijd begon te werken aan datgene wat we nu kennen als de Fausttragedie (in twee delen), hernam hij namelijk een jeugdwerk: de ongeslepen diamant van de Urfaust, geschreven in zijn wilde ‘Sturm-und-Drang’-jaren’. In zijn inleidende woorden zinspeelt de auteur op deze omstandigheid.

In één van drie inleidingen – het Voorspel op het theater – pleit de daar ten tonele gevoerde ‘dichter’ er bijvoorbeeld voor, dat kunstwerken soms een tijdje moeten rijpen vooraleer zij definitief het daglicht zien. De dichter geeft immers de voorkeur aan ‘lieflijk dwalen’ in plaats van het trekken van sprintjes – zoals de ‘nar’ zal beamen. Had Goethe spijt van de jeugdige ‘turboversie’ van zijn Faust en legde hij daarom deze woorden in de mond van de dichter?  Of herkende hij zich toch meer in de ‘theaterdirecteur’ die het publiek bij de lurven wil pakken en daarbij niet terugschrikt voor special effects en gehaaide commerciële timing?

Waarschijnlijk woonden beide zielen in Goethes borst. Hij was immers zowel vrije kunstenaar als gebonden lid van de bestuurlijke elite – en een man met kunst-economisch instinct. Wie weet heeft van deze spanning, leest het ‘voorspel’ als een interessante dialoog over het wat modieus geworden thema van de ‘kairos’, de ‘juiste tijd’. Alles draait hier om geduld en timing.

Hoogmoed of haast?

Ook G.E. Lessing, een oudere tijdgenoot van Goethe, heeft zich beziggehouden met de Faustthematiek. Uit de schamele fragmenten die zijn overgebleven van dit onvoltooide werk blijkt, dat Lessing in zijn versie de ‘tijd’ als centraal onderwerp aan de orde wilde stellen – en niet bijvoorbeeld de hoogmoed van de jacht naar kennis. De misstap die Faust beging, bestond er volgens Lessing in dat hij op zijn zoektocht naar de kennis (een oogmerk waarover de verlichtingsdenker Lessing op zichzelf alleen maar lof kon hebben) de snelste en kortste weg wilde bewandelen. Hij riep namelijk die demon aan, die een kampioen was in snelheid. Fausts ‘zonde’ was dat hij de hulp van ‘snelle jongens’ inschakelde en van de wijsheid een plofkip maakte. Niet de hoogmoed, doch de haast was zijn valkuil.

Faust had, met andere woorden, niet de les geleerd, die ligt vervat in Lessings eigen werkje De opvoeding van het menselijk geslacht. Faust ontbeerde het besef dat kennis en wijsheid tot stand komen langs de vele omzwervingen van het collectief en de enkeling – en dus tijd nodig heeft, zo nodig eeuwen. Wie kennis en wijsheid wil forceren en in zijn eigen richting wil opjagen maakt zich schuldig aan ‘dweepzucht’ – wij zouden zeggen: fanatisme.

Haast u langzaam

Dichters en denkers hebben makkelijk praten. Diplomaten en politici, ondernemers en professionals, opvoeders en vrienden: zij staan geregeld voor keuzesituaties die om een snel antwoord vragen. ‘Lieflijk dwalen’ is dan een luxe die men zich niet kan veroorloven. Toch zou het goed zijn als men vaker zou beseffen dat dadendrang geen doel in zichzelf is. Hopelijk zijn degenen, in wier handen op dit moment het lot van Europa’s de economische en politieke stabiliteit ligt (om maar een voorbeeld te noemen), in staat en bereid om van zichzelf tijd te kopen en kunnen zij de paradox opbrengen van ‘bedachtzame vaart’ – om het te formuleren in de verzoenende woorden van de ‘nar’ in het Voorspel.

One thought on “Hoogmoed of haast? Over Faust bij Goethe en Lessing

  1. Pingback: Blog: Hoogmoed of haast? Over Faust bij Goethe en Lessing | ensafh

Geef een reactie