Korte lontjes

Op vrijdag 20 december ging ik vanuit mijn laatste werkafspraak naar huis met een redelijke voorraad vrije tijd en met enkele bescheiden financiële extraatjes. Veertien dagen later stel ik vast, dat zowel de verlofuren als de kerstbonussen ongemerkt in rook zijn opgegaan.

De extra tijd vliegt immers voorbij in een periode van sociale verplichtingen. Bovendien heb ik de merkwaardige eigenschap om in verlofperioden mijn leeftempo te vertragen, zodat een eenheid tijd ook minder waarde vertegenwoordigt. Met andere woorden: ik knoei meer met mijn tijd, naarmate ik er meer van heb.

Ook de extra financiële armslag blijkt iedere keer weer een illusie, want het lijkt alsof de verzenders van facturen en aanslagen als aasgieren op de uitkijk hebben gestaan en zich rond de jaarwisseling collectief storten op de niets vermoedende consument, abonnee, verzekerde of belastingplichtige. En ook wat betreft mijn geld ben ik geneigd er slordiger mee om te gaan, als ik er wat ruimer over beschik.

Ook als je je geld niet ‘verspilt’ aan consumentenvuurwerk, blijven er in de feestdagentijd genoeg nutteloze en – erger nog – zinloze zaken over, om geld en tijd aan te spenderen. Aangezien ik onlangs in de Toverberg het hoofdstuk had gelezen, waarin Thomas Mann onbarmhartig beschrijft hoe de bewoners van het sanatorium de tijd en hun geest doden met verzamelwoede, spelletjes, rariteiten en noviteiten – soms op het ‘unheimliche’ af – kon ik de afgelopen tijd slechts met het schaamrood op de kaken in de spiegel kijken.

Ik kon mijn geweten gelukkig in slaap wiegen met de gedachte, dat Thomas Mann hier een toespeling maakt op de decadentie die Europa had uitgehold aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog – en dat het hoofdstuk over de ‘stompzinnigheid’ dus over iets heel anders ging dan over decompressieverschijnselen na een paar maanden hard werken.

***

Dit neemt dit weg dat Manns beschrijving van de jolige en losgeslagen sanatoriumsfeer onze cultuur, die zo op ‘levenslang spelen’ is gericht, een spiegel voorhoudt. Ook zonder in het cultuurpessimisme van de Nexuslezer te vervallen, moeten we erkennen dat wij onze overvloed vooral besteden aan het tot bedaren brengen van onze onverzadigbare dorst naar zinnenprikkeling – en dat dit zich niet beperkt tot enkele uitzonderlijke tijden van het jaar, waarin we uit de band springen. Ook Lipovetsky en Serroy betogen in hun L’esthétisation du monde (Gallimard 2013) overtuigend dat wij leven in een ruimtelijk en temporeel ononderbroken spel en schouwspel – overigens zonder hun lezers met deze diagnose te willen kastijden.

Met ons collectieve gebrek aan seriositeit – dat zich niet alleen, maar wel symptomatisch uit in de jolijt op de social media – hoeven we niet de apocalyptische dreiging te associëren, die Mann er in zijn tijd post factum mee verbond, de losbandigheid suggestief opvoerend als voorbode van de Grote Oorlog. Onze consumentistische cultuur stevent niet per se af op een Titanic-achtig debacle en we hoeven de decadentie-parabel van Mann tot zover niet op te vatten als een onheilsprofetie.

Mann laat het echter niet bij de hilarische beschrijving van de mentale leegheid. Verontrustend genoeg volgt er bij de sanatoriumbewoners op de fase van de ‘stompzinnigheid’ een ander stadium: dat van de ‘grote prikkelbaarheid’. Daarover nadenkend, voelde ik de schrik mij om het hart slaan. Ook in onze cultuur liggen zinloos en zinneloos tijdverdrijf enerzijds en de toenemende opvliegendheid en lichtontvlambaarheid anderzijds dicht bij elkaar. Welvaart maakt blijkbaar niet verdraagzamer en vredelievender. Het door het minste of geringste te krenken individu staat voortdurend op scherp en van de overheid wordt op alle fronten ‘zerotolerance’ geëist. En dat ondermijnt wel degelijk onze samenleving.

Ach, misschien heeft het vuurwerk ons weer even opgelucht en ons weer wat rekkelijker gemaakt. Dan hebben de folklorologen gelijk die beweren dat we sinds jaar en dag vuurwerk afsteken om boze geesten te verdrijven. Alleen dat is al een reden om vuurwerk niet te verbieden. Hopelijk beklijft het effect dit keer echter wat beter.

Ik wens ons allen voor 2014 een langer lontje toe en een minder ontvlambaar gemoed.

***

Postscriptum over het verbieden

Dit jaar was de roep om het verbod op consumentenvuurwerk heftiger dan ooit en de brede maatschappelijke acceptatie van zo’n verbod lijkt binnen handbereik te komen. (Een vergelijking met de doorbraak van de ‘zwartepietendiscussie’ dringt zich op.) Toch zie ik verbieden niet als een bijdrage aan een constructief en positief maatschappelijk klimaat. Pas als regulering, voorlichting en handhaving niet meer werken en de (onmiskenbare!) excessen echt niet anders kunnen worden tegengegaan, is een verbod te overwegen. Verbieden mag ook niet de triomf en troefkaart zijn van de getergden. Ik tolereer liever verwerpelijk gedrag – zolang dit binnen de formele, wettelijke perken blijft – dan dat ik mij verschuil achter de brede rug van de overheid. Ik behoud me echter het recht voor om bepaalde vormen van gedrag verwerpelijk te vinden en de toelaatbaarheid ervan als een louter formele en negatieve categorie te beschouwen. (Voor dat laatste: zie ook onder ‘puntig’, nummer 45.)

Geef een reactie