Puntig

50. Fata morgana

Tegen de wetenschappelijk-sceptische benadering van raadsels wordt vanuit het esoterische of het religieuze fundamentalisme vaak ingebracht, dat ‘je toch niet alles wetenschappelijk kunt verklaren’. Op zich is dit een gepaste en terechte relativering. Ze dient in dit verband echter als excuus om alles dan maar onwetenschappelijk te benaderen. In plaats daarvan zou ze moeten aanzetten tot de kunst, om te leren leven met raadsels en met de ondankbare taak om eeuwig te blijven zoeken. De esoterische verklaring geeft de moeite van de onthouding en de inspanning van de bescheidenheid voortijdig op, om te baden in de weelde van schijnzekerheid. Ze rent juichend af op de loze belofte van een luchtspiegeling.

49. Lucht

Spiritualiteit moet ongevaarlijk zijn en naar ieders smaak. Daarom is zij in de praktijk veelal gebakken lucht. Die past in elk dieet en gaat er moeiteloos in.

48. Omkering

Om groot en schoon te lijken, maakt de kerk de wereld vaak klein en lelijk. Ze noemt haar een woestijn, om zelf een begeerlijke oase te zijn. In plaats daarvan zou ze de wereld moeten zien zoals deze is: als een rijk gevarieerd bos waarin van alles groeit en bloeit – en zichzelf als een open plek.

47. Ontgroeipijn

Wat wij heimwee noemen, is in werkelijkheid groeipijn. Het is de pijn die onvermijdelijk volgt op de ontdekking, dat we ergens te groot en te volwassen voor zijn. Het is het verdriet na de ontmaskering van het kinderspel. Het is de tegenzin waarmee onze atavismen wennen aan de vrijheid van ons herboren bestaan.

46. Definitie van de mens

Een zoogdier met aangeboren verdriet: de mens.

45. Toelaatbaarheid en recht

Dat bepaald gedrag in onze samenleving niet wordt verboden of bestraft, wil niet zeggen dat er dus een ‘recht’ bestaat ‘op’ of ‘tot’ dit gedrag. Dit was de denkfout van Hirsi Ali, toen ze in 2006 het ‘recht om te beledigen’ opeiste (een denkfout die slechts vergeeflijk was voor zover de formulering retorisch-provocerend was bedoeld).

Er zijn tal van gedragingen die niet zijn verboden en niet worden bestraft, terwijl we ze zonder meer verwerpelijk vinden, afkeuren en ontmoedigen. Je kunt echter iets niet tegelijk ontmoedigen en onder de positieve categorie van een recht formuleren. Uit toelaatbaarheid volgt geen recht.

Er is immers ook geen ‘recht tot’ overmatig eten, ongepaste grappen, milde manipulatie of overspeligheid. Dit zou betekenen, dat deze gedragingen zouden kunnen worden opgenomen in een rechtencatalogus. De absurditeit daarvan is evident.

Waar we wel recht op hebben, is om ons veilig te voelen en te worden beschermd door de overheid (en tégen een overijverige overheid), zodra we dergelijk gedrag vertonen en daarbij op al te ijverige afkeuring van anderen stuiten.

44. Dieet

De huidige zoektocht naar het volmaakte dieet – een zoektocht die probeert door te dringen tot een (pre-)historisch ijkpunt-  heeft alles van een utopische, ja religieuze hunkering. Verondersteld wordt dat er een paradijselijke toestand heeft bestaan, waarin de mens en zijn milieu verkeerden in een perfecte balans en verstandhouding met elkaar. Deze opvatting gaat voorbij aan het feit, dat de mens in zijn relatie tot de omgeving voortdurend compromissen sluit. Zoals wij in de evolutie en de geschiedenis telkens weer akkoorden sluiten met een omgeving, waarin resten van conflict en vijandschap onuitroeibaar zijn, nemen wij bij al ons voedsel een residu van vergif op de koop toe. Het zoeken naar de perfecte ‘match’ tussen ons voedsel en onszelf gaat uit van het naïeve, ja regressieve denkbeeld dat dieren en planten door een hogere wil zijn bestemd om ons te dienen.

43. Snobisme

De meest gemakzuchtige manier om van iemand af te komen, die hoge eisen stelt aan zichzelf en anderen, bestaat erin hem of haar te betichten van snobisme.

42. Avant-garde

Van originele en vernieuwende kunstenaars wordt beweerd dat zij ‘hun tijd vooruit’ waren. Afgezien van de kortstondige weerstand, waarop zij aanvankelijk vaak stuitten, moeten we echter vaststellen dat zij wel degelijk weerklank vonden – en dankzij die weerklank ook konden doorbreken en zich konden handhaven. Als er bijvoorbeeld tussen Beethoven en ‘zijn tijd’ geen enkele ‘gelijktijdigheid’ zou zijn geweest, zou niemand meer van hem hebben vernomen. We doen de kunstenaar geen recht, als wij hem of haar een zintuig voor zijn of haar tijd ontzeggen. We doen vorige generaties tekort en onderschatten hen, als we veronderstellen dat zij niet ontvankelijk waren voor het genie. Onze voorouders waren niet achterlijk.

41. Charisma

Instituties zonder charisma zijn leeg en log. Charisma zonder instituties is blind en lam.

40. Orakels

De voorspellingen van economen zijn als de orakels die door koningen worden geraadpleegd in Herodotus’ Historiën. Ze zijn een slag in en lucht en dubbelzinnig. Degenen die ze te serieus nemen raken in paniek en maken rare bokkesprongen. Juist daardoor laten ze de ‘voorspellingen’ altijd uitkomen – en dan vooral in negatieve zin.

39. Oneindige bewijslast

Als je als scepticus een bijgeloof aan de kaak stelt, krijg je steevast de dooddoener te horen, dat ook je scepsis een subjectieve, gelovige positie is. Op die manier wordt de discussie op een fatale wijze stilgelegd. Door de bewijslast om te draaien en zelfs bij de metakritiek neer te leggen, wordt bij voorbaat iedere bizarre positie immuun voor kritiek en kan voorgoed om het even wat worden beweerd.

38. Diversiteit

Diversiteit als een goed in zich omarmen, zoals velen zeggen te kunnen doen, kan ik niet. Ik vraag me af hoe dat kan, bij zoiets formeels als diversiteit. Afgezien van de inhoud, kan ik immers niet a priori iets in de armen sluiten. De juichkreet dat diversiteit verrijkend is, wantrouw ik daarom (en anders wel vanwege de retoriek en het clichékarakter ervan). Ik zie wel in dat diversiteit onvermijdelijk is en dat we ervoor open moeten staan. Ik doe dat echter niet uit een optimistisch, affirmatief diversiteitsenthousiasme, maar simpelweg vanuit het bescheiden inzicht dat niets een monopolie op waarheid heeft.

37. Hemel en  aarde

Geloof en empirie moeten zich onthouden van uitspraken en aanspraken met betrekking tot elkaars domein. Dat is de waarschuwing voor de beroemde categoriefout, de waarschuwing om niet het verkeerde spelletje op het verkeerde bord te spelen. Daarom is de metafoor dat er ‘meer is tussen hemel en aarde’ misleidend. Er is geen overgangsgebied ‘tussen hemel en aarde’. Er is alleen maar de ‘hemel’ (als metafoor voor de Gans Andere of de radicale transcendentie) enerzijds en de ‘aarde’  (als metafoor voor de empirie) anderzijds. En onze toewijding voor beide zij ongedeeld.

36. Verlichting

De Verlichting is geen burcht of terp waarop we ons terugtrekken om ons te verdedigen. Een betere metafoor is de Verlichting als polder: ze moet voortdurend worden veroverd; ze wordt  instandgehouden door de permanente inspanning van kritiek en intellectuele wakkerheid. Haar grootste vijand is niet de zee, maar onze eigen zelfvoldaanheid en passiviteit. (N.a.v. Ralf Konersmann, Kulturkritik)

35. Agnosticisme

Agnosticisme is de gelovige bestaanswijze bij uitstek. Het moet echter niet het beginpunt zijn van een weg, maar het eindpunt van een zoektocht. Het is – als het goed is – geen gemakzucht of scepsis, doch het toegeven van verlies na een lange strijd.

34. God bevrijden

Wij theologen zouden God, bij gebrek aan bewijs, eindelijk eens op vrije voeten moeten stellen.

33. Jonge honden

De geschiedenis werpt telkens weer een nieuw nest jonge honden. Oftewel: elke revolutie wordt oud en wordt door haar kindskinderen uitgespuwd.

(N.a.v. G500 en Theoloog2puntnul, juli 2012)

32. Zelfspot

Als zelfspot een deugd is, moet God ook wel zelfspot hebben. Hij lokt uit dat we met en om hem lachen. Dat uit zich daarin dat we een knipoog uitwisselen bij het lezen uit de bijbel of het vieren van een ritueel. Door niets doen we de religie zoveel onrecht, als door haar te serieus te nemen. Maar eigenlijk gaat het daarbij natuurlijk om de zelfspot van de religie die minder is dan een schaduw van datgene waarnaar ze wil verwijzen.

31. Mystiek

Mystiek is theologie die haar verlies toegeeft, geleerdheid aan het eind van haar Latijn. (Maar ze is wel theologie, ze is wel geleerdheid.)

30. Nog anders

De vrijzinnigheid doet niet met tegenzin concessies aan de menselijke autonomie – zoals de gematigde orthodoxie – maar probeert haar te doorgronden. Zodra ze daarin slaagt, herkent ze zichzelf in haar en sluit vriendschap met haar. Ze ontdekt als het ware dat zij zelf over de sleutel beschikt, die precies past in het slot van de menselijke autonomie (als het al niet andersom is).

29. Anders

Voor rechtzinnigen is de menselijke vrijheid een probleem, dat je moet negeren of laten overstijgen door de genade. Voor de gematigden is de vrijheid een probleem, waarmee je moet leren leven of waarmee je je moet verzoenen. Voor de vrijzinnigen is de vrijheid een opgave die je moet oplossen. En zoals een student vriendschap sluit met een opgeloste opgave, zo sluit de vrijzinnigheid vriendschap met de vrijheid.

28. Vrijzinnig christendom

De rechtzinnigen zien de moderniteit als een vijand die je moet verslaan. De gematigden en midden-orthodoxen beschouwen haar als een vijand met wie je moet onderhandelen. De vrijzinnigen zien haar als een vriend die je moet omhelzen.

27.  Dromen

Het leven is dan misschien niet altijd een nachtmerrie, maar het is wel een voortdurend ontwaken uit mooie dromen.

26. Elite en populisten

Uit gemakzucht wordt ‘hogere cultuur’ vaak als elitair gekenschetst. Alsof de kern van elitisme niet precies is, dat een kleine minderheid haar macht en rijkdom baseert op de minder bedeelde meerderheid. In zie zin zijn juist de politieke en culturele populisten, die zich qua macht, rijkdom en status verrijken ten koste van de ‘gewone man’, de elite. Popartiesten en volkstribunen dus.

25. Ambivalentie

Een countertenor als Philippe Jaroussky is geknipt voor de fin-de-siècle -muziek met haar decadente, giftig-geparfumeerde ambivalenties. Alleen al de verontrustende ambivalentie van een man met een vrouwelijk register maakt hem geschikt. Bovendien is Jaroussky de eerste counter die ik ken, die het gekunstelde van de gecultiveerde falset combineert met erotische sensualiteit en daarmee een ambivalentie in de tweede graad daaraan toevoegt.

24. Bijbel en credo

God heeft een heel boek nodig gehad om zichzelf genuanceerd en subtiel uit te drukken en wij pretenderen dat de achterkant van een sigarenkistje genoeg is voor onze geloofsbelijdenis.

23. Bekering

‘Keer om want het Rijk Gods is nabij.’ Wat betekent dit anders dan: kijk om je heen, het geluk ligt dichterbij dan je denkt?

22. Onbevestigd

‘Volgens onbevestigde berichten…’ Zo zou iedere theologische uitspraak moeten beginnen.

21. Christenen

Het christendom is wellicht een uit de hand gelopen variant van het jodendom. Als het christendom al providentieel is, dan is het een lichte versie van het Jodendom, bedoeld voor hen die terugschrikken voor de radicaliteit van de besnijdenis. Daarom is het doopsel puur genade, louter accommodatie.

Als christen dien ik me te voelen als een jood, geboren in een verkeerd lichaam… Maar zelfs dat zou onbescheiden zijn.

20. Te veel

Niet degenen die te weinig of niet geloven vormen het probleem voor de theologie, doch hen die te veel en te snel geloven. De theologie heeft in de kerk een interne opdracht en moet het geloof verdedigen tegen de gelovigen. Dat is haar zuiverende opgave. Om met Bonhoeffer te spreken: zij moet ons terugroepen als wij de drempel naar het Laatste willen overschrijden. Wij voelen ons echter vaak te goed voor het voorlaatste, waarin wij van hogerhand zijn geplaatst.

19. Eredienst

Ik geef de voorkeur aan woorden en gebaren die hun verlies toegeven tegenover de werkelijkheid waarnaar zij verwijzen. Om die reden ben ik gehecht aan onbegrijpelijke rituelen en verhalen, zoals we die vinden in de meest verstarde vormen van eredienst. De zogenaamd verstarde liturgie is geloofwaardig, voor zover ze capituleert voor het Geheim en met zichzelf spot. Een eredienst die pretendeert om iets uit te drukken, wekt eerder mijn achterdocht.

18. Ethiek

Sommige christenen kunnen de kloof niet overbruggen die hen scheidt van vrijzinnigen, Joden of humanisten. Zij missen bij hen het geloof in de genade en stellen bij hen ‘slechts ethiek’ vast. Alsof ethiek beneden onze stand is en wij boven ethiek zijn verheven! Beeft er in de ethiek dan geen heilige schroom of klopt er in de ethiek geen bezield hart? Wij kunnen van de Joden leren dat er iets bestaat als de troost en de ‘vreugde der Wet’. Daarvoor is het wel nodig dat we überhaupt weten wat vreugde is. In ieder geval zullen wij altijd weer de weg moeten afleggen van het zogenaamde Oude Testament, om het toelatingsexamen te kunnen doen voor het Nieuwe.

17. Christen

De woorden ‘Ik ben christen’ werden uitgesproken door de eerste martelaren, toen ze hun beulen in de ogen zagen. Realiseren we ons dat, als we onszelf te pas en te onpas ‘christenen’ noemen?

16. Oud en nieuw

Ik ben sinds zevenenveertig jaar katholiek. Maar ik heb het oude testament nog steeds niet uit. Wat betekent dan de uitspraak dat ik katholiek ben?

15. Vrijzinnig

De vrijzinnige bestrijdt de dogma’s niet, maar neemt de ruimte om ze ter discussie te stellen.

14. Ketterij

Onder de vlag van ‘progressief’ of ‘vrijzinnig’ vaart ook menige heterodoxie. Dergelijke dogmatisch verharde ketterij – zoals de oude koek die zich New Age noemt –  is het tweelingzusje van de orthodoxie. Zij moet worden getolereerd, maar kan niet serieus worden genomen.

13. De waarheid ligt niet per se in het midden

Bij bepaalde tegenstellingen ligt de ‘waarheid’ niet in het midden, maar a priori aan één kant, zoals in de tegenstelling tussen intolerantie en tolerantie. Over tolerantie kan men immers niet van mening verschillen. Ze is ononderhandelbaar. Zo is het ook gesteld met de tegenstelling tussen vrijzinnigheid en rechtzinnigheid. Hierbij staan onbespreekbare uitgangspunten op het spel. De eigen verantwoordelijkheid van de gelovige voor zijn geloof is zo’n uitgangspunt en ook het besef dat niemand kan claimen de waarheid te kennen met betrekking tot het Geheim. De tegenstellingen op deze punten vereisen dat men eenzijdig kleur bekent. Bij andere tegenstellingen kan men van mening verschillen, zoals bij de tegenstelling progressief-conservatief of zoals bij de interpretatie van een dogma. En als men van mening kan verschillen, zijn ook alle nuances denkbaar tussen de twee uitersten. Over vrijheid en over schroom ten opzichte van het geheim kan men echter niet van mening verschillen. Eenzijdigheid en ongenuanceerdheid zijn hier onvermijdelijk.

12. Wij en de ‘anderen’

Wij ‘christenen’ staan niet buiten of tegenover de samenleving. Wij hebben haar immers gemaakt. Als wij ons buiten of tegenover de samenleving plaatsen doen wij het omgekeerde van datgene wat het Woord volgens Johannes doet: wij verlaten het onze.

11. Dogma’s

De christelijke dogma’s zijn dwingende hypotheses. Ze laten ons als grenswachters door- en aan hun voorbijgaan, maar we moeten eerst het raadsel oplossen dat ze ons stellen.

10. Onomkeerbaar

Ik ben vrijzinnig gelovig, op het agnostische af. De christelijke dogma’s zijn echter voor mij op zijn minst onontbeerlijke hypothesen. En als hypothesen leiden zij tot onomkeerbare veranderingen en verrijkingen van inzicht – tot er betere komen. Ze zijn dus bloedserieus te nemen en leiden tot bekering, zij het onder voorbehoud. Geen voorbehoud van terugkeer doch van verdere groei. Totdat Hij komt.

9. Moed tot geloofwaardigheid

Er is altijd weer een aanleiding om het christendom en de kerk aan te spreken op het gebrek aan morele integriteit. Die aanleiding wordt op haar beurt tot een verleiding: de verleiding om niet in gesprek te gaan over de kern van het christendom en zijn pretenties. Op dit moment is het schandaal rond seksueel misbruik zo’n verleidelijke aanleiding. Wonderlijk genoeg laten de verdedigers van christendom en kerk zich meeslepen door deze verleiding. Zij concentreren zich volledig op het zuiveren van het blazoen van de kerk – al is het maar door te roepen om transparantie en boetedoening. Alsof daarmee de geloofwaardigheid van het christendom ten diepste is gediend! Deze geloofwaardigheid staat of valt er echter mee, dat christenen de kern van hun pretentie op het spel durven zetten en die kern durven blootstellen aan de dialoog en de discussie met tijdgenoten- zoals de Meester het zelf heeft gedaan. Geen morele zuiveringsactie, maar een theologische discussie met open vizier en met de bereidheid om te leren van de ander is vereist – tenminste als het gaat om de geloofwaardigheid. Alleen gebrek aan moed kan ons hiervan weerhouden.

8. Humor

De spreekwoordelijke ‘humor’ van katholieken is meer dan een cliché. Niet dat alle katholieken in het dagelijks leven en in discussies die humor aan de dag leggen. (In tegendeel, ze kunnen vaak erg lange tenen hebben… het zijn ook geboren zelf-victimiseerders…) Maar er is wel een diep besef van de relativiteit van de uitingsvormen van het geloof. Een besef van wat (nota bene!) Bonhoeffer het ‘voorlaatste’ noemt, een besef dat alle ‘middelen’ om tot geloof te komen ook een ‘scherts’ zijn (sic!). De viering van een katholiek ritueel gaat daarom altijd gepaard met dat knipoog naar God. Een knipoog dat zegt: ‘Ik doe ook maar wat en dat weten jij en ik drommels goed. Maar er is geen andere manier om iets over en tegen elkaar te zeggen.’ (Simone Weil gebruikte hiervoor de metafoor van de blindenstok. Kellendonk sprak van ‘oprecht veinzen’.) Jammer genoeg, moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen, is die theologische humor (of beter: ironie) wat is ondergesneeuwd geraakt door charismatische katholieken, die zoeken naar de perfecte één-op-één-overlap van expressie en inhoud. Dat roept iets krampachtigs en fanatieks op. De ‘echte’ katholiek neemt zichzelf en zijn uitingsvormen niet serieus – doch alleen het mysterie… en hij laat het mysterie zijn en blijven. En om dat te doen gooit hij er nog een schepje boven op en bedenkt hij een volgend absurd ritueel, dat ‘nergens op slaat’ – om het besef van de afstand tussen vorm en inhoud levend te houden.

7. Goedkoop

Er bestaat, behalve ‘goedkope genade’, ook zo iets als goedkoop geloof. En de wereld is er vol van.

6. Geloofsverdediging

Wil theologie heden ten dage ‘geloofsverdediging’ zijn, dan zal zij niet de confrontatie aan moeten gaan met de atheïsten en de ‘verachters’ van de religie, doch eerder met de hypertheïsten, met degenen die te gemakkelijk en te veel geloven, met de bijgelovigen die het allemaal zo goed weten – zo handelt zij geheel in de geest van de grote apologeet Ireneüs. In de Joodse en Christelijke traditie ondermijnt en destabiliseert het geloof immers alle menselijke denk-beelden, ook de ‘gelovige’. Maar nog beter dan de confrontatie is de verbinding en de dialoog met al diegenen, die oprecht zoeken naar de waarheid, zonder dat zij haar in pacht menen te hebben. Hoe dan ook: de scheidslijn of ‘frontlijn’ ligt vandaag niet tussen het christendom (laat staan de kerk) en de wereld, doch tussen de zeker-weters en de zoekers. Die scheidslijn gaat ook dwars door het christendom heen.

5. Van de regen in de drup

De esoterie schept en koestert graag mythes van collectieve slachtoffers: de gnosis, de manicheeërs, de katharen etc. Zij zwelgt in complottheorieën volgens de welke deze stromingen doelbewust zijn gefrustreerd en verdonkeremaand door de instituties. De vurigheid waarmee esoterie-aanhangers zich identificeren met het lot van deze slachtoffers roept het vermoeden op, dat zij hun eigen slachtofferschap projecteren in deze verhalen. Dit eigen slachtofferschap heeft wellicht een reële kern. Het is echter wonderlijk dat de nieuwe-tijd-ers hun passieve rol bevestigen, door de beschuldigende vinger uit te steken naar anderen – en zich vervolgens uit te leveren aan goeroes die minstens even dogmatisch zijn, als de door hen verfoeide institutionele leiders. Dat verschijnsel observeer ik ook in progressieve kerkelijke bewegingen. Wat daar doorgaat voor vrijzinnigheid is in feite ‘ketterij’, dat wil zeggen: een omgekeerd dogmatisme. Van de wal komt men in de sloot.

4. Priesters en dokters

De esoterische beweging kent in zijn beeldvorming twee grote vijanden: de geïnstitutionaliseerde religie en de wetenschap, vooral de medische wetenschap. Daar tegenover plaatst zij de alternatieve religie en de alternatieve wetenschap. In haar complottheorie verwijt zij de religieuze en wetenschappelijke instituties dat deze de alternatieven het leven onmogelijk maken.  Er is een opvallende analogie met de wijze waarop individuen vaak wrok koesteren jegens de priester en de arts. Vaak ligt daar een kern van reële biografische trauma’s aan ten grondslag. Wellicht ligt hier ook de oorzaak of voedingsbodem van de gestileerde wrok jegens de instituties. Het verklaart ook het ‘succes’ van de esoterie in de progressieve groeperingen binnen bijvoorbeeld de kerken.

3. Links en rechts populisme

Het is niet zo vreemd dat er zowel een ‘linkse’ als een ‘rechtse’ versie van het populisme bestaat. Er ligt namelijk een grondstroom aan ten grondslag, die zich aan de tegenstelling ‘links en rechts’ niets gelegen laat liggen: het ressentiment, de wrok jegens de grootheid. In het linkse populisme zoekt dit ressentiment zijn uitweg in de haat jegens de materiële rijkdom, in de rechtse variant in de haat jegens de immateriële rijkdom, dat wil zeggen het talent. Uiteraard zijn er overgangsvormen denkbaar. Voor de zuivere ‘rechtse populist’ echter zijn intellectuelen en kunstenaars de zakkenvullers, terwijl voor de zuivere ‘linkse populist’ de ‘bankiers’ dat zijn. (Alleen in het antisemitisme vallen deze vijandbeelden perfect samen.) Beiden echter hoeden zich er voor de rijkdom van volkshelden als voetballers en popartiesten aan de kaak te stellen. Want de populist deelt één kenmerk met zijn aanhang: de angst en de kruiperigheid. De populist is bang voor zijn aanhang en kan daarom nooit echt leiderschap ontwikkelen – ondanks de schijn van het tegendeel.

2. Genialiteit van muziek

Het genot van goede klassieke muziek bestaat erin, dat de componist op elke zelf gecomponeerde maat (ja: op elke tel) een vindingrijk antwoord heeft, dat vervolgens weer een ander vindingrijk antwoord krijgt etc. (Zo neemt zelfs de meest rationele muziek, zoals die van Bach of Haydn, de luisteraar mee als een stroom.) Het zelf gegeven ‘antwoord’ is enerzijds verrassend en onverwacht, anderzijds vloeit het schijnbaar organisch, vanzelfsprekend en ‘logisch’ voort uit het voorafgaande. Het ‘antwoord’ roept bij de luisteraar enerzijds de reactie op: “Hierop zou ik nooit zijn gekomen!” en anderzijds de reactie: “Dat ik hierop niet zelf ben gekomen!” Die paradoxale combinatie van verrassing en herkenning leidt ertoe, dat wij de componist ervan verdenken dat hij of zij ‘iets weet wat wij niet weten’. Wij schrijven haar of hem de toegang tot een bovenmenselijke kennis toe, kortom: genialiteit.

1. Gist van het christendom

Zowel onder conservatieve als onder progressieve christenen komt de opvatting voor, dat het christendom zich moet aanpassen aan de veranderende tijdsomstandigheden, tijdgeest en context – kortom: de cultuur – met behoud uiteraard van de vaste kern. Het enige punt waarin de aanhangers van dit denkbeeld verschillen is de omvang van deze kern.

Ik heb me altijd verbaasd over deze opvatting. Alsof alles behalve het christendom zelf verandert! Alsof het christendom een edelgas is dat geen chemische reactie ondergaat met zijn omgeving. En alsof de ‘cultuur’ haar autonome ontwikkeling gaat terwijl het christendom geen invloed heeft (gehad) op die ontwikkeling – hetgeen een brevet van onvermogen voor het christendom zou zijn, dat toch juist beweert dat in Christus de geschiedenis een nieuwe wending heeft genomen.

Met een voorbehoud ten aanzien van die heilshistorische claims van het christendom, meen ik in elk geval dat het christendom niet buiten de ‘cultuur’ staat, maar er innerlijk deel van uitmaakt. Het is één van de ingrediënten van die cultuur. Als zodanig is het niet alleen denkbaar dat het christendom (tot in zijn kern) passief met die cultuur mee verandert, maar ook (en dat is wezenlijk) dat dit christendom zelf, actief medeoorzaak is van die verandering.

Het feit dat wij leven in een cultuur waarin humane waarden hoogtij vieren (autonomie, gelijkheid, verbondenheid, individualisme, rationalisme, democratie etc.) is dan wellicht te danken aan het christelijke ferment in onze cultuur. Dat deze waarden in het ‘oorspronkelijke’ christendom niet herkenbaar lijken, komt dan daardoor, dat ze ook in dat ‘oorspronkelijke’ christendom nog niet waren uitgerijpt, doch latent aanwezig waren en hun dynamiek geleidelijk hebben ontplooid.

In elk geval betekent dit, dat het christendom zich niet achteraf moet schikken naar de culturele ontwikkeling, doch deze ontwikkeling als haar eigen vrucht mag herkennen – ook als de vrucht bitter is: cultuurkritiek is dan zelfkritiek.

Ik neig tot deze zienswijze, die mijns inziens het blijvende ‘gelijk’ is van de ‘seculiere’ theologie van de 20e eeuw en van populariserende schrijvers als F. Lenoir en A. De Botton.