Author Archives: Eric Corsius

Korte lontjes

Op vrijdag 20 december ging ik vanuit mijn laatste werkafspraak naar huis met een redelijke voorraad vrije tijd en met enkele bescheiden financiële extraatjes. Veertien dagen later stel ik vast, dat zowel de verlofuren als de kerstbonussen ongemerkt in rook zijn opgegaan.

De extra tijd vliegt immers voorbij in een periode van sociale verplichtingen. Bovendien heb ik de merkwaardige eigenschap om in verlofperioden mijn leeftempo te vertragen, zodat een eenheid tijd ook minder waarde vertegenwoordigt. Met andere woorden: ik knoei meer met mijn tijd, naarmate ik er meer van heb.

Ook de extra financiële armslag blijkt iedere keer weer een illusie, want het lijkt alsof de verzenders van facturen en aanslagen als aasgieren op de uitkijk hebben gestaan en zich rond de jaarwisseling collectief storten op de niets vermoedende consument, abonnee, verzekerde of belastingplichtige. En ook wat betreft mijn geld ben ik geneigd er slordiger mee om te gaan, als ik er wat ruimer over beschik.

Ook als je je geld niet ‘verspilt’ aan consumentenvuurwerk, blijven er in de feestdagentijd genoeg nutteloze en – erger nog – zinloze zaken over, om geld en tijd aan te spenderen. Aangezien ik onlangs in de Toverberg het hoofdstuk had gelezen, waarin Thomas Mann onbarmhartig beschrijft hoe de bewoners van het sanatorium de tijd en hun geest doden met verzamelwoede, spelletjes, rariteiten en noviteiten – soms op het ‘unheimliche’ af – kon ik de afgelopen tijd slechts met het schaamrood op de kaken in de spiegel kijken.

Ik kon mijn geweten gelukkig in slaap wiegen met de gedachte, dat Thomas Mann hier een toespeling maakt op de decadentie die Europa had uitgehold aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog – en dat het hoofdstuk over de ‘stompzinnigheid’ dus over iets heel anders ging dan over decompressieverschijnselen na een paar maanden hard werken.

***

Dit neemt dit weg dat Manns beschrijving van de jolige en losgeslagen sanatoriumsfeer onze cultuur, die zo op ‘levenslang spelen’ is gericht, een spiegel voorhoudt. Ook zonder in het cultuurpessimisme van de Nexuslezer te vervallen, moeten we erkennen dat wij onze overvloed vooral besteden aan het tot bedaren brengen van onze onverzadigbare dorst naar zinnenprikkeling – en dat dit zich niet beperkt tot enkele uitzonderlijke tijden van het jaar, waarin we uit de band springen. Ook Lipovetsky en Serroy betogen in hun L’esthétisation du monde (Gallimard 2013) overtuigend dat wij leven in een ruimtelijk en temporeel ononderbroken spel en schouwspel – overigens zonder hun lezers met deze diagnose te willen kastijden.

Met ons collectieve gebrek aan seriositeit – dat zich niet alleen, maar wel symptomatisch uit in de jolijt op de social media – hoeven we niet de apocalyptische dreiging te associëren, die Mann er in zijn tijd post factum mee verbond, de losbandigheid suggestief opvoerend als voorbode van de Grote Oorlog. Onze consumentistische cultuur stevent niet per se af op een Titanic-achtig debacle en we hoeven de decadentie-parabel van Mann tot zover niet op te vatten als een onheilsprofetie.

Mann laat het echter niet bij de hilarische beschrijving van de mentale leegheid. Verontrustend genoeg volgt er bij de sanatoriumbewoners op de fase van de ‘stompzinnigheid’ een ander stadium: dat van de ‘grote prikkelbaarheid’. Daarover nadenkend, voelde ik de schrik mij om het hart slaan. Ook in onze cultuur liggen zinloos en zinneloos tijdverdrijf enerzijds en de toenemende opvliegendheid en lichtontvlambaarheid anderzijds dicht bij elkaar. Welvaart maakt blijkbaar niet verdraagzamer en vredelievender. Het door het minste of geringste te krenken individu staat voortdurend op scherp en van de overheid wordt op alle fronten ‘zerotolerance’ geëist. En dat ondermijnt wel degelijk onze samenleving.

Ach, misschien heeft het vuurwerk ons weer even opgelucht en ons weer wat rekkelijker gemaakt. Dan hebben de folklorologen gelijk die beweren dat we sinds jaar en dag vuurwerk afsteken om boze geesten te verdrijven. Alleen dat is al een reden om vuurwerk niet te verbieden. Hopelijk beklijft het effect dit keer echter wat beter.

Ik wens ons allen voor 2014 een langer lontje toe en een minder ontvlambaar gemoed.

***

Postscriptum over het verbieden

Dit jaar was de roep om het verbod op consumentenvuurwerk heftiger dan ooit en de brede maatschappelijke acceptatie van zo’n verbod lijkt binnen handbereik te komen. (Een vergelijking met de doorbraak van de ‘zwartepietendiscussie’ dringt zich op.) Toch zie ik verbieden niet als een bijdrage aan een constructief en positief maatschappelijk klimaat. Pas als regulering, voorlichting en handhaving niet meer werken en de (onmiskenbare!) excessen echt niet anders kunnen worden tegengegaan, is een verbod te overwegen. Verbieden mag ook niet de triomf en troefkaart zijn van de getergden. Ik tolereer liever verwerpelijk gedrag – zolang dit binnen de formele, wettelijke perken blijft – dan dat ik mij verschuil achter de brede rug van de overheid. Ik behoud me echter het recht voor om bepaalde vormen van gedrag verwerpelijk te vinden en de toelaatbaarheid ervan als een louter formele en negatieve categorie te beschouwen. (Voor dat laatste: zie ook onder ‘puntig’, nummer 45.)

Het genot van het spel en de regels

Op dit moment speelt zich in menig huisgezin ongetwijfeld een botsing der generaties af. De puberende zoon of dochter tekent protest aan tegen de verplichtingen van het kerstfeest en kondigt aan, dat zij of hij zal weigeren om mee te werken aan de feestvreugde. Het kerstfeest is immers een uitvinding van de commercie, die ons dwingt de schone schijn van harmonieuze familiebanden op te houden. Het is daarbij ook nog eens gebaseerd op een door de wetenschap lekgeprikte mythe. En waarom precies op 25 december? Dat is toch een dag als alle andere?

Dit conflict hoort bij de cirkelgang van de geschiedenis. Ieder van ons heeft waarschijnlijk ook zelf ooit deze hormonaal bepaalde kritiek op de instituties beoefend. Ze hoort bij de gezonde ontwikkeling van het individu. Op een goede dag kijkt een mens immers door de betovering van de wereld héén. Hij doorziet dat sommige zaken ‘slechts spel’ zijn en geregisseerde schijn. Wat vanzelfsprekend en normaal leek, blijkt conventie en willekeur te zijn. Kritische argwaan is op zo’n moment een gezonde reflex en een onvermijdelijke groeistuip.

Ook in de geschiedenis wordt er herhaaldelijk geadolesceerd op deze wijze. De begintijd van  emancipatiebewegingen en van culturele en maatschappelijke omwentelingen is immers eveneens een soort puberteit. Wijst Kants definitie van de Verlichting*) bijvoorbeeld niet in deze richting? En zie je bij het lezen van menige ideologiekritiek geen onderuit gezakte, verveelde zestienjarige voor je geestesoog?

In het proces van (individuele en collectieve) volwassenwording en emancipatie volgt op het stadium van de kritiek een meer welwillende en tegemoetkomende fase – tenminste: als het goed is. Nadat een mens eenmaal het spel en de conventie heeft doorzien, kan hij of zij er ook wel om glimlachen. Hij of zij voelt zich niet meer bij de neus genomen, staat boven de situatie en kan soeverein en ongedwongen meedoen aan het spel.

Als het om religieuze rituelen gaat, kunnen we dit ‘knipogend meedoen’ kwalificeren als ‘oprecht veinzen’. Als het om andere conventies gaat – zoals taalkundige regels, omgangsvormen, de artistieke of culinaire canon, tradities en herdenkings- en feestdagen etc. – valt meedoen in de categorieën van etiquette en goede smaak, sportiviteit of correctheid.

Jammer genoeg blijven sommige enkelingen of groepen steken in de humorloze en ééndimensionale fase van de puberteit en leren ze nooit dat je kunt spelen met de gelaagdheid van traditionele opvattingen en gewoontes. Ze blijven behept met achterdocht en ontmaskeringsmanie.

U kent deze mensen wel. Als een levend memento mori bederven ze de stemming op elk verjaardagsfeestje. Ze wijzen de andere gasten er nadrukkelijk aan, dat alles ‘poppenkast’ is. Ze verstaan de kunst, om de schuimkraag van uw bier te laten inzakken door er alleen maar naar te kijken. Kerstmis is voor hen een samenzwering van priesters en kooplui. Voorkeursspelling en grammaticale regels zijn willekeurig en elitair. Onze opvattingen over ‘high and low culture’ zijn in hun ogen de achterhaalde erfenis van een door hiërarchisch denken gekenmerkte periode. En zo voorts.

De in hun puberale verbittering gefixeerde mensen hebben uiteraard tot op zekere hoogte gelijk. Natuurlijk is in ons samenleven bij veel, zo niet alles, de willekeur van de conventie in het spel. En conventionele ‘spelregels’ zijn inderdaad geen ijzeren wetten. Een spel en zijn regels hebben echter wel degelijk een functie. Ze verbinden ons onderling en verlenen aan onze onderlinge relaties de nodige lichtheid, lenigheid en soepelheid. Ze geven ook diepte en reliëf aan het leven. Dankzij hen is immers niet alles ‘om het even’ en zijn sommige plaatsen, tijden en zaken anders dan andere (wat niet het zelfde is als ‘beter’ of ‘verhevener’).

In dit licht zijn de hardnekkige critici, behalve humorloos en onvolgroeid, vooral ook onsportief. Ze zijn spelbedervers en ongezellige mensen. Dat ‘ongezellig’ wil ik ook wel vertalen als ‘asociaal’, want wie zich onttrekt aan het spel en alles ‘om het even’ vindt, is onverschillig en ziet neer op anderen.

Zoals gezegd: veel, zo niet alles in ons leven is poppenkast. Zonder poppenkast is er echter geen leven en samenleven.

*) “Verlichting betekent dat de mens zijn door hemzelf veroorzaakte onmondigheid achter zich laat.”

Het is dringen op de markt.

“Als ik straks de kerk maar haal!” Over de jacht op identiteit

Alleen je eigen hart kent je diepste verdriet, in je vreugde kan een ander niet delen.

 Spreuken 14, 10

Wij mensen zijn gek op identiteit. Als individu of als lid van een groep willen we graag – gevraagd of ongevraagd – kunnen documenteren wie we zijn. Dat doen we op allerlei manieren. We doen het rechtstreeks en uitdrukkelijk: door middel van eenduidige, materiële kentekenen (een speldje, een uniform, een sierraad); door ons op niet mis te verstane wijze te houden aan bepaalde dress-codes; door de inrichting van onze woning en de indeling van onze tijd (rituelen); door een materieel en immaterieel consumptiepatroon of door te pas en te onpas te getuigen van datgene waarvoor we staan. We documenteren ons vaak ook indirect en impliciet, ja zelfs onbewust: door middel van woordkeuze, omgangsvormen, culinaire en culturele voorkeuren etc.

Het is een cliché – maar daarom niet minder juist – om vast te stellen dat we in het Westen leven in een losgeslagen cultuur, waarin de markt al lang niet meer is verdeeld onder een klein aantal preferred suppliers van identiteit – zeg maar: onder de christelijke, liberale en linkse kerken. De identiteitsmarkt is radicaal geprivatiseerd – en de consument is daardoor op drift geraakt. De vreugde van de bevrijding uit knellende institutionele banden en de juichstemming over de doorbreking van levensbeschouwelijk Fordisme zijn verweven met een amechtige hectiek. Ons houvast is weg en we vragen ons angstig af of we mentaal, ideologisch of spiritueel wel onderdak zijn als de avond valt: “Als ik straks de kerk maar haal….”

Overigens duidt het beeld van de markt op een opvallend kenmerk van onze jacht op identiteit. Identiteit is niet zozeer iets wat we (willen) zijn, maar iets wat we (willen) hebben. Identiteit is te koop: ook en vooral alle immateriële identiteitsdragers (zoals rituelen, lidmaatschappen, cultuurproducten) zijn ‘hebbedingen’ geworden, waarvoor een prijs moet worden betaald in de vorm van geld, tijd of inspanningen (of alle drie). Ons spreken over identiteit heeft dus iets tegenstrijdigs. Als we beweren en documenteren dat we iets of iemand zijn, verwijzen we eigenlijk naar materiële en immateriële eigendomstitels, naar datgene wat we hebben.

De grote institutionele aanbieders van identiteit hebben, zoals gezegd, hun dominante positie verloren, ja: ze dreigen te imploderen. De identiteitsconsument zoekt daarom zijn of haar heil – op de reeds geschetste paniekerige wijze – bij de nieuwe aanbieders. Veelal zijn dat kleine, virtuele of reële verbanden en gemeenschappen. Want gedeelde identiteit is dubbele identiteit, zeggen we. En we kunnen wel zonder instituties, voegen we eraan toe: maar niet zonder verbanden.

Vreemd genoeg komt niemand op het idee, dat je wellicht ook een tijdje zonder identiteit kunt of dat je als individu minstens ook wat creatiever kunt zijn – en dan doel ik op een creativiteit die verder gaat dan het assembleren van elementen die je van de markt haalt.

Maar misschien is precies dàt het beangstigende: die optie om het alleen te doen. Soms sta ik – als de losgeslagen en opgejaagde identiteitsconsument die ik zelf ben – plotseling stil op die drukke markt, midden in die stroom van trekkende, duwende, sjorrende en dringende mensen. Dan zie ik in hun ogen en hoor ik aan hun adem, dat er achter die honger om ‘iemand te zijn’ iets anders schuilt. Achter de panische zorg voor het hebben van een identiteit schuilt de angst voor de individualiteit, de angst voor het eenzame avontuur van het zijn.

 

Eerder verschenen op: http://godschrift.nl/artikel/dringen-op-markt-van-identiteit

Zo onschuldig is het kerstkind niet.

Het is inmiddels een goede jaarlijkse traditie, om op een neerbuigende en zelfs gekrenkte toon te klagen over de kitsch en de blingbling die zich meester maken van het kerstfeest. Waarom kunnen de mensen niet gewoon genieten van Bach – of desnoods Händel? Zo vraagt de zichzelf fijn besnaard achtende ziel zich af. Zelf ben ik ook behept met dit onvermogen om mij te verplaatsen in de smaak van anderen. Tegelijk betrap ik me erop, dat Bachs verheven kerstcantates voor mij vooral een sfeermakende functie hebben en dat ik meer ben gehecht aan de klank dan aan de kunstwerken als zodanig. Net als bepaalde geuren, kleuren en smaken is deze klank een bestanddeel van de cocon, waarin ik mezelf terugtrek in de koude en korte dagen.

Het culturele snobisme, dat misprijzend neerziet op de ‘lage cultuur’, heeft ook een theologische pendant. Ik ben er sinds jaar en dag in getraind om meewarig het hoofd te schudden over de aanbidding van de kleine mollige Messias. Wordt het kerstverhaal, dat slechts is bedoeld als een voetnoot of hors d’oeuvre bij het grote verhaal van de onderwijzende, lijdende en opgestane Jezus, niet te sterk uitvergroot? Plaatst het romantiserende kerstverhaal de verontrustende Bergrede niet in de schaduw? Overwoekeren de gevoelens van vertedering en hartverwarmerigheid niet het opstandig makende en explosieve nieuws van het Rijk Gods?

Zo verhef ik mij cultureel en spiritueel boven de mensen die zich – in mijn ogen – tegoed doen aan kitsch en sentiment. Misschien is het vruchtbaarder om mij af te vragen, waarom het kinderfeestje van Jezus zo hardnekkig populair is – en waarom het ook mij tegen wil en dank in zijn ban trekt. Blijkbaar gaat er een onontkoombare charme en betoverende werking uit van een onbedorven en ontwapenend kind. Dit lijkt iets universeels te zijn. Het archetype van een godheid, die zich bij voorkeur aan de mensheid openbaart in de gestalte van het kind, komt in meerdere mythologieën en religies voor.

Door in de gedaante van het kind te verschijnen, haalt de godheid overigens de menselijke systemen en categorieën onderuit. Dat is allesbehalve vertederend of sentimenteel, doch regelrecht verontrustend. Dit archetype van het kind als ordeverstorende epifanie heeft zijn weg ook gevonden in de literatuur, zoals in Thomas Manns Doktor Faustus – waar de kleine Nepomuk Schneidewein zijn omgeving verwart – en in Coetzees De kinderjaren van Jezus – waar het jongetje David de vanzelfsprekende denkpatronen ondermijnt.

Alfonso M. de Liguori (1696-1787), de barokke theoloog en volksprofeet, kende deze betoverende werking van het kind als geen ander. Hij raakte niet uitgeschreven, uitgeschilderd en uitgezongen over het Jezuskind en over het feit dat de wereld als bij toverslag veranderde toen het kind werd geboren. In Italië is zijn kerstlied Quanno nascette van meet af aan zeer populair geweest. De goede verstaanders horen het doorklinken bij Händel en Bach en het wordt nog steeds gezongen door elk zichzelf respecterende Italiaanse popartiest. In dit ogenschijnlijk idyllische herdersliedje wordt bezongen, hoe de geboorte van het kind Jezus de wereld op zijn kop zet.

Zo onschuldig is een kind blijkbaar niet. Alle rangen en standen erkennen dit en zingen erover.

 

Eerder gepubliceerd op: http://www.debezieling.nl/zo-onschuldig-het-kerstkind-niet/

Het progressieve masochisme

Het valt niet mee om progressief te zijn. De inertie van de realiteit is een moeras, waarin de stootkracht van de veranderingsgezindheid vastloopt. Tot die realiteit hoort ook en vooral datgene wat wij aanduiden met ‘politieke realiteit’: de feitelijke machtsverhoudingen en – in een democratie – de partijpolitieke voorkeuren van mensen. Elke progressief moet vroeg of laat toegeven dat hij of zij terrein heeft verloren – of zelfs de hele strijd – in zijn of haar streven naar verandering.

Nu geven mensen niet graag toe dat ze verloren hebben. De hersenen graaien in zo’n situatie diep in de evolutionaire trukendoos. Daar vinden zij tactieken om zogenaamde ‘cognitieve dissonantie’ op te lossen. Ook de progressieve hersenen doen dit vaak en de verliezer begint dan haar of zijn opvattingen en idealen aan te passen aan de gegroeide werkelijkheid – omdat de spanning tussen ideaal en realiteit anders ondraaglijk dreigt te worden.

***

Uiteraard siert het een beweging, als zij bepaalde inschattingsfouten erkent en als zij haar visies en standpunten voortdurend kritisch tegen het licht houdt. Het geeft blijk van mentale gezondheid, als iemand op rationele wijze vraagtekens plaatst bij de eigen standpunten – en vooral bij de onverzoenlijkheid waarmee hij of zij die in het verleden heeft geprobeerd te realiseren.

Bij de berouwvolle progressief gebeurt echter iets anders. De progressief begint – om de schrijnende dissonantie op te lossen, maar soms ook uit vermoeidheid of regelrechte angst – de discussie over wezenlijke zaken uit de weg te gaan. Ja: hij of zij gaat zelfs twijfelen aan de essentiële waarden waarvoor hij of zijn staat. Er is geen sprake meer van gezonde methodische en inhoudelijke twijfel, doch van fundamentele onzekerheid en substantiële twijfel aan zichzelf.

Zo ontstaat uit lijfsbehoud een praktisch, pragmatisch, ja: opportunistisch relativisme – niet zelden gevolgd door een orgastische omarming van gisteren nog verfoeide standpunten. De onvermijdelijke samenwerking met of de gedwongen omhelzing van de veelal sterkere tegenstander staat voorop. De progressief gaat soms zelfs zover, dat hij of zij de hoon van de reactionaire tegenstanders internaliseert en lacherig gaat doen over het eigen verleden.

***

De beweging die zichzelf inmiddels – met een op deze wijze geïnternaliseerde zelfspot – aanduidt als de ‘politieke correctheid’, lijkt deze weg te gaan. Men blijft niet staan bij de terechte zelfkritiek over eenzijdigheden en uitglijders uit het verdere of voorbije verleden. Nee: men organiseert interne bijltjesdagen en kastijdt zichzelf op exhibitionistische wijze. Men omarmt de knieën van de meest geduchte tegenstander – het populisme – en grijnslacht masochistisch onder de door hem toegebrachte vernederingen. Het is een gênant schouwspel, een showproces in de regie van de aangeklaagde zelf.

Alleen tegen de achtergrond van dit psychologisch mechanisme kan ik het feit verklaren, dat de media die afkomstig zijn uit de ‘politiek correcte’ stroom – en die soms met terecht gekromde tenen terugkijken op een al te eenzijdig en propagandistisch verleden – roomser willen zijn dan de paus. Blijkbaar willen zij hun fouten alsnog goedmaken, door een podium te bieden aan de woordvoerders van rechtse en revanchistische bewegingen – de verhoudingen van representativiteit uit het oog verliezend.

En alleen zó is voor mij het feit verklaarbaar, dat de late-avond-praatmannen van de VARA geregeld het werk van WNL of Powned overdoen. Onder het flinterdunne laagje journalistieke ironie is de uit welbegrepen eigenbelang voortkomende kruiperigheid zichtbaar. Maar ja, wie geeft hun ongelijk, gezien de in onze samenleving aan kracht toenemende afrekeningsretoriek?

***

Je verlies onder ogen zien, je standpunten bijstellen,  je idealen opgeven, je tegenstander zegenen: het zijn stadia in een fatale ideologische ontwikkeling, die ongemerkt in elkaar overgaan. Het lijkt er op, dat reflexen van onzekerheid en vermoeidheid, angst en lijfsbehoud het hierbij winnen van de rationele reflectie. Dit roept vragen op over de gezondheid van onze politieke cultuur.

Een ander licht

Het leven in een non-descripte stad als Eindhoven in de meest sombere maand van het jaar is een zware opgave. Als een onbestemd donkergrijze vloeistof sijpelt de neerslachtigheid door de kieren van je ziel naar binnen. Gelukkig heeft de creatieve en innovatieve stad hierop iets gevonden – zij het eerst zeer recentelijk. In 2006 werd namelijk het Glow Festival in het leven geroepen. Sindsdien is de stad iedere november een week lang het toneel van lichtkunstwerken – uiteenlopend qua formaat en genre, gehalte en pretentie.

Ik herinner me dat ik het evenement in 2006 per ongeluk ontdekte, toen ik op een regenachtige avond van het station naar huis fietste. Ik werd volkomen verrast door de magie van een onzichtbare hand, die onverwacht kleur, lichtheid en speelsheid verleende aan de drukkende architectuur uit de muffe neogotiek, de nurkse wederopbouwjaren en de kneuterige jaren tachtig. Het was of de betonsluier van de stad doorzichtig werd.

Glow was een gouden greep, want sedert de start in 2006 is het aantal bezoekers vertienvoudigd en is het festival uit de kluiten gewassen. De betovering van het nieuwe is uiteraard vervlogen. De groei van het aantal bezoekers heeft bovendien tegelijk het aantal regels en aanwijzingen doen toenemen, evenals het aantal hekwerken en verplichte looproutes, toegangscontroles en pretparkrijen. Het is niet meer zo makkelijk om ad random rond te slenteren, om je te laten verrassen als je een hoek omgaat en om te luisteren naar de gedempte Oh’s en Ah’s van andere toeschouwers. Hopelijk gaat het festival niet ten onder aan zijn succes.

Sombere cultuurdokters zullen trouwens vaststellen dat het festival een zoveelste symptoom, ja uitwas is van de ‘esthetisering van de wereld’ en het ‘artistieke kapitalisme’*. We kunnen ons beter van onze verfijnde kant laten zien en de prikkelarme maand gebruiken om in te keren in onszelf. We kunnen bijvoorbeeld samen met Rilke ‘waken, lezen, lange brieven schrijven en onrustig dwalen door de lanen, terwijl de bladeren om ons heen stuiven’. In plaats daarvan zwengelen we in november de industrie van zintuiglijke indrukken aan, de machine die de prikkels produceert waaraan de homo estheticus in ons zo verslaafd is. Festivals als Glow zijn het prozac van de op drift geraakte postmoderne mens, zal de cultuurpessimist verzuchten.

Tenzij de commercialisering het festival helemaal in haar greep krijgt en de kitscherige elementen (die er zeker onderdeel van zijn) de overhand krijgen, blijft Glow niettemin een spannend experiment met de doorsneestad die Eindhoven is. De stad wordt gedurende een week onder een verrassende hoek belicht. Wat lelijk is (of gewoon saai) mag een week lang baden in de weelde van vluchtige schoonheid – of blijkt bij nader inzien helemaal niet zo lelijk te zijn.

Glow is echter meer dan een premature kerstmarkt, meer dan een tijdelijke make-over, waarna de stad voor de rest van het jaar weer wegzinkt in haar Assepoesterbestaan. Glow is ook een ontdekkingsreis. Uithoeken van de stad worden aan de duisternis ontrokken en tijdens het festival komt de bezoeker op plekken waarop zelfs de geboren en getogen Eindhovenaar niet zo makkelijk komt. No-go-areas zijn nu van iedereen. Verlaten fabrieksgebouwtjes, louche binnenplaatsen en ontoegankelijke villatuinen worden toegankelijk, ja: nodigen uit. De stad blijkt geen boze droom te zijn, waarin de mens verdwaalt, doch een herbergzaam oord.

Kortom: Glow betovert. Het festival plaatst de publieke en semipublieke ruimte letterlijk en figuurlijk in een ander licht. Er begint iets te glinsteren in de ogen van de stad – en van haar bewoners en bezoekers. Voor even worden de stad en haar mensen doorschijnend. Hun hart en hun ziel komen aan het licht.

De kunst verheft, zo blijkt maar weer. Dat is ouderwets uitgedrukt, maar ik ben dankbaar dat ze dat nog steeds niet is verleerd.

* Cfr. Lipovetsky, G. en J. Serroy. L’esthétisation du monde: Vivre à l’âge du capitalisme artiste. Gallimard 2013.

***

Bij de afbeelding: Het kunstwerk ‘Cloud’ van Caitlind r.c. Brown & Wayne Garrett (http://incandescentcloud.com/) geëxposeerd in een leegstaand gebouw van het NRE-terrein. Hergebruik van afgedankt en historisch geworden materiaal (oude gloeilampen) gaat samen met hergebruik van ruimte (een in onbruik geraakt utiliteitsgebouwtje) en tijd (een sombere novemberavond). In combinatie levert dat een verrassing op.

De hel van de ééndimensionaliteit

Zoals de meesten onder ons heb ik leren lezen aan de hand van (een variant op) het klassieke ‘aap-noot-mies’-leesplankje. Als je zo leert lezen, gebeurt er iets merkwaardigs. Je leert de taal en haar elementen niet kennen in abstracto Je associeert lettercombinaties en woorden van meet af aan met concrete beelden en met de leefwereld achter die beelden.

In het geval van mijn leesplankje – en van de leesboekjes die erop volgden – was dat de leefwereld van een knus oud-hollands dorp met hondenhokken, duiventillen, knikkerende knullen en meisjes met een strik in het haar. De kordate en opgeruimde Nederlandse taal: die rook naar kaneel en fris gewassen linnen lakens op een bleekveldje. Dit was een voor mij aanlokkelijke, maar ook vreemde wereld en het lag voor mij dan ook volstrekt voor de hand, dat in de grauwe mijnstreek – waar ik opgroeide – in plaats van Nederlands een gemakzuchtig en verongelijkt dialect werd gesproken.

Het leesplankje en de kinderlectuur bemiddelen kortom niet alleen abstracte en instrumentele kennis. Ze zijn tegelijk het voertuig voor een wereldbeeld en een levensgevoel. In die zin zijn ze ook een metafoor voor de andere wijzen waarop wij wegwijs worden gemaakt in het leven. De basale levenslessen – over moraal en levenskunst, liefde en geluk, eindigheid en hoop – worden altijd bemiddeld door mythologieën en de daarin vervatte collectieve beelden. Zoals we werden gealfabetiseerd aan de hand van aap, noot en mies, zo worden we levenswijs gemaakt aan de hand van personages, anekdotes, verhaallijnen en zegswijzen uit de Bijbel of de antieke mythologie – of uit inmiddels klassiek en mythologisch geworden literaire werken (die overigens op hun beurt vaak putten uit de voorouderlijke mythologie).

Om die reden grijpen dichters van elke generatie graag terug op figuren en figuraties uit die mythologieën, zodra ze met hun dichtwerken de pretentie hebben om iets van gewicht te zeggen over het leven. Daarbij hoeft het niet eens te gaan om moraliserende bedoelingen. Ook als de schrijver zijn of haar personages plaatst in een proefopstelling of onderwerpt aan een gedachte-experiment – zonder een oordeel of conclusie op te willen dringen – bedient hij of zij zich niet zelden van het instrumentarium van de mythologie.

In De kinderjaren van Jezus doet J.M. Coetzee iets dergelijks. Als je het surrealistische en kafkaësk aandoende verhaal van het vluchtelingenjongetje David, dat aanspoelt in een vreemde wereld, dóórlicht op zijn mythologische geraamte, ontdek je ten eerste tal van (al dan niet subtiel aangebrachte) verwijzingen naar de Bijbelse Jezus. Ten tweede wordt op suggestieve wijze de Hades opgeroepen, de onderwereld waar de bewoners zijn aangeland na de rivier de Lethe te zijn overgestoken en zichzelf vergetelheid te hebben ingedronken.

Deze tweede weefdraad in Coetzees boek – het Hadesmotief – is minstens zo interessant als de Bijbelse verwijzingen naar Jezus, waar de titel de aandacht naar toe leidt. De jonge David en de man die zich onthecht en belangeloos om hem bekommert, komen terecht in een wereld waar de bewoners een schimmig bestaan leiden. Het is een bestaan zonder geschiedenis en (dus?) ook zonder toekomst. Het is een bestaan zonder lichamelijke behoeftes die verder gaan dan het in stand houden van het lichaam en (dus?) ook zonder geestelijke behoeftes – afgezien van de neiging tot vrijblijvend spitsvondig gefilosofeer. Het is een bestaan zonder geaccentueerde liefdes- en vriendschaprelaties, doch beheerst door vlakke, welwillende en begripvolle kameraadschappelijkheid.

Het meest verontrustende symptoom van dit bestaan voorbij de doodsrivier is het ontbreken van elk gevoel voor ambivalentie en ironie. De bewoners van dit rijk zien ‘geen enkele dubbelheid in de wereld, geen enkel verschil tussen hoe de dingen lijken en hoe de dingen zijn’. Wie geen herinnering heeft noch vurige toekomstdromen, ontbeert immers de melancholie die de voedingsbodem is voor ironie.

Als de kleine David als iets van Jezus heeft, dan is het misschien wel het meest de roeping om af te dalen in deze tijdloze hel en daar de ééndimensionaliteit te doorbreken. Die ontregelende en destabiliserende rol vervult de dwarse David met verve – zoals de eveneens messiaanse gemodelleerde en dubbelzinnige figuur Pieter Peeperkorn in de onderwereld van Thomans Manns Zauberberg.

Ik wil van Coetzee geen moralist maken, laat staan een profeet of een voorloper van de heilbrenger. Zijn boek geeft mij echter wel te denken. Als theoloog en als lid van ons chagrijnige Nederlandse volkje kijk ik bij het lezen van De kinderjaren van Jezus in de spiegel – en stel ik met mij om het hart slaande herkenning vast, dat wij in onze eenkennige en rechtlijnige humorloosheid inderdaad dringend een verlosser nodig hebben, iemand die ons weer op het verkeerde, want gezonde been kan zetten. “Van onze benepenheid, verlos ons Heer.”

***

Naar aanleiding van: Coetzee, J.M. De kinderjaren van Jezus. Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2013.

De Walküre

Je ziet er gelukkig uit en ongenaakbaar. Zo zie ik je vaak zitten in de trein of staan op het perron. Ook zit je wel eens achter de kassa bij de zelfbedieningskruidenier. Dan kan ik op je badge lezen hoe je heet. Je hebt een naam waarachter een hele wereld schuilgaat en die lijkt te duiden op inheemse of exotische adeldom: Iva of Sanne, Babette of Gulistan. Nu eens ben je blond, dan weer donker, een enkele keer rossig. Soms ben je een jaar of achttien, soms iets ouder, soms iets jonger. Maar altijd ben je ongeëvenaard in levenslust en zelfbewuste schoonheid.

In de trein kan ik soms langer naar je kijken. Dan zie ik dat je niet volmaakt bent – of liever: dat je dat zelf op angstige wijze vermoedt. Je fierheid is een façade. Je zorgvuldig aangebrachte make-up (niet te dik, niet te dun, de natuurlijke lijnen en welvingen van je gezicht accentuerend, meer niet), je van top tot teen op elkaar afgestemde kleren, je strategisch opgestoken of doordacht in model geknipte haar: het zijn je wapens, in stelling gebracht tegen de moordende en ondermijnende onzekerheid over de vraag of je eigenlijk wel mooi genoeg bent.

Terwijl je – ondanks je lange, subtiel gelakte nagels – razendsnel berichten intikt op je smartphone (hoe doe je dat in godsnaam?!) zie ik je blikken heimelijk ronddwalen. Je pupillen flitsen nauwelijks merkbaar heen en weer binnen de cirkels van je oogwit. Vergelijk je jezelf met de andere meiden in de trein? Ga je na of je zelfpresentatie de aantrekkelijke jonge mannen ertoe beweegt, hun ogen langer op je te laten rusten dan beleefd is? Tuur je de horizon van je leven af, speurend naar tekens die de positie verraden van het leger van de vergankelijkheid, dat in camouflage en onherroepelijk op je afsluipt?

Je studeert hard, om niemand teleur te stellen – vooral jezelf niet. Althans: dat stel ik me zo voor. Hoe je dat combineert met de tijdrovende zorg voor je uiterlijk, is me overigens een raadsel. Je bent getalenteerd en intelligent: het zou dus wel een tandje lager kunnen. Je neemt echter het zekere voor het onzekere en doet er iedere dag nog een schepje bovenop.

Dat doe je ook bij de sport die je beoefent (nee, geen hockey: eerder atletiek) en bij de muzieklessen die je volgt (nee, niet zoiets gewichtloos als harp: eerder iets stevigers, iets wat meer weerstand lijkt te bieden aan wils- en spierkracht, zoals cello of desnoods een koperen blaasinstrument). Je wilt beter zijn dan iedereen en jezelf elke dag overtreffen. Immers: pas als je vooraan staat of boven anderen uitrijst, valt dat licht op je, waarnaar we allemaal snakken als vissen op het droge naar water.

Ook en juist op zaterdagavond lever je topprestaties – in het uitgaansleven. Je moet moeiteloos mooi zijn. Men verwacht van je, dat je wendbaar en lenig je lichaam aanstuurt, zonder overigens uit de plooi te raken. Je moet – op het reflexmatige af – trefzeker reageren op de ballen die je worden toegespeeld. Er wordt van je gevergd om binnen een fractie van een seconde te kunnen inschatten, of iets ironisch is bedoeld of juist complimenteus, uitdagend of imponerend, uitnodigend of gebiedend. Je moet feilloos kunnen aanvoelen, of je bij grappen moet lachen of terugplagen en of je een woordpatser moet overtroeven of dat je hem juist moet behagen door bedremmeld te zwijgen. Je moet op het juiste moment en op de gepaste manier de goede kant uitkijken. Eén oogopslag kan de richting van je leven bepalen, ten goede of ten kwade.

Zo ga je door het leven: uiterlijk schouderophalend en innerlijk schoorvoetend; naar buiten struis en inwendig strijdend tegen je eigen moedeloosheid.

Als ik je vader zou zijn – en dat zou ik soms wel willen – dan zou ik een cirkel van vuur om je heen leggen. Dan zou ik je laten voelen wat onvoorwaardelijke liefde is en je duizend potjes aanreiken die je zou mogen breken. Of ik zou je juist helpen in de nu eenmaal onvermijdelijke strijd om erkenning. Ik zou je bijvoorbeeld terstond aanbieden om samen de stad in te gaan, waar je voor duizend euro kleren zou mogen uitzoeken, om daarmee ééns en vooral je vriendinnen en vrienden te kunnen aftroeven. En ik zou je voorstellen om daarna ergens te gaan eten waar het veel te duur zou zijn.

En dan? Jij zou ongetwijfeld verbaasd reageren – en waarschijnlijk zelfs lichtelijk gepikeerd. Je zou zeggen: ‘Ouwe gek. Bespaar jezelf dat dure etentje en kom maar op met die duizend euro. Om kleren te kopen heb ik jou niet nodig!’

En ik zou je gelijk geven. Je bent dan misschien toch ongenaakbaar gelukkig. En ik gewoon jaloers.

November

Nadat ik op donderdagavond in Bonn een lezing had gegeven voor een gezelschap van maar liefst vier personen en de nacht had doorgebracht in een logeerkamer, die vol stond met afgedankte en in een ver verleden vermoedelijk slechts door een enkeling gelezen boeken, was ik volop in de stemming om te zwelgen in een sfeer van vergane glorie. Met dat melancholieke been wilde ik dan ook graag uit bed stappen op één november – en alles werkte op die dag mee om deze stemming te bestendigen.

Overigens was de grondslag voor de novembermelancholie al gelegd toen ik op donderdagmiddag had ontdekt dat één van mijn favoriete boekwinkels in Bonn ter ziele was. Gelukkig was er nog de Thalia, gevestigd in een voormalig filmtheater dat is doordrenkt met het parfum van de decadentie.

Zoals zoveel boekhandels voert ook de Thalia echter een verwoede strijd met de digitale media en met de gemakkelijke verkrijgbaarheid van boeken via het internet. Ze wordt dan steeds meer een bazaar van trendy hebbedingetjes, waarin dialogen thuishoren als de volgende. “Heeft u ook boeken?” “Nee meneer, die liepen niet meer. We hebben wel nog leuke koffiemokken, waarop een goedlachse muis staat afgebeeld die een opwekkende spreuk in zijn tekstballonnetje spreekt.”

De traditionele boekwinkels: het zijn oude dames die nog hun best doen om er appetijtelijk uit te zien, maar het in hun pijnlijke opgedirktheid vroeg of laat moeten afleggen tegen hun jonge, hippe rivalen.

Enfin, het was op vrijdagochtend heel erg november in Bonn. Tot mijn schaamte had ik er niet bij stil gestaan, dat Allerheiligen in Noordrijn-Westfalen een verplichte feestdag is. Mijn voornemen om te gaan winkelen, deels om toe te geven aan mijn onuitroeibare hedonisme, deels ter compensatie van mijn (ter verontschuldiging van deze compensatie overigens zorgvuldig gekoesterde) herfstdepressie: dit voornemen werd gefnuikt door de gedwongen winkelsluiting, waarmee de Rijnlanders hun uitbundige feestvreugde luister menen te moeten bijzetten. Nors keken de gesloten winkelpuien mij aan.

Door de lege straten liep ik rechtstreeks naar het station, niet zonder bij het passeren van het geboortehuis van Van Beethoven in gedachten een eerbetoon te hebben gebracht aan deze componist, die helaas ook al zo lang dood is.

Op het station en in de treinen was er al wat meer leven. Toen ik in Mönchen-Gladbach de boemel naar Venlo wilde nemen, werd ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt. De Nederrijnlanders vieren hun christelijke hoogtijdagen immers graag met een bezoek aan de Noord-Limburgse stad, die als een parel is gelegen aan de Maas. Zittend, staand en ingeklemd tussen elkaar staken de winkelgrage Duitse treinreizigers vrijdag dan ook de grens over, als verdoemde zielen de Styx, gedompeld in vergetelheid omtrent de hogere bestemming van de mens.

En ik dacht terug aan mijn Allerheiligens en Allerzielens van vroeger, in Zuid-Limburg en in België. Ik dacht terug aan de (uiteraard vooral in mijn herinneringsfantasie) in nevelen gehulde begraafplaatsen, waar de kunstmatige, felle kleuren van chrysanten door het grauw héén priemden. O, die chrysanten! “Mooi zijn ze niet, maar ze kunnen tegen een stootje en blijven zo lekker lang staan,” aldus het katholieke najaarspragmatisme van de generatie van mijn ouders. De chrysant, deze zombie onder de bloemen, mag zich dan ook verheugen in een muzikale ode, die Puccini hun bracht in zijn larmoyante strijkkwartet Chrysanthemi.

Ik werd uit de dagdroom van mijn herinneringen gewekt in Venlo, waar ik me haastte naar de gereedstaande trein naar Eindhoven. Hier was alles normaal en doordrongen van de eentonigheid van onze krakende en piepende economie. Thuis gekomen liep ik naar mijn CD-kast, in de stemming voor een stukje Brahms, de componist die de herfst onnavolgbaar op muziek kon zetten. Ik bedacht me echter toen ik de voorgevel van Beethovens ouderlijk huis weer even voor mijn geestesoog zag. En even later klonk in de huiskamer het langzame deel van diens vioolconcert. In het spinragfijne spel van Isabelle Faust leek de najaarszon te glanzen.

Als alles dood is, leeft gelukkig Beethoven nog.

De lucht van het voorbehoud

Als de blinde emotie en de pretentie van een bijna religieus gelijk het winnen van humor en redelijkheid: dan is een discussie stuk. Dit gebeurde de afgelopen weken met de discussie over Zwarte P. Aanvankelijk had ik er nog aan meegedaan. Toen het gesprek ontaardde in verbittering, trok ik me terug (niet als enige trouwens), verlamd als ik me voelde door de polarisatie. Wat ik ook zou hebben gezegd: ook en juist als het zou zijn bedoeld om nuances en nieuwe perspectieven in te brengen, zou het zijn opgevat als een defensieve partijkeuze voor één van de verharde standpunten.

Wat mij vooral blokkeerde is het ‘realisme’ van de beide kampen. Men is niet bereid om in de vormgeving van het kinderfeestje een spel te zien, dat allesbehalve de pretentie heeft om iets over de werkelijkheid te zeggen of om die werkelijkheid te beïnvloeden. Zwarte P. is volgens de strijdende partijen ofwel een diep gewortelde en genetisch verankerde, eeuwenoude traditie waarmee onze cultuur, saamhorigheid en identiteit staan of vallen ofwel de uiting en bevestiging van een ingekankerd racisme, dat aan de wortel ligt van alle misdrijven die onze natie heeft begaan en nog begaat.

***

Ik had hierbij een déjà-vu. Omdat ik theoloog ben en werkzaam in de RK Kerk, word ik op feesten en partijen vaak ter verantwoording geroepen, met name door babyboomers met een – overigens biografisch verklaarbare – wrok jegens de kerk. Hoe haal ik het in mijn hoofd om mij te verbinden met een instituut dat baadt in weelde, kinderen misbruikt, hulpprogramma’s in de Derde Wereld frustreert en los daarvan aparte metafysische onzin verkoopt? *)

Pogingen om zaken in een juist perspectief te plaatsen worden opgevat als een apologie en een bagatellisering van de aan de kaak gestelde problemen. Dit wantrouwen vind ik overigens tot op zekere hoogte invoelbaar, omdat kerkelijke autoriteiten en rechtse groeperingen inderdaad vaak met een defensieve reflex reageren op dergelijke kritiek.

Ik verwar en irriteer mijn gesprekspartners vooral als ik poog duidelijk te maken, dat er binnen de katholieke kerk ook andersdenkenden zijn. Ook kijken ze of ze water zien branden zodra ik me – als het gaat om leerstellingen en rituele vormen – een innerlijke afstand permitteer, een vrije ruimte tussen datgene wat mijn kerk zegt en doet enerzijds en mijn eigen opvattingen anderzijds, zonder dat ik daarmee iets wil afschaffen. Helemaal bont maak ik het blijkbaar als ik een bedremmeld agnosticisme combineer met uiterlijk conformisme in rituele vormen en Bijbels taalgebruik.

Dit laatste wordt overigens evenmin begrepen door sommige progressieve katholieken die – honend of verbeten – spotten over belijdenisteksten en dogma’s. Ze zouden die het liefst willen herformuleren of schrappen, zoals ze ook alle liturgische rituelen zouden willen reconstrueren, opdat deze weer een ‘uitdrukking’ worden van wat wij nu ‘echt’ vinden, voelen en denken.

Dit is een merkwaardige vorm van realisme, ja: rationalisme, dat veronderstelt dat wij rituele en verbale vormen doorzichtig kunnen maken op hun eigenlijke inhoud. Wie de grote, zelfkritische mystici en theologen een beetje kent – en die bestonden ook al vóór de boze Klaas Hendrikse of de beteuterde Carel Ter Linden – moet toch beter weten. Geloven heeft een opake, ondoorzichtige kern, waarop ons onvermogen stuit. De vooruitstrevenden zijn echter, wat hun realisme en rationalisme betreft, het volkomen spiegelbeeld van de meest geharde traditionalisten.

***

Wat de verwoede voor- en tegenstanders van Zwarte P. missen, is het zelfde wat de verbitterde afvalligen en de al te enthousiaste kerkvernieuwers (en natuurlijk hun tegenpolen) missen: het gevoel voor ironie als ‘oprecht veinzen’ (F. Kellendonk**). Wat ze ontberen is het besef, dat we er niet aan ontkomen om iets te zeggen (in woorden en gebaren), maar dat we hiervoor altijd moeten teruggrijpen op een aangereikt repertoire. Hun ontgaat het onherroepelijke gegeven, dat we dit altijd doen in ‘voorlopigheid’ en met ‘voorbehoud’, met een ludiek knipoog – omdat we nu eenmaal niet weten wat we eigenlijk willen zeggen.

Tenzij we onszelf en elkaar willen veroordelen tot zwijgen – en dus tot een nog grotere eenzaamheid dan de eenzaamheid waartoe we als mensen ten diepste toch al gedoemd zijn – zouden we wat onbekommerder moeten spreken, vieren en handelen, zolang de ‘lucht van het voorbehoud’, zoals Kellendonk zei, er maar in zit.

Er kan me veel gestolen worden. Ook Zwarte P. en desnoods het theater dat we de katholieke kerk noemen. Maar ik kan niet leven zonder de lucht van de ironie. Zonder die lucht lijden de samenleving en de kerk een langzame verstikkingsdood.

______________________

*) Overigens is de aanklacht van de critici wat milder geworden door de tactiek van game-changing van de huidige paus.

**) Kellendonk, F. ‘Idolen. Over het tweede gebod’. In: Het Complete Werk. Amsterdam 1992. Blz. 847- 860