Author Archives: admin

Geloof weet raad met ironie.

Ironie is aan gelovige mensen niet altijd besteed. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk. Ironie kan tot een verlammende onverschilligheid verworden, zeker als ze tot een levenshouding wordt die al ons doen en laten en al onze woorden en gedachten doordringt. Niets is dan meer echt van betekenis. Alles is dan relatief. Waarover zouden we ons dan druk maken? Als dan ook nog de religie zelf een mikpunt wordt van spot, dan komt ook het kritische potentieel daarvan niet meer tot zijn recht. Ons collectieve geweten wordt het zwijgen opgelegd door de dooddoener, dat ‘alles meerdere kanten heeft’. De tien geboden – dat handvest van de humaniteit – zijn dan niet meer uit steen gehouwen, maar een sneuvelstuk. Gedreven vanuit dit besef, is er altijd een religieus voorbehoud tegen spot geweest. Ironie mag geen vlucht zijn voor het uitdagende, ethische en transcendente karakter van het geloof.

Anderzijds is religiositeit zelf juist een belangrijke bron van relativering en ironie. Het is goed als wij onszelf een beetje relativeren en ons wat minder gewichtig opstellen – alleen al omdat anderen immers misschien net iets belangrijker zijn, om maar te zwijgen over de Ander bij uitstek. En omdat anderen misschien wel iets te zeggen hebben – en dus de moeite waard zijn om serieus te worden genomen. Ook en juist onze religieuze uitingsvormen – beelden en dogma’s, rituelen en instituties, heilige boeken en heilige vaders – mogen en moeten worden onderworpen aan de ironie, namelijk voor zover ze ook maar menselijke vaten en vehikels zijn van datgene wat zich uiteindelijk aan ons onttrekt. Precies omwille van het transcendente, is het van belang om de immanente expressies daarvan met een korrel zout te nemen. Voor we het weten, worden deze anders immers tot afgoden.

Gezapige, gemakzuchtige ironie: nee. Welbegrepen, zelfkritische ironie: ja. Cynisme dat ins in slaap wiegt nee. Spot die ons alert houdt: ja. Is dit ‘enerzijds anderzijds’ echter ook niet ook een vorm van ironische vrijblijvendheid? En wie of wat bepaalt uiteindelijk, wanneer er sprake is van het één en wanneer van het ander? Wie onderscheidt de ironische geesten? Ik denk dat het antwoord hierboven impliciet wel is gegeven: de toetssteen is de humaniteit. Ironie dient voort te komen uit bezorgdheid om het menselijke en zich ook op menselijke wijze te uiten – zoals dat uiteraard ook geldt voor ernst.

Kunnen we op dit punt iets leren van de kunst, het terrein waar de ironie bij uitstek thuis is? Maakt Rembrandt Jezus menselijker als hij hem als tuinman met strooien hoed en schep ten tonele voert? En gaat Max Ernst te ver, als hij een Maria afbeeldt die Jezus er ongenadig van langs geeft? Leiden deze beelden tot een bevrijdende lach? Relativeren ze onze menselijke voorstellingen? Of ontnemen ze het goddelijke alleen maar zijn indringende en prikkelende karakter? Grote ironici als Gerard Reve en Thomas Mann wisten door hun spot in elk geval de mens meer mens te maken en god meer god.

Iemand die er ook wel raad mee wist, was Jacques Offenbach, wiens 200e geboortedag we deze dagen hebben gevierd. In de tijd van de ronkende romantiek en de zichzelf overschattende laatbloei-keizersrijken in Europa, bracht deze zoon van een Joodse voorzanger in de Parijse theaters de nodige verlichting. Aan de hand van de Griekse godenwereld schilderde hij in zijn operettes een satirisch beeld van de jetset van zijn tijd. Hij liet de antieke goden – lees: de als zodanig vermomde afgoden van zijn eigen tijd – letterlijk met de billen bloot gaan in de cancan. Deze pikante dans is nog steeds goed voor een bevrijdende bulderlach.

 

Uil van Minerva of sluier van Maya? – Over het rad, dat ons voor ogen wordt gedraaid

Op de muzikale smaak van de leider van Forum voor Democratie heb ik op zich niets aan te merken. Integendeel. Iemand die de late pianomuziek van Brahms graag speelt, moet diep in zijn hart deugden. Des te meer frappeerde mij, samen met vele anderen, een tweet die hij een tijd geleden plaatste. Daarin sprak hij zijn weerzin en ontzetting uit over de zogenaamde atonale muziek, die hij hoorde zodra hij Radio Vier had aangezet. Voor Baudet is deze muziek blijkbaar een verschrikking en het summum van decadentie.

Ik weet niet welke muziek Baudet precies hoorde. Het kan niet heel wereldschokkend zijn geweest, want Radio Vier is over het algemeen erg behoedzaam in zijn programmering. De zender is wars van extremen en brengt bij voorkeur de grote middenmoot van het repertoire ten gehore. Het kan natuurlijk zijn, dat Baudet muziek hoorde van één van de toondichters, die honderd jaar geleden de vertrouwde toonsoorten en toonladders loslieten, om een nieuwe muzikale taal te ontwikkelen. De kans is groot dat het Alban Berg was, want diens hypermoderne vioolconcert is zelfs bij het grote publiek geliefd. Of wellicht was het de goede oude Arnold Schönberg*, de uitvinder van de nieuwe muziek en evenals als Baudet een groot fan van de pionier Brahms.

Misschien zou Baudet verbaasd zijn als hij zou vernemen, dat Schönberg en de zijnen eigenlijk hetzelfde beoogde als hij – tenminste: als datgene waarvan hij bewéért dat hij het wil: het ten val brengen van dominante en verstikkende tradities en instituten. Dat streven was er rond 1900 op tal van terreinen: de wijsbegeerte en de literatuur, de wetenschap, de architectuur en de kunst. Vooral Wenen, de bakermat van de ‘atonale muziek’, was het brandpunt van uiteenlopende revolutionaire bewegingen. Ze hadden één ding gemeen: ze zochten naar een nieuwe taal op de genoemde vakgebieden, vanuit het besef dat hun voorgangers aan het eind van hun Latijn waren gekomen. Alles wat in de oude taal werd uitgedrukt, klonk ongeloofwaardig. Die taal werkte eerder versluierend dan onthullend, eerder onderdrukkend dan uitdrukkend. De drift om uit dit keurslijf te breken was kenmerkend voor de nieuwe filosofie, de psychoanalyse, het expressionisme, het Bauhaus – en dus ook voor de nieuwe muziek.

Niet toevallig is het grootste en belangrijkste niet-tonale werk de opera ‘Mozes en Aaron’ van Schönberg. De opera gaat precies over de artistieke problematiek, zoals de componist die ervoer en zag: het verstommen en afstompen van de oude taal. Het verhaal van Mozes en Aaron bleek daarvoor een uiterst geschikte parabel. Mozes, de getuige van de verborgen God, vertegenwoordigt het besef van het niet zegbare, het niet toonbare, het onvatbare. Aaron daarentegen, die het ongeduldige volk tegemoet komt door het gouden stierenbeeld te laten maken, representeert de poging om het onbegrijpelijke te vatten en vast te leggen. In de opera is hem een welluidende  partij toegekend, terwijl Mozes het moet doen met een ongrijpbaar mengsel van zingen en spreken. Mozes erkent dat hij het instrumentarium ontbeert, om te zeggen wat hij zou willen en moeten zeggen. Zijn laatste woorden in deze (onvoltooid gebleven!) opera zijn een verzuchting: ‘O woord, dat mij ontbreekt!’

Schönberg en de zijnen experimenteerden. Dat leverde veel mooie muziek op en indringende werken als Mozes en Aaron. Uiteraard was ook veel van hun werk gedoemd, om het exclusieve onderzoeksterrein van muziekwetenschappers te worden of te blijven. Tegelijk hebben zij de generaties na hen – inclusief degenen die in beginsel trouw bleven aan de geijkte toontaal – uitgedaagd om binnen dat kader de grenzen op te zoeken en om zo creatief en avontuurlijk mogelijk te zijn. Schönberg en zijn volgelingen hebben samen met anderen mede bijgedragen aan het besef, dat we niet altijd kunnen blijven voortgaan op de gebaande wegen – of het nu is in de kunst, de wetenschap, de religie of de politiek. Wie dat wel doet, riskeert onoprechtheid en ongeloofwaardigheid, ideologische afstomping en ééndimensionale voorstellingen van zaken. Wie krampachtig vasthoudt aan de oude categorieën, kan geen recht doen aan een complexe werkelijkheid die altijd in beweging is. Wie, onder het mom van vernieuwing, zweert bij het oude en vertrouwde, creëert een dwazenparadijs. De voorbijvliegende schim van de uil van Minerva, waarna hij zelfgenoegzaam wijst, blijkt dan de sluier van Maya te zijn.

 

*) Inmiddels maakte een oplettende lezer mij erop attent, dat het door Baudet verfoeide muziekwerk een werk was van de tonale componist Rudolf Escher (1912-1980).

Het bovenstaande verscheen eerder op de website van De Bezieling.

Slow motion

Vanuit de ervaringen in onze kindertijd zijn we geneigd om saaiheid en verveling te associëren met dingen die te lang duren. Ik herinner me tergend trage vieringen in de kerk, lessen op school waaraan geen eind kwam en eindeloze, deprimerende zondagmiddagen. Hierbij rijst de vraag: ervoer ik deze zaken als vervelend doordat ze te lang duurden – of ervoer ik ze juist als onnodig langdurend doordat ze te weinig afwisseling bevatten? Ervaren we nu iets als saai omdat het te lang duurt of juist te lang durend doordat het saai is?

Dat saaiheid en tijdsduur kwesties van perceptie zijn, blijkt wel uit de kunst. Een kort muziekstuk kan mij soms al enkele minuten gaan vervelen, terwijl ik de tijd vergeet bij het luisteren naar een symfonie die meer dan een uur duurt. Bij sommige korte romans wordt ik al na tien bladzijdes ongedurig, terwijl ik in menig vuistdik boek ongemerkt op de honderdste bladzijde aankom.  Een groot componist of schrijver is in staat om een verhaal te vertellen, om in zijn werk verschillende lagen aan te brengen en ons voortdurend aan het denken te zetten. Daardoor verveelt hij of zij ons nooit. Een goed kunstenaar is als Scheherazade: we hangen ademloos aan haar of zijn lippen en vergeten de tijd. Zolang een lange compositie, vertelling of film maar meerdimensionaal is, vliegt de tijd. Voor deze paradox bestaan klassieke getuigenissen. Schumann prees de laatste symfonie van Schubert vanwege haar ‘hemelse lengte’ en Thomas Mann genoot van de ‘nobele saaiheid’ van de romans van de Oostenrijkse schrijver Adelbert Stifter (1805-1865).

De muziekleraar van mijn middelbare school vergeleek de romans en verhalen van Stifter met de symfonieën van Bruckner. En inderdaad ben ik de parallellen tussen deze kunstenaars steeds beter gaan zien. Ik ben in mijn leven steeds meer gaan genieten van hun werken, waarin alles zich in slow motion lijkt af te spelen. Na mijn jeugdige ongeduld te hebben overwonnen, raakte ik geboeid – ondanks of juist dankzij het feit dat de twee Oostenrijkse romantici uitgebreid de tijd nemen om hun verhaal te vertellen. Elke stap wordt uitvoerig belicht, elk detail in volle glorie belicht.  Daardoor lijkt de tijd te worden vertraagd. Als wij het kunnen opbrengen, om ons eigen tempo daaraan aan te passen, kunnen we volop genieten van het verhaal dat ons wordt verteld.

Stifter waagde zich overigens ook aan de schilderkunst. Hij was een verdienstelijk amateur. Zijn beeldende werk lijkt vooral bedoeld als een oefening om stil te staan bij de details van de realiteit die hem omgaf. Hij noemde zijn schilderijen van wolkenluchten, stenen, boomstammen, rotsen en verstilde gebouwen en landschappen niet voor niets vaak studies.  Opmerkelijk genoeg legde hij zich aan het eind van zijn loopbaan toe op studies van wat hij ‘beweging’ noemde. Het uitgangspunt was een rotsblok in een beek en omspoeld door het eeuwig stromende water. Blijkbaar was hij gefascineerd door de paradox van het eeuwig gelijke en veranderlijke, van stilstand en stroom in één, die zich in dit gegeven toonde. Het boeide hem zo, dat hij bijna abstract te werk ging om, achter het alledaags-natuurlijke tafereel, dit universele raadsel bloot te leggen – dat wellicht de sleutel vormt tot zijn eigen vertelkunst.

Kunstenaars als Bruckner en Stifter wisten de tijd te vertragen en te focussen op het detail en het moment, om daarin het eeuwige te betrappen. Als wij onze tred aanpassen aan hun tempo, en in slow motion genieten van hun werk, gaat een wereld voor ons open en kennen we geen verveling meer.

 

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Grote-mondigheid

Verlegen of onzekere mensen zijn vermoeiend. Ze hengelen voortdurend naar bevestiging en willen met regelmaat horen dat ze niet lastig zijn. Het is ook nooit duidelijk wat ze echt willen. Zelf was ik ook vroeger ook zo. Totdat iemand mij duidelijk maakte, dat ik hem op zijn zenuwen werkte door voortdurend te vragen of ik hem niet verveelde. Ik zat in een cirkel gevangen. Gelukkig kon ik daar mettertijd uit ontsnappen.

Het tegenovergestelde zijn mensen die voortdurend voor zichzelf opkomen. Bij de één is dat de aard van het beestje of een bewuste strategie. Bij de ander is het iets wat zij of hij heeft geleerd, omdat hij of zij van huis uit schuchter was. Men heeft hem of haar toen geleerd om ‘assertief’ te zijn.  Gezellig is anders. Als mijn netwerk alleen bestaat uit mensen die haantje-de-voorste willen zijn, scheurt het op den duur door. Uiteindelijk zijn de bescheidenen toch wat socialer.

We komen dit ook tegen in de samenleving. Sommige groepen zijn erg bescheiden en stil. Ze hebben geen toegang tot de podia, waarop de camera’s zijn gericht. Ze zijn erop aangewezen dat iemand anders het voor hen opneemt.  Daar tegenover staan de goed gebekte en mediagenieke groepen die de aandacht weten te krijgen. Ze beroepen zich bijvoorbeeld op het feit, dat hun verre voorouders slachtoffers waren van onderdrukking. Alles wat hun dwarszit brengen ze daarmee in verband. Of ze beschikken over gele hesjes en auto’s om snelwegen mee te blokkeren. Met hun slachtoffer-retoriek chanteren ze hun medeburgers en met hun zogenaamd mondige gedrag zetten ze anderen voor het blok.

In onze samenleving geldt het recht van de luidste. De brutalen hebben de halve wereld, zei mijn moeder. Ze leerde mij echter ook dat bescheidenheid op lange termijn loont. Ik weet dat niet meer zo zeker, maar ik blijf hopen.

***

De bovenstaande column verscheen eerder in Ad Rem.

Belgen

In mijn jeugd was ik omgeven door Belgen. Mijn familie bestond deels uit met elkaar getrouwde Vlamingen en Walen – een reden waarom ik nooit echt iets van de taalstrijd heb willen begrijpen. Ook twee van mijn jeugdidolen waren Belgen: Kuifje en Jacques Brel. De laatste tijd zoek ik hen weer op. Ik herlees alle stripverhalen van Kuifje en herbeluister de liedjes van Brel.  De aanleiding tot deze autobiografische herbronning  is in beide gevallen heel concreet.

Als ik Kuifje herlees, doe ik niet alleen vanwege de charme van de minimalistische tekenstijl met zijn milde coloriet. Ik wil vooral achterhalen, of ik nog steeds sympathie voel voor de jonge ‘reporter’. Is Kuifje – of liever gezegd: zijn geestelijk vader – inmiddels niet ontmaskerd als het toonbeeld van racisme? Worden de inwoners van Congo in ‘Kuifje in Afrika’ niet afgeschilderd als dom, achterlijk, lui en gretig om onderdanig  te zijn? Zijn de Arabieren en Aziaten in Hergés stripverhalen niet doorgaans decadent of kwaadaardig? Zo kan ik wel doorgaan, want uiteindelijk blijft geen enkel werelddeel buiten schot van Hergés West-Europese superioriteitsdenken.

Destijds slikte ik de neerbuigende voorstelling van het vreemde als zoete koek en ging ik gewillig mee in het verhaal van Kuifje als de Witte Messias. Nu wilde ik de verhalen dus lezen met een nieuwe, kritische bril. Is het echt zo erg, als de racismebestrijders het voorstellen? Ja, zo stelde ik vast. De zwarten worden niet alleen afgeschilderd als achterlijk. In hun uiterlijk lijken ze ook nog eens meer op apen dan op mensen. Tegelijk echter ligt dit kortzichtige racisme er zo dik bovenop, dat het eerder lachwekkend en pijnlijk is dan kwaadaardig. Ik zou ‘Kuifje in Afrika’ nooit cadeau doen aan een kind, maar zou het ook een slecht idee vinden om het boek te verbieden –  misschien ook omdat Kuifje, uiteraard binnen een erg paternalistisch kader, ook de vanuit het Westen aangestuurde grondstofroof blijkt te bestrijden. Zoals iedereen, is ook Kuifje iemand met twee gezichten.

Ook Jacques Brel was en is voor mij iemand met twee gezichten. Zijn veertigste sterfdag was voor mij de aanleiding om zijn liedjes nog eens te beluisteren. Zoals onder andere blijkt uit de film ‘Jacques Brel, fou de vivre’ van Philippe Kohly (2007 ), was Brel enerzijds een egomane en egocentrische persoonlijkheid, die anderen (vooral vrouwen) en zichzelf opofferde aan zijn ambities en obsessies. Anderzijds komt hij, in zijn leven en teksten, ook over als iemand met een groot hart voor de zwakken en voor zijn vrienden, iemand die in staat was tot bescheiden zelfreflectie en zelfkritiek en voor wie materieel gewin niet op de eerste plaats kwam.

Opgegroeid in een Franstalig-Vlaams, christelijk milieu, schrok Brel er niet voor terug om sarcastische karikaturen neer te zetten van alles wat Vlaams en katholiek was. Het religieuze vormt in zijn werk een rode draad – maar vooral in een ironische verpakking. In ‘Les Bigottes’ (1962) sneert Brel bijvoorbeeld: ‘Als ik God was, en ik zou die kwezels horen bidden, zou ik subiet van mijn geloof vallen!’ En in de rouwzang ‘Fernand’ (1965) klaagt hij: ‘Als ik God was, zou ik me kapot schamen. Ik weet wel: je doet wat je kunt. Maar is ook nog zoiets als fatsoen!’ Het bittere en donkere cynisme van zijn teksten komt bij niet-Franstaligen niet altijd over, maar de intonatie van de zanger spreekt vaak boekdelen.

De verbittering is uiteindelijk echter niet met Brel op de loop gegaan. Waar God volgens Brel in gebreke blijft, doet hij in zijn teksten des te meer een appel op de hoop en de liefde – twee begrippen die herhaaldelijk in zijn liedjes opduiken. Brel gelooft dat we de menselijke goedheid altijd kunnen vinden, als we maar goed zoeken. In één van zijn laatste liedjes, ‘Le Bon Dieu’ (1977) herneemt hij de zojuist geciteerde hypothetische formulering – om er dan een positieve, humanistische wending aan te geven: ‘Als jij de goede God was, zou je banketten aanrichten voor bedelaars. Als jij God was, zou je niet zo zuinig zijn met blauwe luchten. Maar jij bent de goede God nu eenmaal niet. Jij bent iets veel beters. Jij bent een mens!’  Zie de mens… dan zie je het geloof van Brel.

***

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

De zielen van kunst en kitsch in mijn borst

Veel zielzorgers gaan er prat op dat ze geen onderscheid maken tussen hoge en lage cultuur. Dat is immers hoogmoedig en neerbuigend ten opzichte van de eenvoudigen van geest. Bovendien is het onderscheid uit pastoraal of evangeliserend oogpunt contraproductief. De menigte bereik je immers niet met hooggestemde muziek of literatuur. De ‘Passion’, het jaarlijkse smartlappenoratorium van de EO, brengt tenminste de mensen op de been en de handen op elkaar voor de Blijde Boodschap. Dat kun je van de Mattheüspassie niet meer zeggen. Is de grens tussen hoge en lage cultuur dus irrelevant, ja: schadelijk in gelovig verband?

Zelf herberg ik op cultureel gebied twee zielen in mijn borst. Enerzijds probeer ik zoveel mogelijk tijd te besteden aan klassieke muziek, literatuur en kunst. Het leven is immers maar kort. Anderzijds gun ik mezelf ook af en toe een ontspannen ‘guilty pleasure’ op het terrein van de populaire cultuur. De boog kan immers niet altijd gespannen zijn. Nu heb ik niet de behoefte deze tegenstrijdigheid te verantwoorden of te rechtvaardigen. Ik wil wel een manier vinden om er zorgvuldig mee om te gaan. Wanneer ga je te ver in snobisme? Wanneer zak je te ver af in de banaliteit?

Tegen deze achtergrond herlas ik onlangs twee klassieke essays, die indirect gaan over het probleem van de populaire cultuur: één van de Oostenrijkse denker en schrijver Hermann Broch (1886-1951) en één van zijn jongere Amerikaanse collega Susan Sontag (1933-2004). Broch benaderde in 1950 het thema via het concept van de kitsch. Sontag schreef in 1964 over de deftige, ironische vorm van kitsch: de ‘camp’. Er zijn opmerkelijke parallellen tussen de twee zeer compacte teksten, zowel qua  vorm als qua inhoud. Dit hangt er vermoedelijk mee samen, dat de uiterst erudiete Sontag de tekst van Broch kende. In zekere zin zijn de teksten echter ook elkaars spiegelbeeld.

Sontags innemende pleidooi voor de ‘camp’ blijft wat mij betreft onweersproken. Van ‘camp’ is sprake – dit ter toelichting – wanneer op zich fijn besnaarde mensen zich met een knipoog te goed doen aan schijnbaar oppervlakkige schoonheid. Het gaat en ging vaak gepaard met dandyisme. In Nederland was bijvoorbeeld Gerard Reve bij wijlen het voorbeeld van dat laatste. Sontag rechtvaardigt, ja bepleit de ‘camp’ omdat deze tegemoet komt aan een menselijke behoefte. Cultuur mag toch ook een vorm van levensvreugde zijn? Van alleen maar vuistdikke romans met hooggestemde ethiek of zwartgallig pessimisme kan de mens niet leven. Daarom is het goed dat er cultuuruitingen zijn, die zichzelf niet al te serieus nemen en de werkelijkheid ook wat lichter opvatten. Liefde voor het leven en het mensdom heeft soms afstand en ironie nodig. Cultuur mag ook een spel zijn. Laten we daarom gerust af en toe tranen met tuiten huilen bij Puccini of meedeinen op Johann Strauss.

Broch is argwanender. Hij laat zien dat er ook een platte vorm van populaire cultuur is: de kitsch. In deze variant  is er juist geen ironie. Ze is sentimenteel en neemt zichzelf veel te serieus. Denk aan de smartlappenkoning, in wiens oeuvre en persoon al het leed van de wereld lijkt te zijn samengebald; aan de al te geaffecteerde religieuze muziek of aan de esoterische schilderkunst. In deze gevallen verliest de kunstenaar uit het oog, dat zijn werk de realiteit van het menselijke innerlijk of het goddelijke geheim slechts benadert. Hij pretendeert dat zijn werk ermee samenvalt. Deze uitingen van populaire cultuur zijn gesloten en dogmatisch, want ze blokkeren de onvermoeibare verdere zoektocht naar de realiteit, de radicale openheid en meerduidigheid waardoor echte kunst wordt gekenmerkt. En áls de kitsch al ‘speels’ wordt, wordt ze een naar binnen gekeerd, autistisch spel, waarin we zozeer opgaan dat we de realiteit buiten onszelf vergeten en zelfs sociaal en moreel afstompen. Het spel staat dan, met andere woorden, de liefde voor het mensdom juist in de weg.

Sontag heeft ons ontspannen leren omgaan met het fenomeen van de populaire cultuur. De profetische waarschuwing van Broch, die de keerzijden laat zien, klinkt op de achtergrond echter altijd mee. Het is niet alleen de krampachtige snobist van de high culture, die niet te genieten is. Ook de populaire cultuur kan zo eendimensionaal worden, dat ze verarmend en geestdodend werkt in de samenleving en de religie. Onderscheiding der geesten blijft al met al belangrijk, ook als het gaat om cultuur.

***

Hermann Broch, Zum Problem des Kitsches, 1950. (Zie hier de tekst in vertaling van Piet Meeuse: Enkele opmerkingen over het probleem van de kitsch een voordracht).

Susan Sontag, Notes on camp, 1964. (zie hier de tekst).

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Litanie voor het slapen gaan

Litanie voor het slapen gaan

Als ik ’s avonds niet kan slapen
Dan maak ik graag in mijn gedachten
Een lange lijst van alle zaken
Die eeuwig van mij mogen wachten.

Wat ik eerbiedig prevel is
Een omgekeerde bucketlist,
Want de gedachte is rustgevend,
Dat ik niets mis en niets mij mist.

Zie hier de plannen die ik afzweer,
Voordat ze ook maar kunnen rijpen,
De kansen die ik laat ontsnappen,
Voordat ik ze heb kunnen grijpen.

***

Vogels gaan spotten in Nieuw-Zeeland,
Een kroeg beginnen in Maastricht,
Fotosafari op de steppen,
Op zoek gaan naar die ene nicht.

Vloeiend Bulgaars gaan leren spreken,
Dan echter wel met het accent
Van iemand die verhuisde naar
En jaren woonde in Tasjkent.

Alsnog piano leren spelen,
Al is het maar opdat ik dan
Een Beethovensonate matig,
Maar tot het einde spelen kan.

Een reünie organiseren
Van kind’ren uit mijn eerste klas
En boeken vol gaan schrijven over
Het drama dat mijn jeugd echt was.

Een vuistdikke roman gaan schrijven,
Zoals men er nog nooit één las.
Hij gaat over de lange zoektocht
Naar wie mijn vader nu toch was.

Een vlammend schrijven publiceren
Voor een gerenommeerde krant,
En dan verschijnen in een talkshow
Waar niemand ooit zat van mijn stand.

Dan zijn er nog wat speelse dingen:
Een selfie maken met de koning
Of rozen kweken zonder gif,
En bijen houden voor de honing.

Een tatoeage laten zetten
Met een citaat van Thomas Mann,
Mijn oren laten corrigeren,
En piercings zetten waar ’t maar kan.

***

Zo, werkend aan mijn not-to-do-list,
Slaap ik dan kalm en vredig in.
Het geeft veel rust om niets te hoeven
En al te stoppen voor ’t begin.

Maar soms, dan schrik ik plotsklaps wakker,
Van twijfel badend in het zweet,
En hoor: “Zeg nooit dat je iets nooit
Zult doen! Omdat je dat nooit weet.”

 

Respect en bewondering – en de grenzen daarvan

De komkommertijd bevat dit jaar bij nader inzien toch nieuwspareltjes, die een theoloog uitdagen tot reflectie. In deze column wil ik er twee, die zich kort na elkaar voordeden, uitlichten: de uitspraak van de Raad van State over de Pastafaribeweging en het drama van Maarten van der Weijden.

I. Religieuze uitingen in soorten en maten

Vorige week sprak de Raad van State een beslissend woord over de religie-satirische beweging van de Pastafari. Dier geloof in het Vliegend Spaghettimonster werd door de Raad van State niet erkend als godsdienst of levensovertuiging – met als gevolg dat de Pastafari zich niet kunnen beroepen op de vrijheid van godsdienst en de bijbehorende rechten. Mij verraste de uitspraak niet. Deze beweging is immers duidelijk een parodie op bestaande religies en geen religie op zichzelf.

Dit heeft uiteraard gevolgen voor de omgang met de uitingen van de beweging. De ironische uitingen van de Pastafari – zoals het dragen van een vergiet bij wijze van hoofddeksel – zijn eerder bedoeld als een statement of commentaar dan als een expressie van een overtuiging. Ze zijn eerder gericht op iets wat anderen vinden, dan op datgene wat iemand zelf vindt. Dat laatste is voor mij een cruciaal onderscheid tussen enerzijds de Pastafari en anderzijds mensen die een bindi , keppeltje, hoofdoek of kruisje dragen. Dat soort symbolen of uitingen komen als het ware van binnen uit, vanuit de behoefte om de innerlijke overtuiging te tonen, zonder dat daarmee iets wordt gezegd over de overtuigingen van anderen. Ze verdienen daarom ook een ander soort respect en erkenning.

En toch denk ik vanaf dit punt ook verder. De grens tussen een symbool als uitdrukking van je overtuiging enerzijds en als statement of commentaar op de wereld om je heen anderzijds: die grens is ook vloeiend. In katholieke kringen kennen we – om een analogie aan te halen – allang het vervloeien van deze scheidslijn als het gaat om het dragen van klerikale kleding. Een priester die Nederland vanaf de jaren zeventig een boord droeg, drukte niet op de eerste plaats zijn identiteit uit, maar vooral ook een kerkpolitiek standpunt. Welnu: ik sluit niet uit, dat ook algemene religieuze uitingen steeds meer de lading krijgen van een stellingname en positionering, met daarin inbegrepen de kritiek op de samenleving om je heen – hetgeen voor mij overigens een reden is, om zeer terughoudend te zijn met het dragen van symbolen.

Ik denk al met al dat het goed is dat aanhangers van religies zich steeds weer afvragen, waarom ze een bepaald kledingstuk of symbool dragen. Is het bedoeld als expressie van wie je bent? Of is het eerder een manier om jezelf en anderen ten opzichte van elkaar neer te zetten? Is het een markering van posities en grenzen? En vertroebelt dit niet de discussie over respect voor en erkenning van religieuze uitingen?

II. De Maartencultus

Afgelopen maandag moest de zwemmer Maarten van der Weijden zijn poging onderbreken om 200 kilometer te zwemmen voor het goede doel. Na 163 kilometer te hebben afgelegd en 55 uur in het water te hebben gelegen, kwam hij gebroken, ziek en uitgeput aan land. Hij werd terstond en in de dagen erna als een held op een voetstuk geheven om zijn ‘bovenmenselijke prestatie’ die op bewonderenswaardige wijze ‘zijn grenzen had verlegd’.

Ikzelf had vooral te doen met de man, die zichzelf dit had aangedaan en bovendien was gedreven door een merkwaardig soort behoefte aan zelfkastijding en boetedoening. Ik kwalificeerde en her-frame-de zijn actie dan ook als een onmenselijke vorm van zelfkwelling in plaats van een ‘bovenmenselijke prestatie’. Waarom moest ik bewondering hebben voor een absurde en riskante actie, waarom niemand had gevraagd? Waarom doen we onszelf en anderen in het kader van fundraising dit soort onnodige, bizarre acties aan?

Mijn tweets in deze zin werden mij niet in dank afgenomen. Vooral in Friesland waren er nogal wat aangeschoten wieken. Ik had hun held bespuugd en daarenboven nog eens het befaamde gemeenschapsgevoel te kort gedaan. Ik deed ook geen recht aan de nobele en doorleefde motivatie van Van der Weijden, die als overlevende van kanker een extra offer wilde brengen in de strijd tegen de ziekte, uit respect voor degenen die niet hadden overleefd.

De geprikkelde en gekwetste reacties versterken eerlijk gezegd mijn behoefte om dit fenomeen cultuurkritisch verder te doordenken. Er heerst blijkbaar een taboe op kritiek op dit soort helden, die een in zichzelf zinloze en absurde prestatie leveren ten koste van zichzelf en al dan niet in dienst van een op zich zinvol doel, waarmee de prestatie echter geen intrinsieke relatie heeft. (Van zelfkwelling wordt iemand anders niet beter). Dergelijke helden moeten vooral worden vereerd en bewonderd. Meeleven is niet voldoende – en kritiek al helemaal uit den boze. Het doet me denken aan de lijdenscultus in het decadente katholicisme van de 19e en 20e eeuw, waarin werd gedweept met masochistische heiligen. Hoe meer bloed, zweet en tranen, hoe liever en heiliger.

Het fenomeen van de Maartencultus herinnert me ook aan de grenzeloze verering van paus Johannes Paulus II, die al tijdens zijn leven werd heilig verklaard voor het feit dat hij over de pijngrens heen zijn ambt bleef vervullen. Hij dronk de kelk van het lijden tot de laatste druppel leeg en zag juist dat als de invulling van zijn ambt – dat hij op wezenlijke onderdelen moest delegeren aan anderen, met het risico van interne anarchie. Ik herinner me nog dat dit zelfs aan conservatieve katholieken de verzuchting ontlokte: ‘Hij hóeft dit toch niet te doen? Ik heb er niet om gevraagd.’

Nogmaals: ik heb met Van der Weijden te doen. Ik wens hem beterschap. Maar ik wens ook ons als cultuur toe, dat we genezen van een pathologische verheerlijking van zinloos lijden. We hebben geen ‘bovenmenselijke prestaties’ nodig van mensen die ‘over hun grens’ gaan. We hebben menselijke en realistische inzet nodig voor een betere wereld. Dat is al lastig genoeg.

We zijn ons eigen zwarte gat.

Als in de populaire media over wetenschap wordt gesproken, lijkt het alsof mensen vooral zijn geïnteresseerd in disciplines over de meest excentrieke gebieden van ons bestaan. Zelden gaat het over de bosmier in de Peel of het functioneren van de galblaas (afgezien van gezondheidsprogramma’s, maar dat is een ander genre). Het publiek zit echter op het puntje van zijn stoel als het gaat over het heelal of de menselijke hersenen. In de populaire theologie valt overigens iets vergelijkbaars op. Lezers verslinden gretig boeken over het begin (de schepping) en het einde (het zogenaamde ‘leven na de dood’). Wat God en mensen in de tussentijd doen, is aan hen niet zo besteed.

De belangstelling voor de neurowetenschap, die menige hersendokter tot BN-er heeft gemaakt, heeft overigens een merkwaardig kantje. Er valt mij in dit verband in toenemende mate een bepaald woordgebruik op. In dit woordgebruik worden de hersenen – of ook wel ‘het brein’ – opgevoerd als subject van uitspraken, bijvoorbeeld in de veel gebezigde formule ‘De hersenen denken dat … ‘ En dat woordgebruik gaat er op één of andere manier bij mij niet in. De vergelijkbare uitspraak dat ‘mijn benen een wandeling maken’ of ‘mijn ogen bekijken een film’ zouden we lachwekkend vinden. Toch komt de uitspraak dat ‘de hersenen iets denken’ op hetzelfde neer. Ze weerspreekt onze fundamentele intuïtie, dat ‘ik’ het ben die loopt, kijkt en dus ook denkt etc. Uiteraard doen we dat allemaal niet als onlichamelijke wezens. Daarom kun je wel zeggen: ‘Ik kijk met behulp van of dankzij mijn ogen’ en dus ook: ‘Ik denk met behulp van mijn hersenen’. Maar dat is iets anders dan die ogen zelf te laten kijken of die hersenen zelf te laten denken.

Het punt is, dat er achter of in de uitspraak, dat ‘de hersenen denken’, een verborgen subject zit, een subject dat door de onhandige formulering aan het oog wordt onttrokken. Het zijn altijd íemands hersenen – jóuw hersenen, míjn hersenen – waarover we iets beweren. In de bewering is altijd dat ‘iemand’ geïmpliceerd als het verborgen, eigenlijke subject. Het duidelijkst is dit, als er een bezittelijk voornaamwoord wordt gehanteerd: ‘Mijn hersenen denken…’ Deze formulering roept onmiddellijk de vraag op, wie dan dat ‘ik’ is, dat de hersenen in een bewustzijnsakt op zichzelf betrekt – en dus blijkbaar degene is die denkt. Als je daarop antwoordt, dat dit de hersenen zelf zijn, kom je in een cirkel terecht, want de vraag ‘wiens hersenen dan?’ kan dan opnieuw worden gesteld enzovoorts. De hersenen kunnen dus nooit samenvallen met het ‘iemand’ dat de hersenen op zichzelf betrekt en dat dus het eigenlijke subject van de bewering over de hersenen is.

Blijkbaar moeten we accepteren dat bewustzijnsakten als denken, handelen, beslissen etc. voortkomen uit een bron, die zich voortdurend aan ons onttrekt als we ernaar graven: het ik. Het menselijk subject kunnen we niet ‘verdingelijken’ of vastpinnen door het te vereenzelvigen met het biologische vehikel ervan. Het is een raadsel, dat ons als zodanig blijkbaar dwars zit. Het populair-wetenschappelijke gepraat over de hersenen als subject slaat dit geheim echter ten onrechte plat, zoals we een schoenendoos platslaan, die hinderlijk in de weg staat.

Nu kan het bovenstaande de verdenking oproepen, dat ik als theoloog vecht tegen levensbeschouwelijk materialisme en terug zou willen naar het geloof in de onsterfelijke ziel. Niets is minder het geval. Ook en juist de vulgaire opvatting van de ziel, die in het lichaam ‘huist’ als de chauffeur in een auto – een opvatting die heerst in de volksreligiositeit of in de zogenaamde nieuwe spiritualiteit – begaat de fout om het menselijk subject te ‘verdingelijken’. Ook in het praten over de ziel kan ik immers niet om de oneindige dynamiek heen, die wordt ontketend door de vraag over wiens ziel we dan spreken.

Het is menselijk om zaken te willen begrijpen, ook de raadsels van denken, bewustzijn, handelen, kiezen. Begrijpen doen we echter niet door op een willekeurig punt op te houden met nadenken en dan te denken dat we er zijn. Als we de hersens (of de ‘ziel’, wat dat ook moge zijn) in kaart hebben gebracht, begrijpen we nog niet wat het betekent dat wij denken etc. En misschien lukt ons dat wel nooit. We zijn ons eigen zwarte gat.

Alles is vorm. – Susan Sontag herlezen

Of we nu zielzorger zijn of denker, leerkracht of kunstenaar: we moeten minder gaan uitleggen en meer gaan verleiden. We moeten meer inzetten op de aantrekkelijkheid van datgene wat we willen overbrengen en minder op het begrijpen en doorgronden ervan. Ik bedoel iets anders dan het afzweren van het verstand ten gunste van het gevoel – zoals een gemakzuchtige trend wil. Het gaat om iets veeleisenders:  het afleren van de dodelijke tegenstelling tussen inhoud en vorm, binnenkant en buitenkant, kern en buitenlaag. Sterker nog: het gaat om de erkenning dat er buiten die zogenaamde vorm of buitenkant niets anders bestaat dat onze aandacht verdient.

Laat ik concreet zijn en de hand in eigen boezem steken. In de prediking of de liturgie gaan wij zielzorgers ervan uit, dat het ‘wezenlijke’ ergens diep verstopt zit in de bijbel of in symbolen en rituelen. En we zien het dan als onze taak – en niet zelden ook als ons privilege of monopolie – om dat ‘wezenlijke’ los te peuteren uit de oude ‘vormen’ en het zodoende ‘duidelijk’ te maken. ‘De mensen’ snappen het immers allemaal niet meer. Door achterhaalde vormen ontgaat hun de inhoud. Gelukkig weten wij zielzorgers wel waarin de kern bestaat. Dus beginnen wij al die ouderwetse lagen af te pellen. We leggen aan de mensen geduldig uit wat er ‘eigenlijk’ met een verhaal of een ritueel is ‘bedoeld’. Om dat ‘duidelijk’ te maken gaan we liefst nog aan de tekst of de symboolhandeling sleutelen, zodat die eindelijk uitdrukt wat er ‘eigenlijk wordt bedoeld’.

Het resultaat is vaak tenenkrommend. De liturgische voorganger laat dingen weg of verzint zelf nieuwe dingen. Er worden bijbels in gewone taal of omgangstaal geschreven, door mensen die beter menen te weten wat de tekst bedoelt dan die tekst zelf. Of er worden gewoon hele stukken geschrapt of nooit gebruikt. Hiermee wordt niet alleen het ritueel geweld aangedaan of de tekst verkracht. Het is ook nog eens bevoogdend. In plaats van ‘de mensen’ te helpen om een toegang te vinden tot liturgie en bijbel, bepalen wij voor hen wat ze mogen zien en horen en schotelen wij hun voorgekauwd voedsel voor (En dan hebben we het nog niet eens over de wansmakelijke vertoning dat we tot alles bereid zijn om de ‘inhoud’ te redden en daarvoor onze toevlucht nemen tot ‘vormen’ die gewoon kitsch zijn.)

Behalve pijnlijk is het allemaal ook gewoon vergeefs. We zijn immers bezig met het afpellen van een ui: laag na laag. Tot er niets over blijft. Want er is helemaal geen ‘kern’. Er is alleen de buitenkant, die voor zichzelf spreekt, waar niets ‘achter’ of ‘onder’ moet worden gezocht, maar die we geduldig moeten aftasten. De tekst of het ritueel zijn niet voor niet precies zo geformuleerd en georganiseerd zoals ze zijn. Dit betekent dat we niet dichter bij de ‘inhoud’ komen, als we sleutelen aan de ‘vorm’, maar dat we gewoon de ene vorm vervangen door andere – en dus iets nieuws scheppen, meestal iets slechters trouwens. Misschien ligt het niet aan de teksten en rituelen, dat ze niet meer tot ons spreken, maar gewoon aan onszelf en aan de afstomping van onze zintuiglijkheid ofwel ons ‘esthetisch’ vermogen .

In de kunst is deze problematiek al sedert lang een punt van discussie. Ruim vijftig jaar leden wees de Amerikaanse geleerde en schrijver Susan Sontag (1933-2004) in haar  bundel Tegen interpretatie  al op het fatale onderscheid tussen ‘inhoud’ en ‘vorm’. Die leidde er volgens haar toe dat de kunst wordt aangerand door het intellect, dat de ‘inhoud’ achter de ‘vorm’ wil blootleggen. Bij kunst gaat het erom, wat er te zien, te horen, te voelen valt aan de zogenaamde buitenkant, de vorm, de stijl. Het is vooral de huid die de geheimen van de schoonheid bevat. Een kunstwerk is wat het is en zegt wat het zegt – en is geen raadsel dat ons wordt opgegeven of een doos die moet worden uitgepakt. Een symfonie van Haydn, een schilderij van Vermeer of een gedicht van Kemp zijn geen fraai ingepakt geschenk. Ze zijn het geschenk zelf.

Het ‘uitpakken’ of ‘uitleggen’ is de makkelijkste weg. De moeilijke weg – bij kunst, maar mijns inziens ook bij bijbellezen en eredienst – bestaat erin om met toeleg stil te staan bij de buitenkant, die boekdelen spreekt. Toch hebben we geen keus. We moeten onze tastzin in de brede zin van het woord weer tot leven wekken en verfijnen. Voorgangers en predikanten moeten hierin voorop gaan.

Wat we nodig hebben is, zegt Sontag, erotiek in plaats van hermeneutiek. Wat mij betreft ook in de omgang met bijbel en eredienst.

***

Sontag, S. Against interpretation – and other essays. Penguin Books Ltd, ISBN 9780141190068 (2009)

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.