Author Archives: Eric Corsius

De overlast van onze ergernis

Het zal aan het begin van de eeuw zijn geweest. Ik zat weggedoken  in het morsige en muffe rode pluche van wat toen nog een eersteklascoupé heette. De mobiele telefoon was begonnen aan zijn opmars en op gezette tijden klonk her en der in het treinstel een bliepje of trillertje, waarna iemand met gedempte stem begon aan een – ongetwijfeld geen uitstel duldend – gesprek. De bellende reizigers hadden over het hoofd gezien dat ze in de zogenaamde ‘stiltecoupé’ zaten: een faciliteit die was uitgevonden in het kielzog van de mobiele telefoon.

Een reizende mevrouw liet echter haar argusogen als zoeklichten rondgaan door de coupé. Op het moment dat één van de forenzen of zakenreizigers aan een telefoongesprek begon, rees zij op uit haar stoel en beende zij af op de boosdoener als een kruisspin op een argeloos in haar web verstrikte geraakte vlieg. Daarop gaf ze de medereiziger een reprimande, met een dramatisch gebaar wijzend op de duidelijk zichtbaar aangebrachte stiltepictogrammen, om hem ten slotte met verbijsterd verstand en vermorzeld hart achter te laten, terwijl ze zelf haar uitkijkpost weer innam om te wachten op de volgende schending van de huisregels.

Een enkeling zette voorzichtigheidshalve zijn telefoon uit, om zichzelf de publieke bestraffing te besparen. Er waren echter genoeg brutale rekels over, die met uitdagende onbekommerdheid hun echtgenoten via de telefoon lieten weten hoe laat de ovenschotel de oven in kon. Hierdoor werd voorkomen dat de strenge mevrouw haar reistijd in ledigheid doorbracht. Haar NRC bleef onaangeroerd en verweesd in haar tas zitten. Het was een vrouw met een missie – en waarschijnlijk een hormonale aandoening.

De Boze Mevrouw deed tijdens deze treinreis – en waarschijnlijk tijdens al haar treinreizen – alles behalve de overlast reduceren die zij klaarblijkelijk ondervond van de bellende medereizigers. Als ze was blijven zitten en niet had gelet op de gedempte gesprekken met avondmalen bereidende of in de file staande echtgenoten, had ze haar NRC of een boek kunnen lezen, een dutje kunnen doen of haar vergaderstukken of vaktijdschriften kunnen doornemen. In plaats daarvan liet ze haar agenda volledig bepalen door het gedrag van de medereizigers. Per saldo had ze dus minstens evenveel last van hen.

***

Door dit incident ging ik me realiseren dat het begrip ‘last’ of ‘overlast’ niet altijd de bedoelde lading dekt. Wat betekent ‘last’ of ‘overlast’ immers? Het betekent dat het gedrag van een ander je belemmert in je bewegingsvrijheid, een onredelijk beslag legt op je tijd en energie of je confronteert met onaangename zintuiglijke indrukken (lawaai, stank, fel licht). Last of overlast in eigenlijke en strikte zin is een onmiddellijke inbreuk op je welzijn.

Wat wij echter feitelijk vaak bestempelen als ‘last’ of ‘overlast’, is gedrag waar wij iets van vinden, gedrag dat een inbreuk is op de normen die wij stilzwijgend of uitdrukkelijk hanteren. De ander belaagt ons niet rechtstreeks, maar via het gevoelige alarmsysteem van onze opvattingen.

Zo hebben wij bijvoorbeeld niet zozeer ‘last’ van de decibellen die telefonerende medereizigers veroorzaken  – wij accepteren immers wel het onderlinge voetbalgekakel van congresgangers of het gekeuvel van Margrietbeursbezoeksters – maar vinden wij gewoon dat bellen in ons bijzijn niet hoort, ook buiten de stiltecoupé. De context is overigens veelal bepalend voor de overlastkwalificatie. Het gekrijs van kinderen roept op het strand bijvoorbeeld een vakantiegevoel op. Datzelfde gedrag in een winkel wekt duistere krachten in ons tot leven.

Er is – met andere woorden – veelal geen sprake van ‘overlast’, maar van ‘ergernis’. Dat wij van die ergernis dan last hebben, staat buiten kijf. We hebben last van onszelf, doordat we ons zitten op te vreten of doordat we – zoals de mevrouw uit de anekdote – onze aandacht en agenda door het gedrag van anderen laten bepalen.

Overlast en ergernis lopen in elkaar over, maar zijn wel verschillende grootheden. Op een hoger en complexer niveau speelt dit ook wel mee bij de gevoelens van gekwetstheid en zich beledigd voelen, waarover ik vorige week schreef. Maar om dit uit te werken zijn meer woorden nodig – al is het maar om te voorkomen dat ik iemand krenk.

Hoe dan ook: laten we onszelf de overlast van onze eigen ergernis besparen. We hebben meer last van de sirenes van ons inbraakalarm, dan van de muizen die het doen afgaan.

Gekwetst

Als weldra één of ander tribunaal in Den Haag, Genève of New York gelast om Zwarte Piet in de ban te doen, zal ik wellicht kortstondig wenen of een weemoedige zucht slaken. Vervolgens zal ik echter overgaan tot de orde van de dag. Een schrijnend onthechtingsproces verwacht ik niet. Tradities zijn eindig. Ze komen en gaan.

Ik voel me dan ook geenszins aangevallen of gepikeerd door de – inmiddels tot onze Nederlandse folkloristische canon horende – campagnes van Quinsy Gario tegen de racistische excessen van het Sinterklaasfeest. Integendeel: de zachtmoedige vechter nam me zelfs voor zich in, toen hij op 7 oktober optrad in het late-avond-programma van de twee Varapraatmannen – die er blijkbaar genoegen in scheppen om eenzame strijdsters en strijders voor de leeuwen te werpen (hetgeen ze onlangs ook deden met Asha ten Broeke). Ik voelde ook de verontwaardiging in mij ontbranden, toen ik weer de beelden zag van het buitenproportionele optreden van de politie tegen Gario in 2011: een draconisch ingrijpen waarvan kleine, speciaal voor de intocht warm aangeklede kinderen getuige waren, om er waarschijnlijk voor de rest van hun leven nachtmerries aan over te houden.

Nee, ik voel me niet in mijn wiek geschoten door Gario, zoals veel andere Sinterklaasfans. Wel ben ik steeds weer verbaasd en bezorgd over mensen die – namens een bevolkingsgroep of zichzelf – zozeer hun gekwetstheid cultiveren en erin zwelgen, dat ze niet meer open staan voor relativeringen en voor pogingen om zaken in een nuchter perspectief te zien. Quinsy Gario voert zijn strijd nog op een betrekkelijk sympathieke manier en met een charmante originaliteit.

Maar hoeveel gekwetstheidsprofeten voorzien zichzelf niet van een onaantastbaar slachtofferaureool – door onschuldig bedoeld gedrag van anderen meteen te voorzien van een historische en geopolitieke geladenheid? Onbedoeld op tenen staan en er met sorry zeggen vanaf komen is er niet bij. Nee, voor je het weet ben je met terugwerkende kracht medeverantwoordelijk voor het kolonialisme en alle andere grootschalige misdaden die de wereld sinds eeuwen teisteren.

Ook en vooral met gelovigerds moet je uitkijken: ze kennen zichzelf een door god zelf verleende diplomatieke onschendbaarheid toe. Je kunt hen maar beter met fluwelen handschoenen aanpakken. Religie lijkt soms wel het verkeerde been waarmee God uit bed is gestapt.

***

Het maatschappelijk verkeer wordt verlamd – en dat is het wat mij zorgen baart – doordat we in toenemende mate op onze hoede moeten zijn om niemand in haar of zijn ziel te raken. Het is immers nooit zeker, of je niet een grens overschrijdt. Iedereen kan namelijk zijn eigen pijngrens bepalen, temeer daar we leven in een subjectivistische cultuur. Het wordt daardoor steeds onvoorspelbaarder of je over de schreef gaat. Anderen kunnen hun betekenissen hechten aan iets wat ik doe of zeg, door het uit zijn samenhang te halen en het in hun eigen overgevoelige context te plaatsen.

Als we ons verkeer laten regelen volgens het niet-beledigen-criterium, kan dat in theorie leiden tot absurde situaties, zoals een gedachte-experiment laat zien. Stel dat ik morgen beslis om een religie te stichten, die in de banaan de incarnatie van de godheid ziet. Dan kan ik eisen dat niemand meer onoorbare grapjes maakt over bananen en dat niemand meer de integriteit van bananen aantast door hen in het openbaar te nuttigen. Het etaleren van bananen in groentewinkels zal ik als een grievend schouwspel ervaren, zodat ik kan eisen dat dit ik niet meer aan dit ontluisterende tafereel wordt blootgesteld. De beledigingsgrens is nogal willekeurig en subjectief, wil ik maar zeggen.

Tegen deze argumentatie uit het ongerijmde zal natuurlijk worden ingebracht, dat het in de praktijk niet om zulke willekeur gaat. Degenen die zich als gekrenkt melden, doen dat op grond van niet vrijwillig gekozen kenmerken als ‘gender’ of etniciteit of met het oog op een diep gewortelde identiteit, zoals een eeuwenoude en/of wijd verspreide religie. Maar deze tegenwerping maakt het alleen maar erger. Het impliceert namelijk dat sommige groepen (lees: hun luidruchtige opinieleiders) een monopolie hebben op het vaststellen van de grenzen die niet mogen worden overschreden.

Ik onderschrijf overigens niet de beroemde retorische uitspraak van Hirschi Ali dat we ‘een recht hebben om te beledigen’. Die uitspraak is al even absurd. Doelbewust beledigen is en blijft onbetamelijk – al moet iedereen die een ander heeft beledigd zich veilig kunnen weten.

Aan de andere kant maken we het leven niet eenvoudiger, door aan groep A een carte blanche te geven om voor groep B te bepalen wat kwetsend is. We mogen van elkaar tact en fatsoen vragen. We kunnen echter niet van elkaar vergen, dat we voortdurend rekening houden met de onzichtbare tere plekken van anderen of met de grenzen die anderen onverhoeds bepalen.

Fijngevoeligheid – het sieraad van ons vreedzaam samenleven – wordt dan vervangen door een verstikkende deken van krampachtigheid.

Sterke identiteit: nuttig maar zinloos

Identiteit is goed voor ons. Ze biedt ons een houvast in stormachtige tijden. Ze levert een fundament waarop we stevig kunnen staan als we de confrontatie met anderen aangaan. Ze vormt een innerlijk zwaartepunt, waardoor we in balans blijven, als er van buiten aan ons wordt getrokken en geduwd. Er zijn tal van raadgevers en hulpverleners die ons kunnen helpen bij het vinden van een dergelijke identiteit. Zo’n sterke identiteit wordt daarbij van belang geacht op verschillende niveaus.

Identiteit in soorten en maten

Op collectief niveau helpt een ‘groot verhaal’ of een ‘canon’ ons, om met zijn allen stevig in onze schoenen te staan op het turbulente wereldtoneel. Een stevige collectieve identiteit biedt aan ‘onze’ natie, samenleving of cultuur (wat dat dan ook is) de broodnodige oriëntatie als we het even niet meer weten. Ze vormt een kompas als we stamelend in onze woorden en waarden verstrikt raken en als we van de wijs worden gebracht door de spraakverwarring van de geglobaliseerde en multiculturele samenleving. Identiteit vormt een ijkpunt of een meetlat als we verlegen zitten om een weerwoord op vreemde stromingen. Ze biedt een uitkomst als we wanhopig zoeken naar een gedragscode die het maatschappelijk verkeer voorspelbaar maakt. (Merkwaardig genoeg zijn het overigens vaak conservatieve cynici, die zelf niets geloven, die op de noodzaak van een waardencanon wijzen. Vooral de anderen hebben blijkbaar oriëntatie nodig.)

Vervolgens is er het mesoniveau, want ook de organisatieklusbedrijven hebben de identiteit ontdekt. Een organisatie heeft een sterk verhaal nodig, mitsgaders een ‘missie’, die bondig en onuitwisbaar staat geschreven op gelamineerd hoogglanspapier. Dat geeft aan de organisatie samenhang, richting en dynamiek. Identiteit disciplineert en waarborgt dat alle neuzen dezelfde kant opstaan. De genoemde organisatieknutselaars helpen je graag, om deze identiteit te vinden, te formuleren en dóór te drukken. Het enige wat je zelf moet meebrengen is een bierviltje of een sigarendoosje. Want een verhaal, missie of visie moet daarop kunnen passen.

Tenslotte is een krachtige identiteit vooral van belang op individueel niveau. Want met dat grote verhaal lukt het niet altijd zo best, stellen zelfbenoemde zielzorgers vast. Juist als instituties en bewegingen eroderen en afbrokkelen – en er dus geen groepsidentiteiten meer zijn, waarin we kunnen schuilen – heeft het individu de wapenrusting van een (bijvoorbeeld religieuze) identiteit nodig om zich te weer te stellen tegen alles wat op haar of hem afkomt. Deze identiteit functioneert dan net als de loden voet van een duikelaartje, waardoor dit altijd weer rechtop komt te staan. Door identiteit ben je niet omver te krijgen. Je staat stevig en wijdbeens in het leven. Dit is een gedachte die nogal opgeld doet in neo-christelijke kringen als het gaat over dialoog met andersdenkenden.

Een identiteit die zich blootstelt

Het zal allemaal wel waar zijn. De noodzaak van een ‘sterke identiteit’ is echter vooral een pragmatische waarheid. De sociologische, organisatiekundige of psychologische wens is de vader van de gedachte. Is een dergelijke ‘sterke identiteit’ behalve nuttig echter ook zinvol? En hoe wenselijk is ze ten diepste, met het oog op duurzame humaniteit? Laat ik bij de beantwoording van deze vraag bij mijn theologische leest blijven en me beperken tot het individuele niveau – en dankbaar gebruik maken van de handreikingen in een recent boekje van Renée van Riessen.

De opvatting van een stabiele identiteit gaat onder andere terug op Plato en op diens opvatting van de ‘ziel’ als een eeuwige, onverwoestbare kern en drager van identiteit. Daartegen zijn echter altijd ook bedenkingen geuit – en merkwaardig genoeg vooral uit ‘religieuze’ hoek – bijvoorbeeld door Kierkegaard en Levinas. (Wat de theologie betreft zou ik daar Barth aan willen toevoegen.) Wie streeft naar een sterke innerlijke identiteit, sluit zich op in zichzelf en zet de tijd stil. Authentieke vorming van ‘identiteit’ komt echter van buiten, onverhoeds en onvermoed: als inspiratie, als onderricht door de meester of als openbaring. En deze externe inmenging herhaalt zich onophoudelijk. Wie zichzelf wil vormen zal zich dus nooit vastleggen, maar zich daarentegen steeds openstellen en uit balans laten brengen en houden

Poëtisch uitgedrukt: zij of hij zal altoos ‘bloot zijn en beginnen’ (Van Ostaijen, geciteerd door Van Riessen). Zij of hij zal de ‘gouden penning’ van het innerlijk met de ‘blote zijde’ naar boven leggen – om de mysticus Jan van Ruusbroek aan te halen – en zich in ‘blote leegheid’ prijsgeven, steeds opnieuw. Authentieke identiteitsvorming is een voortdurende oefening om je buiten je eigen middelpunt te begeven, om ‘excentrisch’ te zijn en binnenstebuiten te leven. Het is een levenslang ‘omhoog gaan, neerdalen, uit zichzelf weggaan en leven tussen de tijden’ – aldus de veertiende-eeuwse mysticus.

Identiteit in de ware zin is dus vloeibaar. Dit is ook het Bijbelse perspectief op zelfwording als navolging, als het gaan in het voetspoor van diegenen, die hun sterke identiteit opgaven.

Een mild klimaat

We hebben flexibele identiteiten nodig en mensen die van hun voortdurende zelf(ont)wording getuigen in zachte verhalen. Misschien hebben we hen ook niet nodig en hebben we niets aan hen – behalve dan, dat het maatschappelijk klimaat door hen milder wordt. Mensen die zelfverzekerd en wijdbeens in het leven staan: die versperren immers ook soms de weg en houden het maatschappelijk verkeer op.

***

Met dank aan: Renée van Riessen. De ziel opnieuw. Over innerlijkheid, inspiratie & onderwijs. Amsterdam 2013.

De subtiele wraak van de muziek – naar aanleiding van Tristan und Isolde bij de Reisopera

In 2005 kwam de Radio Kamer Filharmonie tot stand. Het orkest was ontstaan uit een fusie van twee omroeporkesten, na lang getouwtrek rond beleidsnota’s en adviesrapporten onder het bewind van krentenwegende staatssecretarissen. Nadat het nieuwe orkest zich had geherformeerd, nam het ensemble op subtiele wijze wraak op het calculerende cultuurbeleid. Het nam wraak op de volwassen en professionele manier, die eigen is aan topmusici. Het deed namelijk gewoon datgene waarin het heel goed was: compromisloos musiceren. Het opende het seizoen met een concert waar de vonken van afstoven. Met andere woorden: het nieuwe ensemble liet zich niet kennen.

Spijtig bleef het toch: die afgedwongen fusie van het Radio Symfonie Orkest en het Radio Kamer Orkest. Naar beide ensembles werd vanuit het buitenland met respect en jaloezie gekeken. Beide waren het orkesten met een eigen karakter en een eigen traditie. Maar, zoals gezegd: de Radio Kamer Filharmonie groeide binnen de kortste keren samen tot een wendbaar gezelschap dat alles aankon.

Het kon nog erger, weten we nu. In 2010 kwam de coalitie van VVD en CDA tot stand die, met trillende handen en onder schot gehouden door de gedoogpartij van de Alleshater, tekende voor rigoureuze bezuinigingen op cultuur. De toon was gezet: het moest eens klaar zijn met die rijkeluiscultuur. De ‘onze-tijd-komt-nog-wel’-retoriek werd stap voor stap vertaald in beleid. Juist die politieke stromingen, die nooit moe werden erop te hameren dat we trots moesten durven zijn op onze nationale verworvenheden: juist zij zetten met droge ogen kostbare erfstukken aan de straat – waaronder alsnog de Radio Kamer Filharmonie.

Inmiddels begint het beleid zijn bittere vruchten af te werpen. Het genoemde orkest nam dit jaar afscheid en de Nationale Reisopera begon het nieuwe seizoen in gehavende staat – om een ander voorbeeld te noemen. Maar niet alleen het drama herhaalde en verdiepte zich. Ook het kleine wonder van veerkracht deed zich onlangs weer voor. Daarvan konden velen met mij afgelopen zondag getuige zijn. De tot ‘productiekern’ ingekrompen Reisopera bracht Wagners Tristan und Isolde in Enschede in première. En het klonk als een klok. Wéér liet een in het nauw gebrachte culturele onderneming zich niet kennen.

***

Velen zullen, met mij, sceptisch zijn geweest, toen zij vernamen van het plan van de Reisopera, om Wagners meest complexe muzikale drama in productie te nemen. Kan zo’n klein apparaat, met zo’n klein budget en met een ingevlogen regionaal orkest (het Noord Nederlands Orkest) dat veeleisende project wel aan? Nog niet zo lang geleden immers zat je vaak met gekromde tenen te luisteren naar regionale orkesten, die al uit de bocht vlogen bij het veel minder veeleisende Belcantorepertoire (u weet wel: het genre “verliefde mevrouw kwinkeleert dapper boven een vloertje van gemoedelijk kabbelende blazers en strijkers”) en met een beetje geluk was je na enkele dagen de namen van de ingehuurde Bulgaarse en Roemeense solisten alweer vergeten. Hoe moest dat nu met dat ongenaakbare monument van de rijpe Wagner? Dat werk waarin vooral het orkest het verhaal vertelt daarom en alle hoeken van kamer krijgt te zien? Dat werk waarin de solisten moet beschikken over stembanden, die in kracht en souplesse niet onderdoen voor de spieren van een Noordkoreaanse turnkampioene?

Er is de laatste jaren echter veel gebeurd. In betere tijden heeft de ‘provinciaalse’ Reisopera reeds laten zien, dat je niet alleen in Amsterdam, Wenen of Bayreuth hoeft te zijn voor kwaliteit – al blijven er binnen kwaliteit altijd gradaties bestaan, eerlijk is eerlijk. Bovendien zijn, mede dankzij gedreven en innovatieve dirigenten, onze provinciale orkesten boven zichzelf uitgestegen. En het gemiddelde niveau van jonge zangers en andere solisten stijgt alleen maar.

Maar goed, zult u zeggen: de Reisopera was na het bezuinigingstrauma misschien wel terug naar af? Al was het maar door het demoraliserende effect van dat trauma?

***

Niets is dus minder waar. Het Noord-Nederlands Orkest speelt nu Tristan, alsof het ervoor is gemaakt: zuiver en goed getimed, gedetailleerd en doorzichtig, trefzeker spelend met kleur en dynamiek, stijlvast en smaakvol. Speel het bijvoorbeeld maar eens klaar: om aan het begin van de tweede akte de verre jachthoorns te doen versmelten met een kabbelend beekje in de klarinetten en ritselende bladeren in de strijkers, om vervolgens het ijzingwekkende spinrag te weven van de liefdesnacht. Een perfect huwelijk van het orkest met de dirigent Antony Hermus moet mede de basis zijn voor dit resultaat.

De solisten en (spaarzame) koorzangers kunnen zich, gedragen door het perfecte klankweefsel, toeleggen op hun loodzware partijen, hetgeen zij met verve doen. Van de klank moet Claudia Iten – om één solist eruit te halen – het niet altijd hebben, maar het is een prestatie om tot de laatste snik van Isolde elke noot te leveren en daarin bovendien telkens de juiste emotie en betekenis te leggen. Zelden komen zoveel stemband en karakter samen in één zangeres. Als je zo sportief bent om je CD’s even te vergeten, moet je toegeven dat Wagner aan de zangerscrew van deze productie een uitstekende ambassadeur heeft.

Overigens moet ik aan dit alles toevoegen dat de kwaliteit afgelopen zondag nog eens werd verhoogd door het akoestisch volwaardige muziektheater in Enschede. Het is een schande dat dit verschijnsel in Nederland een zeldzaamheid is.

***

De Reisopera laat zich niet kennen. Ze is door geen bezuiniging moreel en muzikaal kapot te krijgen. Deze waarneming – ook door anderen gedaan – is echter hopelijk geen reden voor beleidsmakers om te denken, dat de roede van bezuinigingen ten goede komt de kwaliteit van onze podiumkunsten en dat ze dus gelijk hebben gekregen. Nee. De Reisopera heeft laten zien, dat ze hoogwaardige kwaliteit biedt. En dat beloon je.

In goede spullen investeer je. Het is dus niet verboden, om weer meer in onze cultuur te gaan investeren. Want daar hebben we iets aan, nu en later.

Het zalig prutswerk van de dialoog

“In fernem Land, unnahbar euren Schritten…”

R. Wagner, Lohengrin

De stukjes die ik hier schrijf komen meestal tot stand gedurende een innerlijke  monoloog achter het stuur van de auto. De lange afstanden die ik geregeld rijd zijn daarvoor uitermate geschikt. Dat was ook vrijdag zo, toen ik naar huis reed van een studiebijeenkomst, die plaats had gevonden in een te midden van duistere Duitse wouden gelegen conferentieoord. Het was gegaan over diversiteit en communicatie, pluraliteit en verbinding. Alles wat ik had gehoord en zelf had ingebracht over dat onderwerp, herkauwde ik nu. Door op deze manier gesprekken te herkauwen, wordt veel wat aanvankelijk onverteerbaar is immers verteerbaar – al komt het je soms te staan op enkele zure oprispingen.

Overigens is het woord ‘monoloog’ in dit verband niet zo adequaat. Het gaat eerder om een ‘innerlijke dialoog’ met een ‘fictieve ander’. De voorstelling van die fictieve ander – een voorstelling die overigens spontaan ontstaat en niet de vrucht is van een opzettelijke inwendige handeling – dwingt me tot helderheid in formulering en tot rekenschap en verantwoording. Die helderheid en rekenschap is een mens aan zichzelf verschuldigd (ook als hij zijn gedachten voor zich houdt), maar zeker ook aan zijn onderwerp. Hij is het vooral verschuldigd aan de ‘echte’ anderen, zodra hij naar buiten treedt met het gedachte. Ik slaag daar niet altijd in. De gewrichten en spieren van mijn denkmechaniek zijn vaak stroef en stijf. Denken en formuleren zijn voor mij rek- en strekoefeningen. Ik geef het onderstaande dus weer voor beter.

Een positivistische opvatting

Het begrip ‘dialoog’ (het is blijkbaar het  ‘Leitmotiv’ van deze column) kwam ook te berde tijdens de afgelopen studiedagen. Dat hield me wakker, want het woord ‘dialoog’ vormt één van de ‘Leitmotive’ van mijn loopbaan als theoloog. Wat mij daarbij altijd wat onbevredigd heeft gelaten, is de positivistische opvatting van dialoog, een opvatting die vooral opgeld deed en doet in het kader van de interreligieuze dialoog.

Ik doel hiermee op de opvatting van dialoog, die ervan uitgaat dat alle religies (en in onze geïndividualiseerde samenleving: alle solo-religieuzen) over een stukje van de Grote Waarheid beschikken, dat zij allen een stukje gelijk hebben. Als je al die stukjes bij elkaar legt, krijg je het grote geheel – of kom je in elk geval in de buurt daarvan. Als je alle kleine ‘gelijkjes’ bij elkaar legt, krijg je het Grote Gelijk – of in elk geval zicht daarop.

Dialoog is in deze opvatting een zaak van elkaar ‘rijker maken’ en ‘aanvullen’. Het is een gezelschapsbezigheid waarbij een reusachtige legpuzzel wordt gemaakt. Het spel is enerzijds een doel op zich, maar anderzijds wel degelijk een serieuze aangelegenheid, voor zover het de vrede en de tolerantie bevordert. (Dat laatste oogmerk verklaart ook de geforceerd irenische sfeer, waarin de dialoog vaak plaatsvindt, alsmede het vermijden van argumentatieve discussie, maar dat is een zijspoor.)

Het tekort

Mijn onvrede over dit gezelschapsspel komt voort uit mijn ongeloof in de gedachte van complementariteit. Uiteraard: ook ik beschouw mijn eigen geloofje als ‘stukwerk’, maar dan niet in de zin van een puzzelstukje, dat precies past bij en aansluit op andere puzzelstukjes. Ik beschouw mijn ‘stukje’ en dat van de ander als een rafelig brokstuk, een fragment. Zo’n fragment komt, zelfs in het gezelschap van andere fragmenten, in de verste verte nog niet in de buurt van het Grote Geheel. Het herinnert daar slechts aan op een treurig tekortschietende wijze.

Als alle brokstukken na de dialoog bij elkaar liggen, hebben we alleen nog maar een groter fragment. Er ontbreekt ons immers allemaal iets. En wat mijn stukje mist, kan de ander niet aanvullen en vice versa. We missen het zelfde – en dat gemeenschappelijke dat we beide missen is juist het wezenlijke.

Het is zoals de scherf van een Griekse vaas in een opgraving: daarvan worden soms maar enkele resten gevonden en de rest wordt door archeologen hypothetisch gereconstrueerd. We zullen het geheel nooit te zien krijgen – hooguit ernaar gissen.

Zalig makend prutswerk

Toch waag ik me aan de dialoog, ondanks het rafelige, brokkelige karakter van mijn eigen ‘stukje’ en van alle stukjes bij elkaar, ondanks het besef van ons onophefbare gezamenlijke ongelijk. Maar is dat niet bij voorbaat frustrerend en ontmoedigend?

Het hangt er maar vanaf, hoe je dialoog opvat en wat je ermee beoogt. Dialoog is mijns inziens juist niet een poging om alle kleine stukjes gelijk in elkaar te laten passen. Dialoog bestaat daarentegen in het los naast elkaar leggen van alle kleine stukjes ongelijk. Het spel eindigt met de vaststelling dat er veel te raden overblijft, ja: dat het wezenlijke ontbreekt. Het resultaat is, dat we worden geconfronteerd met het onbenaderbare van datgene, waaraan de fragmenten herinneren en waarnaar ze verwijzen. En juist in en door dit negatieve – en alléén in en door dat negatieve – schemert datgene door wat we zochten. Mystiek heet dat.

Niet het zicht op het Grote Geheel, doch juist de confrontatie met de Grote Leemte is voor mij het belangrijkste motief tot de dialoog. Door de dialoog stoten we immers onze neus en lopen we een metafysisch blauwtje. Dialoog is niet het maken van een legpuzzel en een spel van elkaar aanvullen, maar een gezamenlijke oefening in nederigheid en in het accepteren van het tekort.

Dialoog in deze zin, als zoektocht, is het zalige prutswerk van onze handen. We kunnen alleen maar hopen – en voor de liefhebbers:  bidden – dat dit werk door anderen wordt voltooid. Daar gaan wij niet over.

***

Bronnen

Het begrip van de ‘fictieve ander’ ontleen ik aan het werk van de Duitse theoloog Henning Luther (1947-1991). Een briljante, maar ook enigszins apologetische, benadering van het onderwerp dialoog is te vinden bij Marianne Moyaert, Leven in Babelse tijden. Uitg. Klement 2011. Een interdisciplinaire en praktische benadering is te vinden in het werk van Manuela Kalsky en het door haar geleide project Nieuw W!J. Vgl. www.nieuwwij.nl en www.manuelakalsky.nl .

Het eerbetoon van twee tovenaarsleerlingen – Twee nieuwe boeken over Thomas Mann

Het wordt wat eentonig, maar ik ga weer eens iets schrijven wat in verband staat met Thomas Mann. Lees ik dan nooit eens iets anders? Jawel, maar dat staat in geen verhouding tot datgene wat ik van en over Thomas Mann lees. Overigens heeft vrijwel alle literatuur, als je maar lang en diep genoeg associeert, te maken met hem. Is het geschreven vóór Thomas Mann: dan heeft hij er zelf ongetwijfeld iets over geschreven, iets ervan gevonden en zich ertoe verhouden. Is het geschreven ten tijde van of na Thomas Mann: dan heeft diens werk altijd wel zijn sporen erin nagelaten – al is het maar als negatief ijkpunt, waarvan en waartegen de auteur zich afzet.

Daarom fascineert Mann mij ook zo. Niet omdat ik hem de beste schrijver aller tijden vind – misschien is hij dat wel, maar ik matig mij dat oordeel niet aan, aangezien ik alles behalve belezen ben en het vergelijkingsmateriaal onvoldoende ken – niet dus omdat hij de beste schrijver ooit zou zijn fascineert hij mij, begon ik te zeggen, maar omdat hij als een kruispunt fungeert waarop alle wegen uitkomen, omdat hij een cruciaal auteur is.

Aan deze cruciale positie dankt Thomas Mann ook zijn cultstatus. Hij had deze al tijdens zijn leven en heeft deze nog steeds, bijna zestig jaar na zijn dood – zij het onder een (ook in het Duitse taalgebied) slinkende minderheid. Er is nog steeds een heuse Thomas-Mann-industrie. Met de regelmaat van de klok verschijnt een nieuwe biografie over hem of een boek dat een specifiek aspect van zijn leven of werk belicht. Ook ontdekken uitgevers en biografen telkens weer nieuwe belangwekkende (schoon-)familieleden, van wie de brieven, memoires en wapenfeiten de moeite van het openbaren, resp. boekstaven waard zijn.

***

Deze zomer nu zagen twee werken over Mann het licht, die horen tot het genre van de roman, het genre waarop hijzelf een onuitwisbaar stempel heeft gedrukt en dat hij zo soeverein naar zijn hand heeft gezet. Thomas Mann als hoofdpersonage van een roman opvoeren: het is een hachelijk avontuur. Je moet het maar durven: de onovertroffen verteller en stilist maken tot onderwerp van een eigen poging om iets moois te schrijven voor de mensen. Je begeeft je immers in het hol van de leeuw. Je gaat te werk met de overmoed van de tovenaarsleerling – iets waarover de Tovenaar zelf smakelijk en smalend zou hebben gegrinnikt.

Pleschinski heeft met zijn Königsallee de meesterproef aardig doorstaan, voor zover ik hierover iets kan zeggen. Soeverein bedient hij zich van een brede en diepgaande kennis van zaken. De eventuele irritatie en vermoeidheid die het breedsprakige etaleren van die kennis wellicht bij deze of gene oproept, wordt gecompenseerd door de speelse ironie die aan de roman een aangename lichtvoetigheid geeft. Gewaagd is het wel weer, dat Pleschinski het zelfde ironische arsenaal benut, dat Mann zo meesterlijk beheerste (zoals bijvoorbeeld het duizelingwekkend vermengen van fictie en realiteit). Maar deze imitatie van de meester is op haar beurt weer een vorm van romantische en romaneske ironie: Thomas Mann wordt hier immers door zichzelf beschreven. Bovendien: het feit dat Pleschinski een (onmiddellijk als zodanig herkenbare) pastiche schrijft van Lotte in Weimar, met toespelingen op Die Betrogene, is weliswaar enerzijds pretentieus: anderzijds is het een bescheiden en nederig eerbetoon aan de leverancier van het ‘origineel’

Pleschinski zoomt in op één thema van het leven en werk van Mann: de onoverbrugbare afstand tussen de kunstenaar en het object van zijn liefde, waarbij dat object een mens van vlees en bloed is, maar tevens een incarnatie van de eeuwige schoonheid en een representatie van het onbevangen leven. Een heel ander aspect wordt aangeroerd door Britta Böhlers veel beknoptere De beslissing. Zij bedient zich van het genre en stijlmiddel van de innerlijke monoloog (een genre en stijlmiddel dat Thomas Mann uiteraard ook beheerste, een gegeven waarop ze wellicht opzettelijk toespeelt) en beschrijft zodoende Thomas Manns eigen Schwere Stunde in het begin van 1936, toen hij op zichzelf de moed veroverde om in een open brief op ondubbelzinnige wijze stelling te nemen tegen het nationaalsocialisme. Waar Pleschinski het heeft over de minnaar, heeft Böhler het over de aanvankelijk tegen wil en dank, maar uiteindelijk volmondig politiserende kunstenaar.

Böhler verstaat de kunst om, vertrekkend vanuit het momentane binnenperspectief van de hoofdpersoon, een rijk geschakeerd beeld van diens leven en persoon te schetsen. Daartoe maakt ze gebruik van doorkijkjes naar eerdere situaties en van het laten doorschemeren van toekomstplannen. Hoewel het boekje hier en daar iets schools heeft, iets van een knip-en-plak-documentaire (met af een toe een ontsierend germanisme), is het ook en vooral een charmant zakportret, aan de hand waarvan de Mannkenner zijn geheugen kan opfrissen, terwijl het de nieuwsgierige nog-niet-kenner helpt om zich in kort bestek een beeld te vormen van de man, wiens politieke worsteling zo representatief was en is voor alles wat goed, waar en schoon is aan Duitsland en Europa.

Pleschinski: een aanrader voor degenen die Manns leven en werk voldoende kennen, om de vele toespelingen te begrijpen. Böhler: een mooi opstapje voor degenen die de betoverende berg van Manns oeuvre beginnen te bestijgen. Beide auteurs hebben een ontroerend, persoonlijk eerbetoon geschreven. Beide boekjes horen thuis in de verzameling van de Mann-bewonderaar.

***

Britta Böhler, De Beslissing. Roman. Uitgeverij Cossee. Amsterdam 2013. ISBN 978-90-5936-431-8

Hans Pleschinski, Königsallee. Roman. C.H. Beck Verlag, München 2013. ISBN 9783406653872

Draagvlak

Met enige belangstelling volg ik in de nieuwsmedia de discussie over het nut en de keerzijden van het exploiteren van schaliegas. Met name ben ik geïnteresseerd in de wetenschappelijke argumenten van de deelnemers aan het debat, waarbij ik dankbaar ben voor iedere uitleg die het vraagstuk behapbaar maakt voor mijn in natuurwetenschappelijk opzicht sterk achtergebleven brein.

Het ontwikkelen van een visie wordt me echter niet makkelijk gemaakt door de irrationele vertroebeling van de discussie. Het lijkt er inmiddels op, dat de discussie over schaliegas vooral een gesprek is tussen vertegenwoordigers van eenmaal ingenomen posities, waarbij het gaat om de vraag of je er voor of tegen bent. Zo wordt het een manicheïstische strijd tussen goed en kwaad, waarbij de inzet niet bestaat in het verdiepen van inzichten en het verrijken van zienswijzen, doch in het bevestigen van standpunten.

Het onderwerp van de discussie – een bepaalde technische methode van energiewinning – wordt daarbij vaak geïsoleerd van de complexe ecologische en economische, energie- en geopolitieke context – en gereduceerd tot een overzichtelijk ‘iets’ waar je voor of tegen bent vanwege de onmiddellijke – positieve of negatieve – gevolgen. Het is alsof men discussieert over de voors en tegens van de personenauto louter op basis van uitstoot versus tijdwinst.

Ter compensatie wordt de weggeabstraheerde context vervangen door een symbolische lading. Schaliegas staat ofwel voor de broodnodige vooruitgang in de energiepolitiek ‘waar je toch niet tegen kunt zijn’ ofwel voor de machtsgreep van duistere belanghebbenden, die geen ander oogmerk hebben dan geldelijk gewin en die zijn gespeend van iedere bekommernis om andere belangen.

Door deze combinatie van verarming van het gespreksonderwerp enerzijds en de symbolische potentiëring ervan anderzijds, vervult schaliegas de functie die bijvoorbeeld de kruisraket had in de jaren tachtig. Het helpt ons om te focussen op één helder afgebakend (deel-)onderwerp (een tegemoetkoming aan de behoefte van ons ADHD-volkje aan een prikkelarme discussieomgeving). Het polariseert op aangenaam duidelijke wijze de maatschappelijke discussie. Ten slotte mobiliseert het zodoende de achterban van de strijdende partijen. Inmiddels zit mijn mailbox inderdaad vol met petities en handtekeningenacties – veelal ‘tegen’ overigens.

De irrationaliteit van de ‘discussie’ wordt nog eens versterkt doordat her en der al het ‘draagvlakargument’ de kop op steekt. Vooral tegenstanders bedienen zich hiervan. Nu is er op zich niets tegen de aandacht voor draagvlak. Uiteraard getuigt het van bestuurlijke wijsheid en van procesmatig inzicht, als beleidsmakers zich inspannen voor acceptatie van hun plannen en rekening houden met het ontbreken daarvan. (Of de coalitiepartijen van onze huidige regering dat in de praktijk zo handig aanpakken, met hun ‘uitlegcampagnes’ en ‘onderhandelen-met-de-achterban’ is een ander hoofdstuk. Acceptatie win je vooral door de achterban als gesprekspartner serieus te nemen, niet met een goedmaakbloemetje. Maar dit terzijde.)

Het is echter merkwaardig als in de discussie het belang van draagvlak wordt ingezet op het zelfde niveau als inhoudelijke argumenten, argumenten die te maken hebben met technische haalbaarheid, kosten en baten, directe en indirecte risico’s en voordelen etc. Het draagvlakargument is immers – als het al een argument is – een louter formeel en daardoor leeg argument. Als zodanig is het slechts indirect van betekenis en kan het pas in tweede instantie een rol spelen in het gesprek.

Bovendien wordt het in de praktijk vaak circulair gehanteerd. De door de tegenstanders gebezigde uitspraak ‘Er is nu onvoldoende draagvlak voor schaliegas’ betekent veelal alleen maar: ‘Wij willen dit niet omdat we het niet willen.’ Ooit werkte ik met iemand samen die zich onaangename taken van het lijf hield door te zeggen dat hij daarvoor ‘niet gemotiveerd’ was. Daar doet het draagvlakargument me sterk aan denken.

Er is overigens niet veel voor nodig om van dit lege, circulaire ‘argument’ dankbaar gebruik te kunnen maken in een populistisch kader. Er is al heel wat tegengehouden of opgeëist met het oog op draagvlak, vooral op het gebied van veiligheid en leefbaarheid, waarbij de tegensputterende pleitbezorgers van de rechtstaat nog net niet werden weggehoond. Daarmee wordt het draagvlakdenken – behalve een ondeugdelijke – ook een hachelijke wijze van argumenteren.

Ik doe graag mee aan de schaliegasdiscussie en ik sluit geen enkele (voorlopige) conclusie uit. Maar dan wel graag op basis van inhoudelijke argumenten die rechtstreeks relevant zijn voor het onderwerp.

Nazomerweemoed

20130901_155700

‘Herr, es ist Zeit, der Sommer war sehr gross.‘ (R. M. Rilke)

De laatste zandkorrels wassen we uit onze vakantiesokken en de zomer ziet de bovenste helft van zijn zandloper in versneld tempo leeglopen. Schoorvoetende zonsopgangen, schuchter glinsterende middagen en zich in kille nevels hullende zonsondergangen: ze vormen een decor dat me ertoe verleidt een ongezonde dosis weemoed tot me te nemen. Ik zoek de pijngrens van de melancholie op en wrijf zout in deze zoete wond door een herfstgedicht van Rilke te lezen. Ik leg alvast de CD met Strauss’ Vier letzte Lieder klaar of – liever nog – de Fünf Gesänge opus 104 van Brahms, die cyclus met de onweerstaanbare, schrijnende schoonheid van een najaarsbos.

Genoeg alliteraties en binnenrijm. De nazomer is gewoon een prachtige tijd. Dat wil ik maar zeggen. Ik snoep de laatste restjes vakantie op voor een stedentrip hier of een wandeling daar. En zodoende was ik afgelopen zondag in Haarlem, in het gezelschap van mijn schoonfamilie, een kloeke en fertiele schare van oudtestamentische omvang. De oude Hollandse stad, gelegen in de luwte van het onvermurwbaar door de seizoenen héén denderende Amsterdam, verstaat de kunst om in de nazomer stijlvol te verstillen. Ze krijgt dan iets vertederend nederigs en bescheidens. Dit seizoen staat haar goed, zoals ook menige andere, kalm door de geschiedenis heen schrijdende stad goed tot haar recht komt in deze tijd.

Nu is de VVV-gids, waaraan je jezelf blootstelt tijdens het bezoek aan een dergelijke stad, niet altijd het toonbeeld van bescheidenheid. Door het dunne laagje bladgoud van zijn plaatsvervangende eigenroem héén schijnt echter onmiskenbaar de melancholie. De laatste zoekt ook haar weg in de minder aangename passages van de voordracht, zoals uitingen van verbittering over fatale beslissingen van plaatselijke overheden en welstandcommissies alsmede over het spoor van vernieling, dat projectontwikkelaars in de ogen van de rondleider hebben achtergelaten.

De melancholie van oude Hollandse stadjes drukt zich overigens ook uit in het patina op het standbeeld van de plaatselijke held. Veelal is dat de uitvinder van een optisch instrument, waaraan de medische wetenschap een belangrijke impuls dankt, of van de boekdrukkunst. Niet zelden ook staat op de sokkel het levensgrote bronzen portret van een onverschrokken vechtersbaas, die de stad van één of ander juk heeft bevrijd. Er is in de lokale geschiedenis altijd wel een grote roerganger, die voorop liep bij de ontworsteling aan iets onderdrukkends.

Wanneer een stad dergelijke standbeelden tekort komt, maakt ze dat ruimschoots goed door aan de gevels van haar huizen bordjes aan te brengen. Deze plaquettes getuigen dan van het bliksembezoek dat een beroemde kunstenaar ooit aan zijn nicht bracht, die eertijds in deze stad woonde omdat ze was gehuwd met de plaatselijke taxidermist, klokkengieter of touwslager. Dat was in een periode waarin je met dergelijke beroepen nog je brood kon verdienen en aanzien kon verwerven – om over de eraan ontleende voldoening maar te zwijgen.

In Haarlem kon ik mijn weemoedige stemming botvieren in het Teylers Museum. Deze instelling is overigens meer dan een fossiel of een monument. Het museum heeft een vitaal en actueel collectie- en expositiebeleid. Niettemin geniet ik vooral van het aura dat in de monumentale zalen zweeft en dat de vaste collectie omgeeft. De met gebruikmaking van een typemachine beschreven kartonnetjes met tekst en uitleg bijvoorbeeld vormen inmiddels een inventarisonderdeel met zijn eigen betekenis en waarde. Elk element in ‘het Teylers’ dwingt respect af, zodat het hierboven weergegeven bordje vrijwel overbodig is.

Het bord is wél symbolisch. De nazomernostalgie slaat bij mij namelijk ook wel eens om in de lichte verbittering, waarvan VVV-gidsen blijkbaar niet het alleenvertoningsrecht hebben: verbittering over de retoriek van de cultuurbezuinigers, die de economische crisis hebben aangegrepen om eens goed huis te houden en zich te ontdoen van in hun ogen overtollige zaken. Natuurlijk: soms had en heeft het subsidiestelsel de perverse effecten, die John Borstlap in Trouw van 31 augustus aan de kaak stelde. En uiteraard zijn sommige instellingen door de bezuinigingen creatiever geworden en leggen bepaalde ensembles een indrukwekkende veerkracht aan de dag. Wat je niet kapotmaakt, maakt je sterker, nietwaar? Een feit is echter dat hier en daar ook onherstelbare schade is aangericht. Je kunt met causaliteit niet alle kanten op: het stoppen met een medicijn dat onaangename bijwerkingen heeft, is niet op zichzelf een geneesmiddel.

Ik wil u echter niet vermoeien met mijn stokpaardjes, doch in dit stukje de mildheid van de nazomer laten overheersen, in de hoop dat de voortschrijdende verstandsverbijstering van politici, net als de seizoenen, het onderdeel is van een cyclus. Maar geeft u nu zelf toe: over hoop schrijven is ook enigszins saai. En de Ode an die Freude is nu eenmaal banaler dan al die prachtige kunst, waarvoor het Verval model heeft gezeten met zijn onweerstaanbare charme – en waarvan ik straks in de herfst ga genieten met volle teugen.

Fidelio

Ieder jaar probeer ik, als het even lukt, alle strijkkwartetten van Beethoven te beluisteren. Op warme, windstille zomeravonden ga ik na tien uur in de tuin zitten, plug ik de oortelefoontjes in mijn oren en zet ik de CD aan. (Ik heb wat betreft geluidsdragers inderdaad een paleontologische voorkeur.) Als ik weinig tijd heb, draai ik in elk geval de ‘late kwartetten’. Als je een beetje gewichtig wilt doen, word je geacht dit zestal te kwalificeren als het hoogtepunt van de muziekgeschiedenis. En inderdaad: op het moment dat ik ernaar luister doe ik dat ook. Bij veel andere muziek vergaat het me echter ook zo. Er is heel veel ‘mooiste-muziek-aller-tijden’, ook bij Monteverdi en Bach, Brahms en Bruckner, Berg en Sibelius.

Beethoven is me met de paplepel ingegeven, maar de kamermuziek heb ik vrij laat ontdekt. Mijn vader had een onverwoestbare – en mij als puber op zondagmiddag soms tot razernij drijvende – voorkeur voor de symfonieën van Beethoven. In zijn sobere platenverzameling stonden vooral opnames dáárvan, alsook van de concerten. Ook de opera Fidelio stond bij hem hoog in aanzien. Nolens volens en geleidelijk heb ik van mijn vader de bewondering voor deze werken overgenomen.

Vlak voor mijn dertigste leerde ik, dankzij mijn vriend, de strijkkwartetten kennen en van daaruit ging ik op eigen kracht de overige kamermuziek verkennen. En zo leek mijn ontdekkingstocht in het oeuvre van Beethoven op een bergbeklimming. Naarmate ik hoger kwam, werd het landschap soberder en zuiniger, kaler en transparanter. Het orkest dunde uit tot een kamerensemble (kwartet, trio, duo) en maakte uiteindelijk plaats voor de solist op het klavier. Op de top, ver boven de boomgrens en in de ijlst denkbare lucht, ontdekte ik opus 111, met zijn tijdloze variatiedeel.

Ik liet de ‘lagere regionen’ echter niet achter me. In mijn CD-kast staan vijf opnames van Fidelio, de favoriet van mijn vader. Ik draai ze vaak als ik een lange autorit moet maken. Zo’n opera is immers ook een soort hoorspel met een spannend verhaaltje, dat je als zodanig de tijd doet vergeten. Niettemin heb ik een haat-liefde-verhouding met de opera. Bij sommige ensembles slaat de verveling wel eens toe. De gezongen delen worden afgewisseld door dorre gesproken monologen en zijn zonder veel samenhang aan elkaar geregen. En dan zijn er de vaak ingebrachte literaire bezwaren. De tekst verdient bijvoorbeeld niet de schoonheidsprijs en het verhaal is ongeloofwaardig: “Jonge echtgenote van politieke gevangene verschaft zich toegang tot de gevangenis van haar man, door als man verkleed succesvol als hulpcipier te solliciteren”. Verder is het gegeven van de opera zwaar politiek correct en staat het drama bol van Kantiaanse fatsoensrakkerij (‘Meine Pfli-hicht, ja meine Pfli-hicht hab’ich getan!’)

(Wat betreft het geloofwaardigheidsbezwaar moeten we overigens aantekenen dat het travestiegegeven voor de toeschouwer rond 1800 niet zo opzienbarend was, als wij heden ten dage denken. Ook in een roman als Wilhelm Meister komt het bijvoorbeeld voor en de androgyne verschijningsvorm van een jonge man werd klaarblijkelijk als normaal, ja zelfs als erotiserend ervaren. Dat was tot ver in de 19e eeuw zo, blijkens Siegfrieds verwarring als hij in de naar hem genoemde opera de geharnaste Brünhilde leert kennen – maar Wagner was dan ook de kampioen van de grensvervaging. Kortom: er werd tot voor relatief kort nogal soepel omgesprongen met ‘gender-identiteit’.)

Alle bezwaren ten spijt blijf ik een fan. Het luidkeels snakken naar de vrijheid en het hameren op de liefdestrouw: daar kan een normaal mens geen bezwaar tegen hebben – en Beethovens opera voert een uitzinnig en fijnzinnig muzikaal pleidooi voor deze twee zuilen van ons bestaan. De Kantiaanse deugdzaamheid zingt, speelt en danst zich bij Beethoven in een Dionysische roes. Het eigenlijke geheim van mijn blijvende aanhankelijkheid jegens Fidelio is echter, dat ik door de opera postuum een inkijkje krijg in de zielenroerselen van mijn vader, die doorsnee man uit een eenvoudig Limburgs milieu, die blijkbaar soms vanuit zijn grauwe tredmolenbestaan snakte naar lucht en hunkerde naar licht. Als hij met gesloten ogen naar de platenspeler luisterde of midden in de woonkamer mee dirigeerde (voor zijn kinderen soms een genante vertoning) was hij waarschijnlijk op dat moment één van de gevangenen in het koor, dat in een uitbundig crescendo de vrijheid bezingt.

Aan Fidelio blijf ik verknocht. Muzikaal kom ik echter, eerlijk gezegd, al met al het meest aan mijn trekken bij andere composities van Beethoven. Het is dan ook jammer, dat mijn vader, voor zover ik weet, niet de kwartetten heeft gekend (of ze niet heeft leren waarderen): die kwartetten waarin de hemelbestormer Beethoven zijn ideaal bijna kon aanraken.

Want laten we eerlijk zijn: Er is maar één God – en Beethoven is zijn profeet.

Een terugblik op de uitvaart van een moedig man

Vandaag, op dat mooie en vermetele, heimelijk met het heidendom heulende en met folklore flirtende feest van Maria Tenhemelopneming, vond in Den Bosch de uitvaart plaats van Mgr. Jan Bluyssen (*1926), de man die van 1966 tot 1984 leiding gaf aan het bisdom ’s-Hertogenbosch. Vorige week overleed hij.

Een moedig man

Mgr. Bluyssen is in alle toonaarden herdacht, ook in de sociale media. Wat me daarbij opvalt is, dat veel mensen bisschop Bluyssen kwalificeren in termen van zachtmoedigheid en vriendelijkheid, meegaandheid en toegeeflijkheid.  Het is niet altijd duidelijk of dit ondubbelzinnig positief is bedoeld. Indirect klinkt er ook een diskwalificatie in mee en de suggestie van zwak leiderschap. Soms zegt iemand ook onverbloemd dat mgr. Bluyssen ‘zacht’, ja ‘te soft’ was. Het prijzen van Bluyssens zachtmoedigheid lijkt – al naar gelang wie de spreker is – ook het halfslachtige en plichtmatige eerbetoon te zijn van een generatie cryptomasochistische katholieken, die in de jaren zeventig en tachtig opgelucht ademhaalden toen de ene na de andere ‘zachte’ bisschop werd vervangen door een hardhandige herder die vreugdeloze duidelijkheid bood.

Het is natuurlijk een kwestie van definitie, maar Bisschop Bluyssen was allesbehalve een ‘zachte’ man. Hij was immers voor de duvel niet bang. Als je zo open staat voor andere meningen, als je nieuwsgierig en belangstellend de ontwikkelingen in de samenleving volgt, als je – zonder verborgen agenda en vooropgesteld doel – het avontuur aangaat van een dialoog met buitenstaanders en met dissidenten in eigen kring, als je met open vizier theologie beoefent, als je je – kortom – zo ongedwongen en soepel kwijt van je opdracht: dan ben je niet zacht of soft. Dan heb je lef, dan beschik je over mentale lenigheid en spankracht, dan heb je een stevige ruggengraat. Dat is méér dan ‘zachtmoedigheid’. Het is gewoon moed.

Vaak schuilt er juist in strenge leiders een door angst week geworden ziel. Bij gebrek aan ruggengraat zoeken ze hun toevlucht tot een uitwendig skelet. Zijn zij sterkere leiders? Of missen ze misschien gewoon het spirituele, morele, karakterologische en intellectuele niveau, dat een mens in staat stelt zich open te stellen voor de werkelijkheid, voor andersdenkenden en voor de eisen en tekenen van de tijd? Bluyssen had dat niveau in ieder geval wel. Dat stelde hem in staat om zonder krampachtigheid op te treden.

Indrukken van achter een pilaar

Ik ben van de generatie die de tijd heeft meegemaakt, waarin de angst nog niet regeerde in de Nederlandse kerkprovincie. Mgr. Bluyssen belichaamde die tijd. Daarom wilde ik bij de uitvaart zijn. Bovendien kende de bisschop sinds kort ook rechtstreeks, omdat ik afgelopen jaar betrokken raakte bij een fonds ten behoeve van Derde Wereld, dat de bisschop in het leven had geroepen.

Zodoende zat ik vandaag in de Sint-Jan – achter een pilaar overigens, want er waren te veel mensen die, vanwege iets voor of achter hun naam, een gereserveerde plaats in het middenschip hadden. Ook werd een fors deel van de beste plaatsen in de kathedraal bezet door wat ik aanvankelijk aanzag voor een forse delegatie van de (immers in het bisdom gelegen) Efteling, maar wat bij nader inzien een vijftal (schutters-)gildes bleek te zijn: onversneden ‘gothic’ van degelijke Brabantse bodem en een mooie tegenhanger van het paarse gewemel op het priesterkoor.

Goed: ik zat berustend op een goedkope plaats en moest me behelpen met de haperende beeldschermen, die overigens niet echt nodig bleken, aangezien het statische ritueel rond het altaar weinig filmische potentie had. Met het geluid was er niets mis – tenzij men hoge eisen stelde aan de zangkunst van de hoofdcelebrant. Dankzij de puike geluidsversterking kon ik er getuige van zijn hoe één van de concelebranten een brief voorlas van de nuntius, waarin deze namens de staatssecretaris van de paus mededeelde, dat de paus op zijn beurt eraan hechtte zijn meeleven te betuigen. Of zo iets. Het was in elk geval een duizelingwekkend complexe – en als zodanig plechtige – condoleance.

Kippenvel

U heb er begrip voor als u mij na het bovenstaande beticht van moedwillige ironie en ervan verdenkt een cynische en rancuneuze acht-mei-katholiek te zijn. Misschien bent u in dat geval lid van de opgewekte generatie Nederlandse katholieken, die bisschoppen van het type Bluyssen niet heeft gekend – de generatie die ‘niet beter weet’ en die in die zin lijkt op iemand, die is opgegroeid in een gevangenis. Dan is het invoelbaar dat u mij een oude mopperaar vindt.

Maar deze oude mopperaar had vandaag ook zijn ‘kippenvelmomenten’. Ik prees me gelukkig dat er geen bekenden in mijn omgeving stonden, zodat ik ongegeneerd mijn tranen kon wegpinken. Indrukwekkend was bijvoorbeeld het onverbiddelijke geluid van de ritmische slagen op de omfloerste trom, waarmee de gildes hun intrede deden, terwijl de organist onverdroten verder preludeerde.

Een ander in zijn fluwelen heroïek ontroerend moment werd gevormd door het slotwoord van de familie, waarin bondig maar op niet mis te verstane wijze recht werd gedaan aan de wijze waarop Bluyssen het bisschopsambt had uitgeoefend. Het riep een golf van instemming op bij de kerkgangers, die zich ontlaadde in het applaus dat opging toen de kist met het stoffelijk overschot door het gangpad naar buiten werd gedragen.

Niet iedereen klapte natuurlijk. Die hadden iets in hun handen. Een staf bijvoorbeeld.