Publicaties

De troost van speelruimte.

Essay geplaatst op De Bezieling op 21 mei 2014: klikken op De troost van speelruimte.

 

Het kapitalisme van het gevoel.

Essay geplaatst op De Bezieling op 9 januari 2014: klikken op Naar aanleiding van Lipovetsky

 

Zomeropera. Geplaatst op www.godschrift.nl op 15 juli 2013.

Een van de slimmere uitvindingen van onze beschaving is het verschijnsel zomerfestival. Ik heb me er namelijk altijd over verbaasd, dat het culturele seizoen afloopt op het tijdstip dat we meer tijd krijgen om te genieten van podiumkunst. De programmeurs van concertgebouwen en theaters concentreren hun aanbod juist in die periodes dat we het druk hebben. Gelukkig is men dus op het idee gekomen om aan het begin en einde van de zomer – of soms zelfs er midden in – de genoemde festivals te organiseren. Ze vullen een lacune.

Er is één festival dat ik ooit nog eens hoop bij te wonen, maar waarvoor nogal wat drempels moeten worden overwonnen: de Bayreuther Festspiele, dat jaarlijkse ritueel rond Richard Wagner. Wagner riep in 1876 zelf dit festijn in het leven, liet er een eigen theatertempel voor bouwen en schreef er speciaal producties voor. Zolang ik nog niet toekom aan het deelnemen aan dit ‘event’, behelp ik me met een stapeltje CD’s dat zo’n vijftien uur muziek behelst. Iedere zomer beluister ik in mijn tuinstoel de hele Ring des Nibelungen – zoals anderen in de tijd voor Pasen de Mattëuspassie van Bach.

De Festspiele – en daarbinnen met name de bijna sacrale muziektheaterwerken Der Ring des  Nibelungen en Parsifal – vormden voor Wagner de oplossing voor een probleem. Ook hij wilde met zijn festival een leemte opvullen. Maar het was niet de prozaïsche lacune van de zomerstilte, doch een metafysische leegte. Wagner wilde, als volbloed laatromanticus, antwoord geven op het grote tekort, dat de negentiende eeuw met veel gevoel voor dramatiek en urgentie had vastgesteld: het van het toneel verdwijnen van de goden. De kerk had afgedaan en de kunst en vooral het theater moest die leegte vullen en die vrij gekomen plaats innemen.

Wagner onderging vooral het grote gemis dat was ontstaan door de oprukkende secularisering, een ontwikkeling die hij onderging als onvermijdelijk, maar vooral als traumatisch. Niet voor niets eindigt zijn hoofdwerk, de Ring, met de Götterdämmerung (‘godenschemering’). Even eerloos en smadelijk als Don Giovanni in Mozarts gelijknamige opera verlaten de goden aan het eind van het muzikale epos het toneel.

Tegenover de blamage en het gezichtsverlies van de goden wilde Wagner een perspectief plaatsen. De held Siegfried die messiaanse trekken heeft, maar vooral toch het toonbeeld is van de vrijgevochten mens, is de oppergod Wodan te slim af en weet hem op eigen kracht te weerstaan. Ondanks zijn onverdiende heldendood, gaat hij postuum toch maar mooi met deze eer strijken. Meer nog dan Siegfried – een in dramaturgisch opzicht nogal oppervlakkig karakter, dat niet ten onrechte de geschiedenis is ingegaan als een dom Germaans blondje – komt de ongehoorzame Wodansdochter Brünnhilde als morele overwinnares uit het gevecht met de goden tevoorschijn – vooral dankzij haar onverwoestbare trouw en liefde. In de overweldigende apotheose wrijft ze dit de goden, die hun Walhalla zien instorten, onder de neus. Alles waar de goden voor staan, al hun normen en waarden, heel hun hemelse gerechtigheid – het valt als een kaartenhuis in elkaar, aldus Brünnhilde: alleen de liefde blijft en overwint, als de ultieme verlossende kracht.

Wonderlijk genoeg heeft Wagner deze triomfantelijke slotwoorden weliswaar gehandhaafd in zijn libretto, maar heeft hij ze niet getoonzet. Officieel omdat hij vond dat de muziek voor zichzelf sprak – en dan vooral dat ‘verlossingsmotief’ dat in de slotmaten van de Götterdämmerung stralend door de godenschemer heen breekt. Maar waarschijnlijk vond Wagner het ook wat pretentieus – iets waar de Wagnerliefhebber en latere Wagnerhater Nietzsche het overigens hartgrondig mee eens kon zijn.

Maar ach, in de vrijblijvende zomertijd kunnen we ons permitteren om even mee te gaan met de hoopvolle slotsom van de Ring. Alleen met de liefde redden we het. Zo is het.

***

Het innerlijk van de mens blijft eeuwig onvindbaar. Geplaatst op www.godschrift.nl op 18 februari 2013

Op mijn werkplek Klooster Wittem ben ik er dagelijks getuige van. Mensen komen, na een langere of kortere reis, een kaarsje aansteken aan de voet van het beeld van de heilige Gerardus. In bedevaartsoorden als Wittem worden de zielzorgers niet moe om de vraag te stellen, wat deze mensen drijft. De pelgrims stellen een geijkt religieus gebaar, genomen uit een bestaande rituelenvoorraad, om iets uit te drukken. Wat dat ‘iets’ echter is: dat ligt in hun innerlijk verborgen. De religieuze intimiteit laat zich moeilijk betrappen. Dat frustreert de pastores van na de ‘antropologische Wende’, die in hun theologieopleiding minstens evenveel psychologie hebben geleerd als dogmatiek.

De zielzorgers menen er iets op te hebben gevonden. Op pelgrimsoorden ligt tegenwoordig een intentieboek. Hierin kunnen de bezoekers woorden geven aan wat hen drijft. Maar hoe openhartig de teksten ook zijn: ook hier grijpen de gelovigen terug op een standaardrepertoire: ‘om spoedige genezing’, ‘uit dankbaarheid’, ‘ter ere van de Heilige Gerardus’. Zodra de pastorale professional de religieuze intimiteit uitdaagt zich prijs te geven, komt hij van de regen in de drup. De innerlijkheid is als een hagedis. Als ze bij de staart wordt gegrepen, offert ze deze op en ontglipt alsnog. Nog anders gezegd: Wie de innerlijkheid haar mantel afrukt, in de hoop dat zij zich bloot geeft, blijft achter met de lege mantel – en heeft het nakijken.

Maar al die gespreksgroepen en trajecten van geestelijke begeleiding dan? Komt de innerlijkheid daarin niet tot spreken? Mijn ervaring is echter dat alle groepsdynamische en counselende ontfutselpraktijken onbevredigende resultaten opleveren. De taal, zelfs in het register van het gevoel en de ervaring, houdt iets indirects. Ze biedt een beperkt repertoire aan, zo beperkt dat het eenvoudigweg uit clichés bestaat – verfijnde clichés weliswaar, maar niettemin clichés. Het probleem verplaatst zich slechts.

Is de sprakeloosheid van het geheim een katholiek probleem? Zijn roomsen teveel gewend en verslaafd aan gestolde uitdrukkingsvormen? Die hypothese heb ik allang laten varen. Ik ben betrokken bij de remonstrantse broederschap: een gemeenschap die de argwaan ten opzichte van gestandaardiseerde uitdrukkingsvormen als het ware heeft uitgevonden. Ook daar neem ik een irrationele gehechtheid aan overgeleverde vormen waar. Verplaats maar eens een tafel in de kerkzaal: dan merkt u het. De vorm is sterker dan de vraag naar de inhoud.

Nee, de sprakeloosheid van het intieme geheim is een algemeen menselijk probleem. Het was en is de voortdurende frustratie voor spirituele leiders, zielzorgers, theologen en mystici – en voor iedere spirituele zoeker. We willen niets liever dan een uitdrukking vinden voor dat ‘innerlijke feit’, zoals de romantische theoloog Victor Dechamps het noemde, maar dit is een vergeefse zoektocht. Het ‘innerlijke feit’  blijft eeuwig onvindbaar, zijn uitdrukking een illusie. Als het ‘innerlijke feit’ uit de tent van overgeleverde vormen wordt gelokt, hult het zich meteen in nieuwe, die minstens even ondoorzichtig zijn. Misschien komt dit gewoon doordat het geheim helemaal niet in ons innerlijk ligt, maar daarachter en daaronder, zodat we er – om met Augustinus te spreken – principieel nooit bij kunnen. Maar dat is een volgend hoofdstuk.

Met Ger Groot – in zijn recente boekje Religie zonder God – meen ik dat we het moeten doen met het brute ‘uiterlijke feit’ van rituelen, formules en symbolen. Zeggen en zijn vallen hierin samen. De religieuze praktijken doen hun woord – zonder last of ruggenspraak. Ik vraag me dus niet af ‘wat we bedoelen’ en ‘waar we mee bezig zijn’ als we straks avondmaal vieren of ons laten besprenkelen. En ik dring de pelgrims in Wittem geen gesprek op over datgene wat is gedoemd tot eeuwig verzwegen worden. Ik doe mee of kijk: maar houd mijn mond.

 

***

 

Van de klok en de klepel: Passie, Pasen en dagelijks leven in twee Faustboeken

In het Fries gepubliceerd in

De Earn. Utjefte fan it Frysk Oekumenysk Wurkferbân Earnewâld. Jg. 15 (2012), Nûmer 57 (april).

greco-pieta

Soms hoor je samen een klok luiden, zonder dat je weet waar de klepel hangt. Dat nodigt dan uit tot een gezamenlijke zoektocht. Een groep van de Remonstrantse Gemeente Eindhoven doorploegt sinds enkele jaren de romans van Thomas Mann. In 2008 begonnen we met het vierluik van de ‘Jozefromans’, dat is geënt op het boek Genesis. In het afgelopen seizoen hebben we ons gebogen over Dr. Faustus: dat grote ‘Alterswerk’ van de Duitse schrijver. We zijn op weg gegaan met deze boeken, omdat we daarin een ‘theologische klok’ horen luiden, omdat ze ons uitdagen om op zoek te gaan naar de klepel.

Thomas Mann was natuurlijk geen belijdende christen, laat staan een theoloog. Hij typeerde zichzelf als een cultuurchristen. Met de hem typerende combinatie van ironie en distantie enerzijds en welwillende sympathie anderzijds verkende en bespeelde Mann het repertoire van de christelijke traditie. Dat was in de eerste plaats het Lutheranisme, dat hem in de Hanzestad Lübeck met de paplepel was ingegoten. De oudtestamentische en Joodse traditie boeide hem daarnaast ook en in toenemende mate – hoe anders zijn de Jozefromans te verklaren? Aan het eind van het leven intrigeerde hem ook het katholicisme, vanwege zijn rijkdom aan mythen en rituelen. De religieuze traditie was (naast tal van literaire en muzikale tradities) een orgel, een klokkenspel met vele registers. Daarop en daarmee speelde Mann graag, om zijn eigen ‘verhaal’ te vertellen – ‘oprecht’ het geloof ‘veinzend’, om het met Kellendonk te formuleren.

In Dr. Faustus, de roman die we op dit moment in Eindhoven ten einde lezen, klinken meerdere klokken. In Dr. Faustus volgen we de fatale levensloop van een componist die een deal heeft gesloten met de duivel om genialiteit te bemachtigen. Uiteraard loopt het slecht af met Adrian Leverkühn – zoals de Faustfiguur heet. Aan het einde van zijn loopbaan stort hij in en betaalt hij de dure prijs voor zijn talent. Evenmin echter als de Faust van Goethe (een belangrijke referentie voor Mann) eindigt het boek in een restloos mineur. Er is ook een perspectief. Dat perspectief is gelegen in het woord genade. Het lijkt erop dat de oude Mann dit concept herontdekte aan het eind van zijn leven en aan het eind van de fatale afloop van de Tweede Wereldoorlog. Duitsland had zichzelf historisch onmogelijk gemaakt. Voor zijn land, zijn volk (waarvoor de hoofdpersoon van Dr. Faustus ten dele een allegorie is) zag Mann maar één laatste strohalm: de genade. Maar wat bedoelde hij ermee?

De genade is uiteraard een Lutheraanse kerncategorie uiteraard. Mann verbeeldt deze genade echter op een verborgen, indirecte ‘katholieke’ manier. Het christelijke begrip van de genade vloeit samen met het beeld van het ‘eeuwig vrouwelijke’, waarmee ook Goethes Faust afsluit. Het krijgt gestalte in de zwijgzaam-begripvolle Frau Schweigestill, de Beierse boerin die aan Adrian gastvrijheid verleent op haar hoeve, gelegen nabij het ‘passiedorp’ Oberammergau. In een enscenering, die verwijst naar het kunsthistorische schema van de Pieta, houdt Frau Schweigestill aan het slot van het boek het bewusteloze lijf van de ingestorte Adrian vast. Ze spreekt tot de omstanders: “Misschien is er nog genade voor deze mens. Maar als die uitgeput is, is er nog altijd menselijk begrip (‘Verständnis’). Daarvan moet er toch genoeg zijn?”

De goede verstaander hoort hier een klok luiden. En zij of hij weet ook waar de klepel hangt. Het zijn de klok en de klepel van de passietijd. Van het Stabat Mater, de moederlijke genade… En deze wordt ontdaan van welke wereldvreemdheid en verplaatst naar het universeel menselijke, het materiële (moederlijke) in letterlijke zin.

Goethe noemde ik al, één van Manns grote voorbeelden. Ook in diens Faust horen we klokken luiden. Heel letterlijk. Als Faust in zijn sombere studeervertrek ten einde raad is en zijn lot vervloekt, als hij zijn aardse boeien en de last van het stoffelijke van zich af wil werpen: op dat moment klinken er van buiten paasklokken en paasgezangen. Faust verweert zich, als een blasé geworden ongelovige, tegen de verleiding die uitgaat van deze klokken. De ‘hemelse klanken’ zijn niet aan hem besteed. Hem ontbreekt het geloof dat hem ontvankelijk maakt voor het wonderbaarlijke. (Hier staat ook dat beroemde vers: ‘Das Wunder ist des Glaubens liebstes Kind.’ ‘Het wonder is geloofs geliefde kind.’)

De doorbraak komt echter als Faust de paasjubel niet interpreteert als een gelovig of mystiek signaal, maar als deze voor zijn geestesoog jeugdherinneringen oproept, herinneringen aan lente-ochtenden uit zijn jonge jaren. Een klein wonder gebeurt dan alsnog: de blasé geworden, cynische kamergeleerde wendt zich weer tot de buitenwereld, de aarde. Hij krijgt weer de ‘ogen van een kind’, dat ‘ziet wat is en zich toevertrouwt en het licht niet haat’ – om het met de woorden van H. Oosterhuis te zeggen.

In hedendaagse theologische termen: Faust herontdekt het ‘dagelijks leven’, niet ondanks, maar juist dank zij zoiets verhevens als de paasgezangen. De paasjubel ontrukt hem niet aan het aardse, maar doet hem weer vriendschap sluiten ermee. We horen in Goethes Faust dus de paasklok luiden: maar de klepel is die van de liefde voor het leven. Het gewone menselijke leven is de vindplaats van geluk en zingeving, de vindplaats van de bestemming van de mens en van de sporen van de Levende.

De beide ‘Fausts’, die van Goethe en Mann: er is zoveel meer over te zeggen. Het is echter opmerkelijk hoe zij op een vergelijkbare manier theologische klokjes aantikken, de klokjes van passie en Pasen. En nog opmerkelijker is het, hoe zij de aldus voortgebrachte klanken verbinden met het dagelijks leven en het algemeen menselijke. Het zijn en blijven humanisten, pleitbezorgers voor de adeldom van het mens-zijn.

________________________________________________________

Recensie: Een nieuwe variatie in de zorgethische discussie

Verschenen in Zin in Zorg Jaargang 14, april 2012.

Er is veel geschreven over zorgethiek en over professionaliteit in de zorg. Kwesties rond autonomie en afhankelijkheid, persoonlijke relaties en institutionele kaders vormen hierbij terugkerende refreinen. Frits de Lange levert een verrijkende bijdrage hieraan. De tegenstellingen weet hij te overstijgen en de mantra’s waarvan veel schrijvers zich bedienen laat hij achter zich. Dat is mede te danken aan het feit dat De Lange zich baseert op literatuur uit taalgebieden, die tot nog toe wat zijn ondervertegenwoordigd in de zorgethische discussie.

Deze discussie loopt vaak vast door de fixatie op de vraag domineert, of autonomie nu wel of niet het vertrekpunt hoort te zijn. De Lange laat zien dat autonomie geen beginpunt is, maar een perspectief waar de zorgpraktijk naartoe werkt, geen voorgegeven maar een kwetsbaar doel. Zorg is erop gericht de vrijheid en de vermogens van de zorgontvanger te herstellen. De zorgpraktijk is met andere woorden een ‘pedagogiek van de verantwoordelijkheid’, die de ontvanger overeind wil helpen.

De Lange romantiseert de afhankelijkheid dus niet, maar ziet wel dat zorg is ingebed in een relatie. In deze relatie nemen zorgverlener en –ontvanger wisselende posities in. De relatie is naar gelang de situatie verschillend ingekleurd: asymmetrisch of symmetrisch, formeel of informeel. In dit verband zegt de auteur enkele – vanuit het oogpunt van professionaliteit  – behartigenswaardige zaken. Zo maakt hij een helder onderscheid tussen de persoon, de institutionele rol en het ambacht van de zorgverlener. De kleur van de relatie en de plek waarop de zorgverlener staat bepalen op hun beurt de ethische kwaliteit van de zorgpraktijk – als plicht, vriendschap, deskundigheid of compassie.

De Lange plaatst de vanzelfsprekendheid en de spontaniteit van de zorg voorop. De zorgrelatie en –praktijk worden gedragen en meegevoerd door een ‘flow’. De zorgrelatie kan in dat verband worden vergeleken met een ‘dans’ waarin de twee partners vooruitlopen en rekenen op elkaar, gedragen door een voorschot van vertrouwen. Deze ‘flow’ is primair. Pas in tweede instantie komen knelpunten aan de orde zoals de morele tekortkomingen, de institutionele inperkingen, de tragiek en de ‘grenzen’ van het mogelijke. Bij het omgaan met die knelpunten moeten we niet het accent leggen op afrekenen en verdedigen, doch op erkenning en verzoening, vergeving en herstel. Overigens zijn er ook ‘gezonde’ grenzen in de zorg, die de zorgverlener beschermen tegen het veeleisende en radicale karakter van de zorg.

De Lange wil duidelijk zijn visie aan de vrouw of man brengen. Dat doet hij door te hameren op zijn thema’s, waarbij de soms wat geforceerde beeldspraken wel enige variatie aanbrengen. Het is ook een wetenschappelijk boekje, hetgeen zich uit in de vele literatuurverwijzingen en de terminologie. Al met al is het een boekje waaraan zorgverleners, opleiders en ethische commissies hun hart kunnen ophalen en hun verstand kunnen scherpen.

Lange, Frits de. In andermans handen. Over flow en grenzen in de zorg. Uitgeverij Meinema, Zoetermeer 2011. ISBN 978 90 211 4319 4.

_______________________________________________________