Monthly Archives: december 2017

Last is geen grond voor verbieden – over voors en tegens van een vuurwerkverbod

Van het vuurwerk met oud en nieuw heb ik altijd een sterke afkeer gevoeld. Het lawaai, de intimidatie door rotjochies die rotjes voor je voeten gooien, de stank die bij bepaalde weersomstandigheden te lang blijft hangen, de niet opgeruimde rommel in de straat en mijn tuin: dit alles heeft mijn afkeer gevoed en iedere jaarwisseling doen toenemen. Voor een verbod op consumentenvuurwerk ben ik niettemin tot nu toe niet geweest. Ik haalde altijd diep adem, zette de tanden op elkaar en wachtte rustig de stilte van 2 januari af.

Sedert kort ben ik echter overstag – maar dan niet vanwege de genoemde dingen, die onder het begrip ‘overlast’ worden samengevat. Ik ben voor een verbod omdat we niet meer heen kunnen om de aantoonbare samenhang tussen enerzijds consumentenvuurwerk en anderzijds letsel bij mens en dier, materiële schade en dodelijke ongevallen. Het is te gek voor woorden dat we het voor lief nemen, dat er ieder jaar rond oud en nieuw onnodig en met honderd procent zekerheid slachtoffers vallen. Om die simpele reden ben ik inmiddels dus wel voor verbieden.

Ik onderstreep echter dat de genoemde ‘overlast’ als zodanig in mijn ogen te weinig grond is voor een verbod op luidruchtige uitingen van levensvreugde. Iedere groep en iedere enkeling heeft zijn bijzondere tijden en momenten, die met een zekere uitbundigheid worden gevierd – een uitbundigheid die onvermijdelijk grenst aan bandeloosheid. Als je zelf even niet hoort bij de feestvierende gemeente of de ‘doelgroep’,  ervaar je vooral de hinder en de last. Als je zelf niets te vieren hebt, is het moeilijk om de keerzijden van het feest voor lief te nemen. Mij vergaat dat bijvoorbeeld zo bij de jaarlijkse marathon, op Koningsdag en tijdens de kerstmarkt. Mijn stad wordt er tijdelijk chaotisch en onhanteerbaar, lawaaierig en lelijk van. Het op de kop zetten van de orde irriteert en hindert me. Ik ervaar het als een inbreuk – en soms zelfs als een inperking van mijn bewegingsvrijheid. Toch probeer ik de nodige tolerantie en zelfs begrip op te brengen voor de menigte die van dit soort evenementen geniet. Ik ben op een andere dag misschien weer degene die hinder veroorzaakt. Die overlast zal, gezien mijn voorkeuren en smaak, een wat serener en beschaafder karakter hebben – maar ook klassieke-muziekfestivals of uitmarkten hebben onvermijdelijk iets opdringerigs, om nog maar te zwijgen van politieke demonstraties, religieuze uitingen en stille tochten.

Leven en laten leven dus: dit beschaafde adagium is op zich al een reden om niet te snel over te gaan tot verbieden van ‘overlast’. Bovendien horen ontregeling en ordeverstoring bij onze cultuur en onze samenleving, zolang ze maar zijn gedoseerd en zolang ze – paradoxaal uitgedrukt – worden gereguleerd en ingekaderd. Dat is niet is van vandaag of gisteren. Massaal gevierde feesten waren er altijd al en ze hadden altijd al iets ontregelends en ordeverstorends. Dat was en is zo met carnaval en kermis, bij heiligenfeesten (tot op de dag van vandaag in zuidelijke streken), tijdens festivals en sportevenementen etc. Tijdelijke wanorde hoort erbij en heeft bovendien een sociaal-hygiënische functie: het geeft speelruimte en voorkomt zodoende het klem- en vastlopen van de raderen van de orde.

Verbieden omdat iets mij hindert en omdat het de orde verstoort, is voor mij al met al niet aan de orde. Pas als er grenzen worden overschreden en als daarin een patroon ontstaat, pas als de drempel voor geweld wordt verlaagd, pas als er een structureel causaal verband ontstaat met beschadiging van mensen en zaken: pas dan kan en moet een verbod worden overwogen. In alle andere gevallen is een verbod een uiting van afgunst, humorloosheid en verbittering. Bovendien verlamt het het samenleven. Het verbieden van dingen waarvan we last hebben leidt tot klikgedrag, tot terug pesten en een escalatie van het verbieden. ‘Als jij mij dit niet gunt, gun ik jou dat niet!’ We komen terecht in een angstige kousenvoetencultuur.

Wat betreft het consumentenvuurwerk is mijn standpunt helder. Dat spul moet onmiddellijk worden verboden – en wel vanwege de voorspelbare en aantoonbare schade, die er direct het gevolg van is. Dit mag echter geen stap zijn op een weg waarop steeds meer ‘hinderlijke’ zaken als zodanig worden verboden, totdat onze openbare ruimte een griezelig neutraal en eentonig landschap is van krampachtige correctheid en smetvrees.

Zalig kerstfeest!

Tastend in het duister,
Tegen elkaar uitgespeeld,
Speelbal van het lot
En tegendraadse verlangens:
Zo zouden we voortleven,
Reddeloos verloren,
Had God ons niet
Zijn reddende hand gereikt,
Zijn menselijke gezicht getoond.
Zomaar deed hij dat.
We hadden er niet om gevraagd,
Laat staan het ernaar gemaakt,
Maar we gingen hem
Nu eenmaal aan het hart.
En hij maakte ons nieuw,
Gaf ons opnieuw lucht,
Door toedoen van Jezus.
Onthoud die naam.
Hij betekent immers: God redt.
Vannacht is hij geboren.
Laten we gaan kijken, luisteren
En veel erover praten. Vertellen
Over dat ongelofelijke nieuws.

Titus 3, 3-8

Afbeelding: August Macke, Vlucht naar Egypte (naar Dürer) 1910.

Verlaat de verlammende identiteitsmanie en wees weer gewoon altruïstisch.

Op mijn paplepel lag destijds een behoorlijke dosis altruïsme. Niet dat ik daardoor een beter mens ben geworden. Het heeft wel mijn geweten gevormd. “Denk altijd eerst aan anderen, pas daarna aan jezelf,” – zo leerde ik van mijn ouders: “Kom nooit voor je zelf op, maar altijd eerst voor de ander. De ander zal dan wel voor jou opkomen.” Sociologisch gezien kwam deze ethiek ten dele voort uit de bescheiden positie van mijn milieu  (al wil ik haar niet restloos herleiden tot conditionering). Maatschappelijk hadden we weinig in te brengen. Iets voor jezelf vragen was al op het randje. Iets opeisen of afdwingen was een regelrechte grensoverschrijding. Nederigheid en afwachten loonden daarentegen. Binnen ons gezin en milieu werkte het in elk geval. Ik heb daar mensen leren vertrouwen. Ze kwamen altijd wel over de brug als je iets nodig had.

Deze ethiek kleurde ook mijn maatschappelijke inzet als (jong-)volwassene in de jaren tachtig en negentig. Dit engagement was, achteraf gezien, in ideologisch opzicht niet altijd even evenwichtig, laat staan dat ik het zo heldhaftig in praktijk bracht. De basishouding echter mocht er zijn: verplaats je altijd eerst in anderen, in groepen en enkelingen die het minder hebben en die anders zijn – en die het misschien juist daardoor minder hebben. Dit ‘jezelf op de achtergrond plaatsen’ gold voor jezelf als enkeling, maar ook voor de groepen of categorieën waartoe je hoorde. Daarom voelde ik me ook nooit op mijn gemak bij zelfemancipatiebewegingen en speelde ik nooit de kaart van de (vermeende) achterstandspositie waarop ik stond (als telg uit een arbeidersmilieu, als sneue Limburger, als homo etc.). Ik leerde vooral mijn zegeningen tellen en mijn privileges waarderen. En ik nam het op voor die groepen die verschillend waren van mijn bevoorrechte milieu: zwarten in Zuid-Afrika, minderheden in Nederland, Palestijnen, vluchtelingen, AIDS-patiënten enzovoorts.

Als iedereen consequent rechts rijdt, is het verkeer veilig. Als je erop vertrouwt en wacht, dat anderen je voorrang geven eveneens. Zo is het ook in de maatschappij. Als iedereen zich laat leiden door altruïsme, is de samenleving rechtvaardig en vreedzaam. Want wie goed doet, goed ontmoet. Dat werkte in mijn leven vrijwel altijd. Natuurlijk kwam ik natuurlijk ook de nodige spookrijders tegen. Maar dit soort hyper-assertieven waren uitzonderingen. Totdat ik uit mijn bubble kwam …

…. en ontdekte, dat het voor bepaalde groepen de norm werd om links te rijden en om voorrang te némen; dat er steeds meer bewegingen kwamen waarbij de solidariteit vooral was gericht op mensen van de eigen soort. En dan doel ik niet op mensen die aan de grond zitten, moeten vechten voor hun leven en daarom de handen ineenslaan. Ik heb het over hen die het goed hebben, zich ogenschijnlijk inzetten voor anderen, maar zich feitelijk exclusief richten op mensen van (wat zij zien als) hun eigen etnische, religieuze of culturele categorie. Alsof het horen bij een cultuur of religie, die toevallig ook de mijne zijn, het achtergesteld-zijn van de ander bitterder en ernstiger maakt. Goed: solidariteit moet ergens beginnen en je kunt niet alles en iedereen helpen. En als herkenning en geestverwantschap iemand extra motiveert om in actie te komen: soit. Als het hierbij blijft is er echter sprake van als altruïsme verpakt groepsegoïsme.

In elk geval is dit identiteitsactivisme niet invoelbaar, als je zelf hebt geleerd dat ‘voor de ander als ander opkomen’ loont. Wat ik nog verwarrender vind, is dat sommige groepsdenkers het helemaal niet (meer) op prijs lijken te stellen als ik me met hen solidariseer. Dat wordt zelfs verdacht gevonden. Als je als wit mens het antiracisme ondersteunt, wordt dat bijvoorbeeld gezien als  bemoeizucht, als het misbruiken van je privileges en als het stelen van de show. Je moet vooral een toontje lager zingen en kritisch naar je motieven kijken.

Jammer is dit. Natuurlijk: introspectie en reflectie kunnen nooit kwaad. En het is goed om af en toe bij je zelf te rade te gaan en om uit te sluiten dat je lijdt aan een Messiascomplex. Maar als we elkaar gaan verlammen en frustreren in onze betrokkenheid; als we activisme gaan verzuilen en verkokeren; als we elkaar en onszelf gaan wantrouwen en dwingen tot een narcistisch herkauwen van onze eigen drijfveren; als ‘witte mensen’ bij demonstraties uit beeld moeten blijven omdat ze wit zijn: dan wordt de samenleving cynisch en vreugdeloos. En dan lijkt het er niet meer om te gaan dat we de wereld beter maken. Dan lijkt activisme vooral een wedstrijd in aandacht, uitverkorenheid en morele superioriteit.

Politiek en engagement die worden gedreven door identiteit, leiden tot verbittering, verbetenheid en verharding. Laten we in vredesnaam de vrijheid en vreugde van de alteriteit weer ontdekken.