Monthly Archives: februari 2020

De wereld als Praethuys

De wereld is een praathuis. Dat was altijd al zo en dat zal altijd zo blijven. Alle jammerklachten over onze praatzieke cultuur en over de devaluatie van woord ten spijt, is het eerlijk om vast te stellen dat de praatdwang een aangeboren ziekte van het mensdom is. Deze kwaal springt vandaag de dag wellicht wat meer in het oog, doordat dankzij de digitale revolutie het aantal communicatiemiddelen explosief is toegenomen. Maar het is de eeuwige behoefte aan mededeelzaamheid die hier de middelen schept – en niet omgekeerd.

Door de digitale revolutie is het wel gemakkelijker geworden, om een podium te vinden, om de wereld toe te spreken. Praten komt immers meestal daarop neer: niet op dialoog, doch op monoloog, niet op het gesprek, maar op de toe-spraak. Deze monoloog nu is geen luxe meer van geletterde briefschrijvers, zoals tot ver in de 20e eeuw het geval was, of van de happy few die de massamedia in het analoge tijdperk als spreekbuis konden gebruiken. Nee: voor iedereen is er in het Hyde-Park van de social media  wel een zeepkist ter beschikking. Dat we daarbij meestal aan elkaars dovemans oren voorbij praten, is een ander hoofdstuk.

De drempel om onszelf mede te delen is dus lager geworden. We zijn echter al met al geen grotere kletskousen dan de generaties voor ons. Wat wel is veranderd, is de kwaliteit van het gesprek. Er vindt geen selectie plaats, zodat de oprispingen van Jan en alleman lukraak worden uitgezonden. We lijken daardoor gemiddeld minder zoetgevooisd en welgemanierd. We werken bovendien op elkaars zenuwen, doordat we wedijveren om de prijs voor de sneuste pechvogel en het meelijwekkendste slachtoffer. Van het lezen van narcisten als Paulus, Augustinus, Proust en Mann konden we tenminste nog genieten. Ze waren brokkenpiloten in het leven, maar kampioenen van het woord, kneuzen van adel.

Van kruisridders wordt niets gekocht.

We leven in identiteitsland. Iedereen moet iets zijn of wil iets zijn. Het liefst iets, wat met anderen worden gedeeld – maar dan ook weer niet met teveel anderen, want het gaat er ook en vooral om, dat ik anders ben of dat ‘wij’ anders zijn. Dat ‘wij’ omvat overigens zowel tijdgenoten als mensen van vorige generaties. We ‘hebben iets’ met elkaar, hier en nu. Maar datgene wat we hebben, is te danken aan een traditie, aan het feit dat ‘iets’ is doorgegeven: genen, lichamelijke kenmerken, ervaringen, traumata, waarden, gebruiken, geloof, kortom: van alles, zolang het maar ‘iets’ is (en als je gelovig bent, dan liever niet alleen ‘iets’, maar ook nog eens ‘iemand’).

Christenen: dat is blijkbaar ook een ‘wij’. Nu zal ik zelf niet zo snel zeggen, dat ik ‘christen’ ben. Dat hangt een beetje samen met mijn opvoeding. Ik kom uit een volkskatholiek milieu en daar spraken we niet over ‘christenen’, maar eerder over ‘katholieken’ of ‘kerkelijken’. Dat ‘christenen’ hoorde je vooral van protestanten. Maar het is niet alleen nestgeur, wat me weerhoudt om mezelf ‘christen’ te noemen. Het woord ‘christen’ is immers niet een sociologische categorie, die je zomaar even op jezelf kunt toepassen (zoals ‘katholiek’ of ‘protestant’ dat wel is). Het is vooral een programma, een belijdenis, een bekentenis. Je zegt nogal wat als je zegt ‘Ik ben christen’. Daarmee zeg je niets minder, dan dat je leeft in navolging en gehoorzaamheid. Het waren de vroegchristelijke martelaren die deze woorden uitspraken – en die daarvoor met hun leven moesten betalen. Het zou dus op zijn zachtst gezegd nogal pretentieus zijn, als ik, als gelovige brokkenpiloot, die woorden in mijn mond zou nemen.

Helemaal kan ik de benaming ‘christen’ echter niet meer vermijden. Dat komt doordat ze door anderen wordt gebezigd (en door hen wel degelijk als een sociologische categorie wordt bedoeld) en doordat ik met die anderen veel gemeenschappelijk heb (veel ook niet trouwens). Die gemeenschappelijkheid wordt vooral actueel en urgent, als die anderen door of zelfs vanwege hun geloof levensgevaar lopen of worden vervolgd, zoals veel gelovigen in door IS gedomineerde gebieden. (Dat lot delen ze overigens met Joden, Yezidi’s en moslims van onwelgevallige stromingen.) En dan beginnen die anderen toch erg veel te lijken op martelaren – of ze zijn het gewoon. (Dat weet God beter dan wij.) Is het dan inmiddels niet een kwestie van solidariteit om mezelf ook christen te noemen? – Een kwestie van solidariteit, niet van identiteit. Ik kan het niet genoeg benadrukken. De uitspraak ‘Ik ben christen’ zegt niets over wat ik ben, maar over mijn verbondenheid met een ander. Het zwaartepunt ligt niet in mijn ‘ik’ of in een ‘wij’, maar in die ander, met wie ik mij solidariseer (en niet ‘identificeer’, hetgeen nogal arrogant zou zijn).

Nu zijn er mensen (die overigens zelden een kerkgebouw of een bijbel van de binnenkant zien), die zich zorgen maken over het lot van ‘christenen’ in ons land. Ze menen het voor ‘ons’ op te moeten nemen, omdat er te onzent wordt gemorreld aan ons christelijke erfgoed. Ervan afgezien dat het volgens mij om een verzonnen probleem of in elk geval om een luxeprobleem gaat: ik ben altijd wat achterdochtig als dit slag mensen mij bescherming aanbieden. Daar staat immers altijd wat tegenover. Aan dit soort ridders verkoop ik mijn ziel liever niet. Al is het maar, omdat ik ‘van mijn geloof’ mijn lot aan de handen van de Levende moet toevertrouwen en niet aan de aanbieders van paarden en wagens – om het met het mooie erfgoed van de Bijbelse taal uit te drukken. Ik probeer me daaraan te houden – zonder de pretentie dat dit altijd lukt (zie boven).

In die context heb ik me op Twitter onlangs de woorden ‘wij christenen’ laten ontvallen. ‘Wij christenen hebben jullie bescherming niet nodig’, schreef ik, of iets in die trant. (Ik lees mijn eigen tweets niet na. Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.) Toch arrogant dus? ‘Spreek voor jezelf!’ – werd mij voorgehouden. Een lesje in nederigheid. Niettemin: als ik dan toch door de seculiere kruisridders als ‘christen’ wordt aangesproken, heb ik minstens ook het recht om iets te vinden over wat ‘christenen’ horen te vinden. Ik mag dan misschien niet namens mijn medechristenen spreken, maar ik mag hen wel áánspreken en een beroep doen op ‘onze’ gemeenschappelijke bronnen (zo gaan ‘wij christenen’ sinds eeuwen met elkaar om). En die bronnen zeggen nu eenmaal: Het is beter te vallen in de handen van God dan in die van mensen, inclusief onze ‘beschermers’.